Gods hand [2]
...geeft de Heere de hand... [2 Kronieken 30 : 8]
Het is gewaagd om op deze wijze over God te spreken, maar Hizkia kan het niet duidelijker zeggen: 'geeft de Heere de hand', dat wil zeggen: geef uw hart over aan de Heere, Hem alleen behoort het toe. Want met dat geven van die hand ontstaat een binding, een relatie.
Kan dat wel, God de hand geven? Als je de koningin niet eens zomaar de hand mag geven, mag dat dan wel bij God?
Hoe was het ook alweer bij de koningin? Wanneer zij eerst de hand reikte mocht de hand worden gegeven. Welnu, zo is het bij de Heere ook. Hij steekt Zijn hand uit. Hij is de eerste, Hij nodigt. Zouden we dan die uitgestoken hand afslaan?
Hizkia wil met zijn menselijke beeld benadrukken hoezeer de Heere naar Zijn volk wil omzien. Het is net als bij de verloren zoon; de Vader kwam hem tegemoet! Zo mag Hizkia nodigen voor het Pascha.
Wellicht denkt u: word ik zo genodigd? Ik, zondaar? Als ik dat nu eens wist, al mij eens gezegd werd 'geeft de Heere de hand'. Tot wie wordt dat gezegd? Aan wie laat Hizkia deze boodschap overbrengen? We lezen dat hij boden uit laat gaan naar 'het ganse Israël en Juda, en schreef ook brieuen tot Ejraïm en Manasse'. Deze boodschap van nodiging tot Gods genade moet niet alleen aan Juda gebracht worden. Ook het tienstammenrijk mag het horen! Nota bene dat gebied dat zich afgescheiden had. Dat gebied dat voor het grootste deel is weggevoerd door de Assyriërs. Ook die mensen, levend onder de gevolgen van hun eigen zonden, moeten genodigd worden.
Dat is een rijk evangelie. Daar gaan de herauten van Dan tot Berseba, het hele land door; 'gans Israël'. Acht keer wordt het maar liefst in dit hoofdstuk genoemd. Heel Israël moet, mag het horen: 'geeft de HEERE de hand'. Ook die Israëlieten van dat zondige noordrijk, die rest, die overgeblevenen hoorden het aanbod van genade. Daarom komt deze nodiging ook tot u: 'geeft de HEERE de hand en komt tot Zijn heiligdom'. Hizkia nodigde tot het Pascha. Het lam zou geslacht worden tot verzoening van de zonden. Een sprekend beeld dat in Christus zijn vervulling heeft gekregen. Zie het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt. In Christus is Gods hand in genade uitgestoken. Er is redding en behoud voor een ieder die tot Hem vlucht: 'geeft de HEERE de hand en komt tot Zijn heiligdom'. Wie de Heere de hand geeft maakt dat duidelijk in zijn komen.
De Israëlieten moesten komen. Gaan naar de tempel. Ze moesten samen zijn tot eer van God. Konden ze niet gewoon thuis geloven? Kon het niet zonder de viering van dat Pascha? Zeker wel. Toch vraagt de Heere om de komst van mensen. Waarom? Tot eer van Zijn naam. Om eigen armoede te belijden en tot Hem te gaan om hulp. riend Omdat zondaren dat nodig hebben. Omdat zij met minder niet toekunnen. Om te gehoorzamen en je te onderwerpen aan Zijn nodigend Woord. En komen ze dan? We lezen dat er gelachen en gespot werd om de uitnodiging. Een onvoorstelbare reactie op die bijzondere woorden van de koning. Zo helder werd er uitgenodigd, met zo intense en duidelijke woorden. Woorden waarin iets van liefde tintelt, van zondaarsliefde. En dan zo'n reactie; schokkend gewoonweg. Het is als met de gelijkenis van de koninklijke bruiloft die de Heiland vertelde. De nodiging ging uit, en niemand kwam. De één voor de ander had geen tijd of wilde niet komen. Zo gaat het in het koninkrijk der hemelen, vertelt Jezus. Dan gaat de nodiging naar anderen: 'opdat Zijn huis vol worde'.
Komt er dan niemand op zo'n indrukwekkende uitnodiging: 'geeft de HEERE de hand'? Kijk, toch nog reactie! 'Evenwel verootmoedigden (daar is de betekenis van het 'geven van de hand' ten diepste zichtbaar) zich sommigen van Aser en Manasse, en van Zebulon en kwamen te Jeruzalem'. Uit dat zondige gebied komen ze, al zijn het er maar weinigen. Ze komen. Zondaren komen om Gods genade te ontvangen. Ze hebben verstaan wat de uitnodiging werkelijk betekent. Ze gehoorzamen en onderwerpen zich aan Gods Woord. Ze komen omdat ze de Heere nodig hebben en zonder Hem niet kunnen leven. En samen met degenen die van Juda zijn wordt het toch een grote gemeente. Ze komen, al is het uit het zondige noorden of het meelevende zuiden; ze hebben het Pascha nodig. Het offerlam geslacht tot verzoening van de zonden hebben ze beiden nodig.
Hoe kun je de hand geven? Een kind kan het ons vertellen. Je kunt alleen een hand geven als je niets in handen hebt. Zo alleen is het mogelijk. Zo mag het ook. Dat klinkt in die nodigende woorden 'geeft de HEERE de hand'. Je mag met lege handen komen. Zo moet het ook. Er is niets mee te brengen. Loslaten alle onzekerheden en weerstanden, maar ook alle godsdienstigheid en eigen vroomheid; lege handen anders niet.
Ze komen, ondanks alles, gehoorzamend aan de geweldige uitnodiging. En achteraf in vers 12 staat: 'Ook was de hand Gods injuda', die deed hen gehoorzamen. Opnieuw wordt Gods hand genoemd. Die trok, die leidde, die werkte. Zo is het toch altijd? Als je terugkijkt; wat deed je gehoorzamen, waarom kwam je toch, ondanks alles wat tegen pleitte? Het was Gods hand. Hem zij al de eer!
C. H. BAX, EDE
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
![Gods hand [2]](https://dewaarheidsvriend.digibron.nl/images/generated/de-waarheidsvriend/reguliere-editie/2001/11/01/1-thumbnail.jpg)
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's