De zorg der kerk voor haar doopleden
In een artikeltje over belijdenis doen, werd er op gewezen, dat de kinderen der geloovigen bij de kerk zijn. In zooverre is de spreekwijze nieuwe lidmaten niet juist.
Het zijn jonge lidmaten, die belijdenis des geloofs doen. Geen nieuwe lidmaten, want zijn lidmaten door geboorte. De vraag aan de ouders door het Doopformulier gesteld, is in dit opzicht zeer duidelijk: „of gij niet bekent, dat zij in Christus geheiligd zijn en daarom, als lidmaten Zijner gemeente behooren gedoopt te wezen ? "
Het Doopformulier heet de kinderen der geloovigen, dus lidmaten van Christus' gemeente. Het doet dat niet op eigen gezag, maar op gezag der Heilige Schrift. Immers wij het op het Verbond met Abraham en zijn zaad in hunne geslachten en op het woord van Petrus : „u komt de belofte toe en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zooveelen als er de Heere onze God toeroepen zal". (Hand. 2 : 39).
Een en ander brengt ons in de veelbesproken kwesties, waartoe de Kinderdoop aanleiding heeft gegeven. En nog steeds zijn er, die tegenover den Kinderdoop twijfelachtig of afwijzend staan. De gronden, die men daarvoor aanhaalt, zijn ongelijk. Zij zijn soms van practischen aard, vooral ten gevolge van de ontkerstening, die men onder gedoopte lidmaten waarneemt, getuige de uitdrukking „gedoopte heidenen".
Deze practische bezwaren treffen echter niet den Kinderdoop op zich zelf, behoeven dien althans niet te treffen. Zij kunnen wel aanleiding zijn tot een gereserveerde houding, welke op haar beurt zekere toegankelijkheid biedt voor bezwaren, die van theoretischen aard zijn of zelfs min of meer Doopersch getint.
De practische bezwaren als zoodanig raken echter het stuk van kerkelijke tucht. Immers „gedoopte heidenen" is van het standpunt des geloofs gezien een in zichzelf tegenstrijdige uitdrukking. Juist de genoemde Schriftplaatsen zijn in dit opzicht overtuigend. Het Verbond met Abraham is in de eerste plaats afzondering van de heidenen. De besnijdenis is daarvan het teeken. Vandaar de uitdrukking onbesnedenen, die gelijkluidend is met heidenen De besnedene is geen heiden en nochtans is niet iedere besnedene een Iraëliet, in welken geen bedrog is. De Heilige Schrift verbergt het geenszins, dat het volk des Ouden Verbonds vele trouweloozen en goddeloozen telde.
Tegen deze ongehoorzaamheid en afval gaat het voortdurend protest der profeten. Hun woord gaat uit tot het volk, maar niet minder tegen de herders en leidslieden, die geroepen zijn het volk te leiden in het recht des Heeren en bij de tucht der Wet.
Het Doopformulier noemt een stuk daarvan in de derde vraag : of gij niet belooft deze kinderen in de voorzeide leer naar uw vermogen te onderwijzen, of te doen en te helpen onderwijzen ? Dat is een stuk geestelijke tucht in den besten zin des woords, : n.l. dat degenen, die van de kerk zijn, ook de gehoorzaamheid brengen, welke zij voor God schuldig zijn. Zulk een gehoorzaamheid voegt de gansche gemeente in al haar organen, allen leden, ouders... en voorgangers, zoodat, indien daarin wordt te kort geschoten, de gemeente als geheel geroepen is daartegen op te treden.
Nu wij het Doopformulier weer noemden en de lijn van besnijdenis en doop werd doorgetrokken, hetwelk dit formulier ook doet, aangezien het zegt, dat de Doop in de plaats der besnijdenis is gekomen, moet volgen, dat de Christelijke Doop daarin, met de besnijdenis overeenkomt, dat hij is een teeken der afzondering van de heidenen.
Men mag bovendien in deze afzondering niet een menschelijke daad zien, want het is een daad Gods. Het is geen toevalligheid, dat de eene mensch uit het volk des Verbonds, de andere uit een heidenschen stam geboren wordt. Zoo, is het geen toevalligheid, dat de een bij wijze van spreken „in de kerk", de andere daarbuiten wordt geboren. Wij staan hier voor een daad Gods, een daad der afzondering, welke ons onder de beloften en de bedreigingen des Verbonds zet.
Uit dit gezichtspunt kan men derhalve slechts ten onrechte van „gedoopte heidenen" spreken. Nog eens, in het licht van deze daad Gods kan men die uitdrukking niet plaatsen.
Toch gevoelen wij, dat hiermede niet alles is weerlegd, wat aanleiding kan geven tot deze uitdrukking. Maar dan komen wij weer op het terrein der tucht, en nu kerkelijke tucht.' Het kan inderdaad voorkómen, dat kinderen gedoopt worden, wier ouders naar recht en billijkheid niet meer als geloovigen kunnen worden aangemerkt. Ouders, die zelf misschien nog wel gedoopt zijn, maar die tot belijdenis des geloofs niet zijn gekomen, en zoo dit al het geval is, niettemin van de kerk en het kerkelijk leven geheel vervreemd zijn.
Wij blijven slechts bij zulk een algemeene aanwijzing, want de practijk is rijk aan voorbeelden van dergelijken aard, die toch weer den term „gedoopte heidenen" schijnen te rechtvaardigen.
En in zooverre die gerechtvaardigd schijnt, slaat het terug op de nalatigheid der kerkelijke tucht. Deze behoorde zulks te voorkomen.
Hoe dan?
Het is niet van vandaag of gisteren, dat de één het standpunt inneemt: doop alles wat in het doophuis komt, terwijl de ander nadruk wil gelegd hebben op het der geloovigen in kinderen der geloovigen. Deze laatsten bedoelen een zekere tucht op de ouders: b.v. dat zij kerkelijk medelevende lidmaten zijn.
Zulk een dooptucht loopt echter gevaar van willekeurig te worden. Zij kan ons niet uit de moeilijkheid helpen, omdat zij eerst gaat werken, als men de bediening van het Sacrament — onder welken drang of om welke redenen dan ook — komt vragen. Wie deze dingen hebben te behartigen, weten, hoe moeilijk en onbevredigend zulk een practijk vaak is.
Het klinkt eigenaardig, maar de dooptucht moet losgemaakt worden van de doopsbediening. Misschien kan men beter zeggen : zij moet voorkomen worden door de kerkelijke tucht in het algemeen. De kerkelijke tucht moet zorg dragen, dat zulke aangelegenheden niet voorkomen. Zij moet er ernst mede maken, dat de gedoopten lidmaten van Christus' gemeente zijn. Indien zij alleen degenen, die belijdenis hebben gedaan, voor zoodanigen houdt, en de anderen buiten haar opzicht laat gaan, berooft zij hen van de voorrechten, die zij krachtens hun geboorte „in de kerk'' behooren te genieten. Het is toch een voorrecht onder de tucht des Woords te mogen verkeeren. Het gevolg is, dat zij het ontstaan van „gedoopte heidenen" binnen de kerk in de hand werkt. De kerkelijke tucht behoort ernst te maken met het feit, dat de gedoopten lidmaten van Christus' gemeente zijn en zich als zoodanig hebben te gedragen. Dat wil niet zeggen, dat zij een onderzoek naar het innerlijk heeft te doen, maar het betreft leer en leven, handel en wandel.
Afgezien van het al of niet gedaan hebben van kerkelijke belijdenis, heeft het kerkelijk opzicht over de dooplidmaten in dezelfde voege te gaan als over de z.g. belijdende lidmateji. Dat is principieel het eenig juiste standpunt. Het niet doen van belijdenis mag niet een middel zijn om zich aan het opzicht en de-tucht te omtrekken. Er is geen enkele grond om mondige doopleden daarvan uit te zonderen, — tenzij zij na vruchtelooze vermaning te kennen geven den band te willen breken. In dat geval censureeren zij zich zelf en rangschikken zich onder degenen, die — zoo daartoe op schriftuurlijken grond aanleiding is — door de kerk werden losgelaten. Dan geldt het Schriftwoord: hij zij u als de heidenen, een woord van bijzondere beteekenis in verband met het uitgangspunt der afzondering. Van bijzondere beteekenis ook voor de misplaatste uitdrukking : „gedoopte heidenen", want de Schrift zegt niet: hij zij u een heiden, maar : als de heidenen. (Matth. 18 : 17). Ook ten aanzien van de naar Christus' bevel uitgestootene handhaaft zij nog de daad der afzondering door het woordje als.
Intusschen, die op zulk een wijze der kerk als de heidenen is, kan in die conditie niet vallen onder de geloovigen, waarop het Doopformulier ziet, en bijgevolg geen aanspraak maken op de bediening van het Sacrament aan zijn kinderen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's