De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zorg en verantwoordelijkheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zorg en verantwoordelijkheid

Nog eens de financiën

6 minuten leestijd

Enkele weken geleden schreef ik een artikel onder de titel 'Het zwaard van Damocles ? ', één en ander n.a.v. de steeds grotere lastenverzwaring van de gemeenten in verband met de bijdragen aan de kas predikantstraktementen, de kas predikantspensioenen en de kas algemene kerkewerk (quotum). Ik ontving daarop een schrijven van de secretaris van de Generale Financiële Raad, de heer C. D. Hamelink, waarvan ik ter aanvulling het volgende graag overneem. De heer Hamelink schrijft:

'Naar ik meen moet onderscheid gemaakt worden tussen de betalingen van de gemeenten aan de kassen voor de predikantstraktementen en predikantspensioenen en aan de kas voor het algemeen kerkewerk. De eerste twee kassen hebben betrekking op de predikantsplaatsen zelf en vormen in feite geen onderdeel van het algemeen kerkewerk. In de bijdragen aan deze twee kassen zijn de kosten van deze raden opgenomen.

Dat de pensioenbij dragen de laatste jaren sterk zijn verhoogd is algemeen bekend. Dat de aandelen van de kas voor de predikantstraktementen sinds 1973 zijn gestegen vanwege de structurele verbetering van de predikantstraktementen, waartoe de generale synode in 1972 besloot, komt in uw artikel niet voor. De invloed is duidelijk uit uw cijfers van de gemeentelijke bijdragen te zien.

De bijdrage ten behoeve van het algemeen kerkewerk steeg in de jaren 1972, 1973 en 1974 met circa 10% per jaar, terwijl in 1975 in het geheel geen quotumverhoging plaats vond. In deze jaren zijn verwoede pogingen gedaan om de uitgaven voor het algemeen kerkewerk te matigen. Tot en met 1974 is het gelukt zonder tekorten te werken. In 1975 is er echter een , begrotingstekort van ongeveer ƒ 500.000, — zonder dat een bezuiniging op korte termijn realiseerbaar blijkt te zijn. Het zwaard van Damocles hangt boven de gemeenten, zo schrijft u. Zonder de quotumlast te bagatelliseren is dat in de eerste plaats een gevolg van de stijging van de kosten van de predikantsplaatsen.'

Ik geef deze opmerkingen van de heer Hamelink graag ter aanvulling door. Het is goed dit onderscheid aan te brengen. Dat neemt evenwel de problematiek die er voor de kerkvoogdijen ligt niet weg. En het structurele probleem dat steeds minder leden van de gemeente moeten gaan opbrengen voor steeds meerderen (de reden waarom ook de quotumverhoging van de laatste jaren plaatsvindt) blijft dringend de aandacht vragen evenals de geweldige problemen bij de pensioenvoorzieningen. Prof. dr. G. P. van Itterzon vermeldde uit Den Haag een stijging van de bijdragen voor de predikantspensioenen per predikantsplaats per jaar van ƒ 2000, —. We signaleren enkele weken geleden dezelfde stijgingen voor enkele gemeenten.

De andere kant van de medaille

Er is ook een andere kant die aandacht vraagt. Heel vaak gebeurt het dat mensen ons vragen in brieven of op vergaderingen of men wel door moet gaan met betalen gezien allerlei bestedingen waar we niet achter kunnen staan. In een brief die ik dezer dagen ontving staat het zo: wat moeten we met de hoofdelijke omslag der kerk ? De plaatselijke kerk kan het geld niet ontberen maar anderzijds valt het ons zwaar kerkegeld voor geweld te zien gebruiken, of te zien dat er vredeskranten door worden bekostigd.

Ik zou willen zeggen dat we in deze dingen wel zeer voorzichtig in onze uitspraken moeten zijn. Heel vaak worden alle kassen, fondsen en de bijdragen daarvoor op één hoop geveegd en gezien in het licht van een bepaald soort bestedigen. Het is zaak hier echter goed te onderscheiden. Al te gemakkelijk kan men ook met verkeerde argumenten de hand op de portemonnee gaan houden. In het algemeen zou ik willen zeggen, dat men niet gauw te veel geeft aan de kerk. Het gemeentelijk leven moet voortgaan. De Schrift spreekt herhaaldelijk over de tienden. Tien procent van het inkomen voor de kerk is meer dan wij nu in de gemeente plegen te geven, ik geloof dat dat wel in het algemeen gezegd kan worden. In Mal. 3 : 10 lezen we: Brengt al de tienden in het schathuis opdat er spijze zij in mijn huis en beproeft Mij nu daarin, zegt de Heere der heirscharen of ik u dan niet opendoen zal de vensteren des hemels en u zegen afgieten zodat er geen schuren genoeg wezen zullen'. De zegen van God en onze gave staan hier nota bene vlak naast elkaar. Ook in tijden van nood mag de gemeente niet tekort komen. En als andere gemeenten lijden, in financiële nood zijn, dan dringt de vraag of we niet samen hebben te lijden en samen te helpen ?

Ik denk ook — als het gaat om onze bijdragen — aan een woord van de afgescheiden ds. G. C. Ledeboer. Bij het zien van oude hervormde kerkgebouwen zei hij: houd ze maar goed bij. God zal ons haar weer geven. Hij bedoelde dit in het licht van de leer der vaderen. Wanneer we in streken, waar het kerkelijk leven onder de vrijzinnigheid of onrechtzinnigheid verlopen is, kerken zien kwijnen, kerkgebouwen in haveloze toestand zien dan is dat een schrijnende zaak. Houd ze maar goed bij. God zal ons haar wéér geven!

Financieel bijdragen aan de plaatselijke gemeente betekent echter ook kritisch meeleven. Wanneer geld besteed wordt voor de vredeskrant of inderdaad voor verkeerde acties dan kome men te bestemder plaatse in het geweer en wanneer dat niet helpt is evenredige korting van de bijdrage mogelijk. Maar. de hand helemaal op de portemonnee ? Neen, de gebouwen, de prediking, het pastoraat vragen geld wil de gemeente blijven.

Wat de landelijke bijdragen betreft, die worden grotendeels door de gemeenten betaald. Die zijn ten dele nodig, ten dele naar onze vaste overtuiging niet. Er zijn b.v. raden, die geld kosten en onzes inziens best kunnen verdwijnen. Enfin hiervan hebben we al gezegd dat een structurele aanpak in verband met de lastenverzwaring nodig is.

Wat die bijdragen betreft daarvan kan men echter niet zeggen: die gaan naar geweld of acties. Hetzelfde geldt voor de bijdragen aan de Generale Kas. Dat dit geld vaak, bij op zichzelf goede dingen als pastoraat, catechese, prediking en kerkbouw, wordt aangewend binnen gemeenten waar we het kerkelijk leven inhoudelijk graag anders zouden zien is buiten kijf. Maar dat maakt deze bestedingen ten principale nog niet verkeerd.

Wel mag van gemeenten en gemeenteleden kritisch onderscheid worden gevraagd als het gaat om bijzondere collecten of bijdragen (b.v. Kerk en Wereld, De Horst of twee procent ontwikkelingssamenwerking). Hier ligt een eigen verantwoordelijkheid voor de kerkvoogdijen en als die in deze beslissingen nemen, die de gemeenteleden niet wensen, dan komt de eigen verantwoordelijkheid van het gemeentelid.

Nog één opmerking tenslotte. Er wordt ten aanzien van de algemene verplichte bijdragen voor het landelijk kerkewerk nooit iets opgelost wanneer de leden individueel hun bijdragen gaan korten. Daarvan is alleen de kerkvoogdij ter plaatse de dupe. En dan keert men in feite toch het wapen tegen de eigen gemeente. Maar de tekst uit Maleachi 3 blijft ook in deze een goed richtsnoer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Zorg en verantwoordelijkheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's