Uit de kerkelijke Pers
Ter verantwoording geroepen.
Ter verantwoording geroepen.
In „Woord en Wereld" heeft Prof. Kraemer geschreven over een ernstig gesprek, dat God, in alles wat er thans geschiedt, begonnen is met de wereld, ons volk en vooral ook met de Kerken. Meerdere bladen hebben hiervan melding gemaakt. Prof Kr. wijst er op dat Gods gesprek een gesprek is „van oordeel, van oproep tot bezinning, van uitnodiging tot omkeering en vernieuwing des levens". En wat wordt dan nu gezien als de aangrijpend-ernstige positie waarin de Kerken staan ? De Kerken moeten nu een antwoord geven op dit door God begonnen gesprek. De Kerken hebben het thans moeilijk in de wereld omdat de tijd van ongestoord, onaangevochten bestaan voorbij is. „Zij moeten strijden om haar plaaats en bestaan.
In menig geval zijn zij thans niet meer dan ondergrondsche, verdoken of lijdende Kerken. Het is voor een menschdlijke pen niet meer mogelijk een idee te geven, welk een massa van geestelijk en lichamelijk lijden in deze eene zin is samengepakt. Evenmin is het mogelijk onder woorden te brengen welke geheimenissen van triompheerende goddelijke vreugde door dit massieve lijden ongetwijfeld telkens heenbreken. Wij kunnen het niet, omdat wij niet voldoende weten en als wij het wisten, zouden wij onmachtig zijn het onder woorden te brengen, die het onderwerp recht doen. Zoo hartdoorborend, grootsch en afschuwelijk is het thans met de wereld en met de Christelijke Kerk gesteld, wanneer wij althans de dingen in de breedte-dimensies der wereld en in de diepte-dimensie van het goddelijk Woord vermogen te zien."
Dit wordt echter nog niet als het belangrijkste geoordeeld door Prof. Kr. Nog belangrijker is volgens hem het feit „dat in het actueele spreken Gods met de wereld en de Kerken van thans, de Kerken ter verantwoording geroepen worden over haar verleden en haar heden. Over de wereld wordt nu verder gezwegen. Want in de eerste plaats richt het goddelijk gesprek van oordeel en oproep tot bekeering zich tot de Kerken en is het een oproep tot verantwoording. Dit wordt dan als ernstiger en aangrijpender gezien dan dat de Kerken in menig gedeelte der aarde tot de positie van lijdende Kerk zijn teruggedrongen. De Kerken hebben toch het allermeest met de oproep te maken, omdat zij organen zijn, die zeggen uit een goddelijke opdracht te leven. Die Kerken zouden toonen doof te zijn voor de goddelijke oproep tot verantwoording over verleden en heden, die het zouden bestaan om in dezen tijd „liefst zoo beschut mogelijk voort te vegeteeren, of, hoewel op een zeker peil levend en zelfs voorbeeldig toegerust met een juiste belijdenis en een onaantastbare Kerkorde, de ongedeerdheid als het hoogste goed te stellen".
Het verschrikkelijkste wat goed christelijk gedacht kan worden is een Kerk, die ongewijzigd uit deze periode zou voortkomen. Welke drastischer middelen dan tegenwoordig zou God dan nog moeten gebruiken om „Kerken en Christenen wakker te schudden uit de verdooving van zelfgenoegzaamheid en in zichzelfgekeerdheid, die haar in het verleden zoo ontrouw aan hare bestemming heeft gemaakt" ? Dit inzicht moet thans een genezende schrik worden, dat de ontkerstening der Westersche wereld „niet alleen de schuld van de afval der wereld is, maar minstens evenzeer van de afval der Kerk van haar aard en roeping." De oproep wordt dan door Prof. Kr. aldus eenvoudig onder woorden gebracht : „Ontwaakt thans tot de opdracht, die het wezen en de zin van Uw bestaan uitmaakt, en komt in die ontwaking tot een streng gericht houden met Uzelve, en tot een nieuw leven."
Er is alleszins reden om met Gods oproep tot verantwoording volle ernst te maken. Alleen al omdat het Gocfs oproep is. Terwijl niemand zal zeggen dat we thans, in deze tijden, niet een bijzondere oproep ontvangen. Om hiermee vlak bij te komen, overdenke een ieder maar eens wat God aan hem heeft gedaan, met welke belofte Hij tot hem gekomen is en welke roeping hij van Godswege heeft ontvangen.
We zijn geboren binnen de kring der gemeente. We zijn bekend gemaakt met het Woord Gods. We hebben in onze prille jeugd het teeken en zegel van de Doop ontvangen. Van ons allen geldt, wat God gezegd heeft van Israël: wat heb Ik nog meer aan Mijn wijngaard te doen, dat Ik niet gedaan heb ? Niemand onzer kan den Heere met recht een tekort verwijten. Integendeel, er moet getuigenis worden afgelegd van onuitsprekelijke lankmoedigheid, van ontfermend roepen tot weerkeer, van straf, maar niet naar onze zonden. Welnu, wat hebben wiji met dit alles gedaan? Wat denken we en doen we met het aanbod der genade, met bet Woord Gods, dat ons is bekend gemaakt, met het sacrament van den Doop dat we ontvingen, met het sacrament van het Avondmaal, dat telkens wordt aangericht in het midden der gemeente ? Wat doen we met de roeping tot nieuwe gehoorzaamheid, het aanhangen, betrouwen en liefhebben van den Heere, het verlaten der wereld, het dooden van onze oude natuur, het wandelen in een nieuw Godzalig leven ? Hoe hebben wij gepreekt en geluisterd naar de preek! Hoe hebben we gecatechiseerd catechetisch onderwijs ontvangen, belijdenis gedaan of niet gedaan ? Wat is ons aandeel geweest in het prediken van het Evangelie aan alle creaturen ? Hierover roept God ons steeds, maar inzonderheid ook nu ter verantwoording. En wee de mensch, die met den farizeër meer dan voldaan is over zichzelf. Die een hooge borst opzet en den schuldigen tollenaar met innerlijk genoegen weet aan te wijzen en zichzelf als de getrouwe zoon presenteert. Bij alle ware godsvrucht en bij alle liefde, welke ontstoken is door de liefde van Christus, zal er schuldbelijdenis moeten zijn voor Gods aangezicht. Schuldbelijdenis met Daniël :
„Wij en onze vaderen, wij hebben gezondigd''. Als er werkelijk eens velen door Gods oproep zondaar werden, dan zou er verootmoediging en schuldbelijdenis komen. Het zou dan verstaan worden, dat ieder verantwoordelijk is voor het kerkelijk leven en alles wat daarmee samenhangt. Er zou een breken komen met wat we zouden willen noemen: het afschuifsysteem — het altijd de verantwoordelijkheid afschuiven op een ander. We zouden dan zelf komen te staan, persoonlijk, onder de ernst van de roeping Gods. Ik meen, dat Prof. Bavinck er in een artikel op gewezen heeft, dat wèl de Kerk „gedaan" heeft aan Zending en Evangelisatie, maar dat er maar al te weinig sprake van is dat een ieder tot zijn naaste het getuigenis deed uitgaan van het heil in Christus. We kunnen dit ten volle beamen. Als we hier de oogen niet opzettelijk dicht willen doen en een zekere zelfgenoegzaamheid beslist willen behouden, zullen we een afgrond van schuld zich zien openen. Voor honderd en één ding zijn we warm te krijgen, maar — in 't algemeen gesproken — hebben we weinig slapeloosheid over onze roeping in verband met het Koninkrijk Gods. We voegden hiertusschen ,,in 't algemeen gesproken", omdat we weten dat het wèl voorkomt. Door Gods genade. Maar, laat ons dat weinige toch niet met tevredenheid doen denken : 't is al goed. We hebben het al aardig ver gebracht. God zegt, dat het niet zoo is. God komt in Zijn oordeelen dat verkondigen. Want Hij is komen zoeken naar de vruchten in Zijn wijngaard, maar waar waren en zijn die vruchten ? Afval van God in breeden kring. Inzinking van het geloofsleven. Verwarring op kerkelijk gebied. Een loslaten van de waarheid, die naar de godzaligheid is. Dat alles laat de Heere niet onbezocht.
Hiervan geldt wat Ds Teelinck schrijft in zijn boek „De Schending van het recht des Verbonds gewroken". „Ontzettende toestand! De liefdevolle Vader daalt neer in toorne en grimmigheid ! Vermogen Zijn dienstknechten zulk een hardnekkigheid in Zijn volk niet te verbreken, dan zal de Heere het zelf voor de zaak van Zijn Verbond opnemen, en Hij, de Almachtige, Wien alle middelen en wegen ten dienste staan, zendt andere dienaren uit, die volvaardig zijn om Zijn bevel te gehoorzamen. Dan komt de Heere tot Zijn volk met de verschrikkelijke plagen van oorlog en pestilentie, van duren tijd en hongersnood en met zooveel meer, dat schadelijk is voor land en volk. Dan geeft Hij het zwaard bevel om dronken te worden van het bloed Zijns volks ; dan schiet Hij de pijlen Zijner pestilentie af, zoodat de lichamen als drek op de straten vertreden worden; dan laat Hij een zwaren hongersnood voortkomen, die de schoonheid der menschenkinderen als een mot of made verteert; ja, dan komt de Heere met „den bezem des verderfs'' (gelijk het in Jesaja 14 wordt uitgedrukt) om de moedwillige kwaaddoeners uit Zijn huis uit te drijven, opdat de overgeblevenen, daardoor genezen en tot inkeer gebracht, zich weer tot Hem zouden wenden.
En over hen, die in hun kwaad volharden, komt dan wat wij lezen in de profetie van Hosea : „Ik heb ze gehaat om de boosheid hunner handelingen. Ik zal ze uit mijn huis uitdrijven. Ik zal ze voortaan niet meer liefhebben". Meer nog. In Zijn grimmigen toorn neemt de Heere soms de besten uit Zijn volk weg, opdat het toch Zijne kastijdingen ter harte nemen en bedenken zou dat er nog zwaardere piagen voor de deur staan, indien de vorige bezoekingen niet tot heilzame middelen ter genezing geweest zijn". Met Teelinck mogen we dan wel uitroepen : „Hoe diep gezonken, hoe hard van harte moet toch het volk zijn, dat zelfs onder zulk eene slaande en tuchtigende hand des Heeren niet tot vernedering komt!" Onszelf veroordeelen, omdat wij ons door God veroordeeld weten — dat moet het worden. Alleen dan zal er dageraad kunnen zijn. En we laten niet af in 's Heeren naam daartoe elkaar ernstig op te roepen. Hierop te merken met het hart, zal rijke vruchten afwerpen voor het kerkelijk leven. Dat zou de doodsteek beteekenen voor wat Groen noemt: doode formulierrechtzinnigheid, waardoor de kracht der reformatie mede werd gebroken. „Heere Heere'' roepen, „belijdenis, belijdenis" zeggen, brengt er ons niet. Maar het buigen voor den Heere en het beleven der belijdenis wordt van ons geëischt. 't Is met de strijd tusschen licht en duisternis niet zoo eenvoudig, als wij het dikwijls believen te stellen. Lüthki wijst daarop in „Die kommende Kercke", een boek over Daniël.
Daarin worden ons twee fronten getoond. Aan de eene zijde Nebukadnezar, Belzasar, Darius, de heidensche Staat, en aan de andere zijde Daniël „een van de gevangenen uit Juda, Daniël met zijn geloofsgenooten, het volk Gods in de Babylonische ballingschap, de benauwde en vervolgde Kerk van Christus te midden van een Godevijandige volkerenwereld. Maar dan komt het nieuwe. De profeet ziet in hoofdstuk 9 Gods gericht — maar ditmaal niet over 't goddelooze Babel, maar over het vrome Jeruzalem. De vinger Gods verschijnt nu niét in de feestzaal van Belsazar, maar boven de heilige tempelfeesten van de verkoren gemeente. Dat met die twee fronten is dus nog niet zoo eenvoudig. Deze twee fronten zijn niet zuiver van elkander gescheiden. Ook in Gods Kerk zit de zonde, de ongerechtigheid, de vijandschap tegen God. Dat mag wel eens meer bedacht, verstaan en beleden worden. Dan zullen wij ons voor God neerwerpen met schuldbelijdenis en in dezen weg zal het ervaren worden dat we inderdaad te doen hebben met een (Dan. 9) , "groote en verschrikkelijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben en Zijne geboden houden".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's