Stichtelijke overdenking.
Want wie veracht den dag der kleine dingen ? Zach. 4 : 10a
Het kleine niet verachten.
Keer op keer geeft het menschelijk leven te zien, dat de uitkomst eener zaak gansch anders is dan de verwachting ervan gekoesterd. Dit is het geval in gunstigen en ongunstigen zin. Het komt voor, dat de ophef en het geroep ergeus van gemaakt in omgekeerde verhouding staan tot de beteekenis der zaak zelve. De Romeinen drukten dat uit in het eigenaardige spreekwoord: de bergen zijn in barensnood en er wordt een belachelijke muis geboren.
Inzonderheid zet de geschiedenis van het sectewezen daarop het zegel. Er zijn zelfs kerken geweest — denk b.v. aan de Manicheesche —, die hare aanhangers in drie werelddeelen bij millioenen telden en in het zand verloopen zijn, zoodat men haar spoor niet meer terugvindt. Voor een tijd schenen zij de gevestigde orthodoxe kerk op zijde te streven, ja te verdringen, maar zij waren Jona's wonderboom gelijk, die in één nacht opschoot en in één nacht verging door den steek van een worm.
Maar ook het tegenovergestelde wordt gezien in het leven in 't algemeen en in Christus' Kerk in 't bijzonder. Kleine oorzaken hebben soms groote gevolgen; een klein vonkske kan een groeten brand stichten. Wie had een elftal maanden geleden gedacht, dat de vermoording van den Oostenrijkschen troonopvolger door een overspannen jongeling van nog geen twintig jaren binnen enkele weken heel Europa in vuur en vlam zou zetten en de aanleiding zou wezen tot een oorlog, zoo ontzettend als de wereld in al de eeuwen van haar bestaan nog niet gezien heeft? Vooral in het Koninkrijk Gods wordt het geschouwd, dat de aanvangen van groote bewegingen heel nietig en gering kunnen zijn, waarom de Schrift ons oproept "om den dag der kleine dingen niet te verachten."
De woorden van den profeet Zacharia zijn allereerst tot zijn volksgenooten gericht, die uit Babel waren teruggekeerd, gebruik makend van het verlof van Cyrus, den koning van Perzie, om Jeruzalem en den tempel te herbouwen. Ze stelden er zich bergen van voor en droomden van een glorierijke toekomst. Als kinderen zoo blijde maakten zij zich op naar het land der vaderen, maar als kinderen waren ze mistroostig, toen de werkelijkheid niet aan hun hooggestemde verwachtingen beantwoordde.
De grondslagen van den tempel werden dra gelegd, maar de oude menschen, die in hun jonge jaren den tempel van Salomo nog gekend hadden, konden het begonnen werk niet roemen. De vergelijking toch met den ouden tempel viel niet in het voordeel van den nieuwen uit.
Velen gaven aan hun droefheid op luide "Wijze lucht. „Wie is onder ulieden overgebleven, die dit huis in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft en hoedanig ziet gij het nu? Is het niet als niets in uwe oogen? " lezen wij bij den profeet Haggaï, maar om hun mismoedigheid weg te nemen, verkondigde hij ben in 's Heeren naam: „Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen. De heerlijkheid van dit laatste huis zal grooter worden dan van het eerste, zegt de Heere der heirschareh." De profetie is in vervulling gegaan. De koningin van het Zuiden was gekomen om te hooren de wijsheid van Salomo, maar ziet - meer dan Salondo is in den tweeden tempel 'Verschenen. De heerlijkheid van het tweede huis zou grooter wezen dan die van het eerste, zoo nietig en onaanzienlijk als de aanvang er van was.
Het heeft den Heere zoo menigmaal behaagd Zijn Raad aldus tot uitvoering te brengen. Wel allermeest in de zending van Zijn Zoon op aarde. Hij werd geboren uit de maagd Maria, de ondertrouwde van den timmerman Jozef, en zag het levenslicht in een beestenstal. Maar zoo werd vervuld, hetgeen gesproken was door den Profeet: Want er zal een rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï en een scheut uit zqne wortelen zal vrucht voortbrengen.
Gelijk het nu met den Koning van het Godsrijk het geval is geweest, zoo is het geschied ook met de Kerk. Toen Paulus in den nacht een gezicht gezien had van een Macedonisch man, die hem bad en zeide: „Kom over en help ons!", heefc hij zeker niet gedacht, dat in dat hem vreemde werelddeel Europa Christus' Kerk meer dan elders wortel zou schieten en dat van daar in den loop der eeuwen de boodschap des heilszou uitgaan tot de volken van Azië en Afrika.Hij begon met ééne bekeerlinge, Lydia, een purperverkoopster, daarenboven uit Azië afkomstig, maar zij is de eerstelinge geweest van een oogst, rijker dan waarvan ooit is gedroomd.
Toen in later eeuwen een eenvoudige monnik, Maarten Luther genaamd, den 31en October 1517 zijn vijf en negentig stellingen aan de slotkerk te Wittenberg aansloeg, heeft hij zelf wel het allerminst gedacht, dat dit het sein zou wezen tot een beweging, die millioenen van de oude kerk zou losmaken en die een nieuw tijdperk in de geschiedenis van het Christendom zou doen aanbreken. De paus zag er aanvankelijk niets anders dan een onbeduidenden monnikentwist in, maar hij zou dra begrijpen dat zijn heerschappij in gevaar was, toen die monnik zijn bul openlijk durfde verbranden.
Wie geneigd is om den dag der kleine dingen te verachten, zie op 's Heeren geboorte uit eene eenvoudige maagd in een armoedigen stal, op Paulus' bekeering van een enkele Lydia, op Luther's aanslaan van zijn 95 stellingen, en hij zal er doordrongen van wezen, dat iets kleins en nietigs het begin kan wezen van groote dingen.
Het is niet moeielijk in te zien, waarom God de Heere bij de vestiging en uitbreiding van Zijn Koninkrijk meestal juist langs dezen weg wil werken, opdat nl. niet de mensch, maar Hij de eere ontvangen zal. Wanneer het anders ging en groote middelen noodig waren om een doelwit te bereiken, waarvan de beteekenis ternauwernood geëvenredigd was aan de daaraan bestede moeite en inspanning, dan zouden we op den mensch en den mensch alleen zien, maar nu worden wij als gedwongen te zeggen: waarlijk, dat is Gods vinger.
Van nature echter is een mensch geneigd om te doen wat de Israëlieten deden in Zerubbabels dagen. Wij trekken het ons dikwijls aan, wanneer er, als wij iets ondernemen, gezegd wordt: wat willen die lui, die aemechtige Joden toch? Wij laten den moed zoo menigmaal zinken, als we zien op onze kleine kracht en den berg van tegenstand, waarmee we te worstelen hebben, maar zoo we met een Mozes door het geloof mogen leven, om ons vast te houden als ziende den Onzienlijke, dan zal die spot en hoon ons niet kunnen deren. Dan zullen we moedl scheppen uit het voorbeeld door Nehemia en zijn knechten bij den tempelbouw gegeven, ' arbeidend met het zwaard in de eene en de truffel in de andere hand. „God van den hemel Die zal het ons doen gelukken en wij Zijne knechten zullen ons opmaken en bouwen." Dan zullen we gedenken aan het woord, dat het niet door kracht noch door geweld, maar door den Geest van den Heere der heirscharen geschieden zal, die ons waarschuwend toeroept den dag der kleine dingen niet te verachten.
Die waarheid is van het hoogste gewicht voor een ieder in 't bijzonder, die in den ongeren zin werkzaam is in het Koninkrijk Gods. Het is niet gezegd, dat de meeste menschen tot bekeering komen onder het gehoor van predikers, die schitteren door de vele talenten, hun geschonken, en wier naam voor een tijd op aller lippen is, om nog eeuwen later genoemd te worden onder de groote redenaars, die het levenslicht hebben gezien. Zou het velen van hen niet gebeuren om, gelqk de Heere dit zeide tot den profeet Ezechiël, als een lied der minne te zijn, als een, die schoon van stem is of die wel speelt, daarom hooren zij uwe woorden, maar zij doen ze niet. Misschien, dat Gods Koninkrijk meer nog bevestigd en uitgebreid wordt door allerlei stillen arbeid, waarvan de wereld niet hoort en waarop menigmaal als gering en onbeteekenend wordt terneergezien, maar die er metterdaad toe strekt om blijvende vrucht af te werpen. Het is begrijpelijk, dat een predikant met weinig opgewektheid het Evangelie verkondigt voor een schare van soms nog geen tien menschen, klein en groot, gehjk dit rechtzinnigen leeraren gebeurt, als zij geroepen worden op ongeloovige plaatsen op te treden. Het is echter wel mogelijk, dat zij het middel zijn om sommigen te brengen tot de voetbank van Gods genadetroon, die anders verloren zouden gaan omdat zij geen kennisse hadden. De Heere Jezus ging door het land der Samaritanen - en verkondigde aan ééne vrouw van niet onberispelijk levensgedrag het Evangelie met het gevolg, dat velen der Samaritanen om het woord dier vrouw in Hem gelooven zouden.
„ Want wie den dag der kleine dingen veracht heeft, zal met blijdschap den steen zien in de hand van Zerubbabel." Degene, die op het kleine en nietige begin heeft neergezien, zal omslaan en veranderen als een blad van een boom. Ook dat komt meermalen voor in het leven, dat de ergste tegenstanders van een zaak ten slotte nog de vurigste voorstanders worden en het werk, dat zij in den beginne ten diepste veracht hebben, tot den hemel toe verheffen. Dit zou gebeuren naar Zacharias' woord met de Israëlieten van zijne dagen; 't zou geschieden met een Nathanaël b.v., die eerst hooghartig zeide: kan uit Nazareth iets goeds zijn? maar zou komen en zien en voor den Heere de belijdenis afleggen: Rabbi, Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israels!
„Die getrouw is in het minste, die is ook in het groote getrouw, die in het minste onrechtvaardig is, die is ook in het groote onrechtvaardig", heeft Jezus eenmaal gezegd. Maar in het leven wil men in den regel het tegendeel doen. Men zal er voor schromen om zich op onrechtvaardige wijze van een groote som gelds meester te maken, maar er niets in vinden om het een of ander te houden, dat door den rechtmatigen eigenaar vergeten is. Men veracht den dag der kleine dingen om ten slotte langs lijnen van geleidelijkheid tot een verachten ook van de groote te komen.Snelle afloop als van vele wateren. Men begon met in het kleine oneerlijk te wezen en men is geëindigd met het in het groote te zijn, een schandvlek voor zijn familie, een schandvlek soms voor de Kerk des Heeren.
Het kan gebeuren zeer zeker, dat een werk schipbreuk lijdt, hetwelk met de beste bedoelingen ondernomen wordt: we hebben niet de zekerheid, dat alles zal slagen wat ondernomen wordt om het Koninkrijk Gods groot te maken. Dat weten wij. De ervaring wijst dat voldoende uit. De Heilige Geest kan zelfs verhinderen ergens het Woord te spreken. Wij hebben te doen wat onze hand vindt om te doen en de uitkomst aan den Heere over te laten, die het wèl zal maken Zoo de menschen dan niet luisteren willen, hun bloed zal, naar het Woord des Heeren, niet op ons, maar op hun eigen hoofd zijn : die het hooren wil, die hoore en die het laat, die late het, maar wee ons, als we dit te gering en dèt te onbeteekenend hebben geacht om er onze krachten aan te geven. De Heere zal ons dan ook eenmaal gering achten, omdat we versmaad hebben in het kleine getrouw en rechtvaardig te zijn.
Heerlijk was de belofte, die Zacharia kon brengen aan het volk, dat in arren moede ternederzat en het werk wilde laten varen, voordat het ter h elf te was volbracht, maar heerlijker nog; is de belofte, die onze grootste Profeet en Leeraar 'heeft uitgesproken: dat de goede en getrouwe dienstknecht, die over weinig getrouw is geweest, over veel zal worden gezet. Getrouwheid in het kleine doet ons ingaan in de vreugde des Heeren. Zoo wij dit mogen zgn en die ingang in de eeuwige tabernakelen voor ons mag zijn weggelegd, dan zullen wij met blijdschap zien den ruiter op het witte paard, die uitgaat overwinnende en opdat hij overwonne. Dan zullen we niet vreezen voor Hem, die het groote oordeel zal uitspreken over levenden en dooden, want Hij, die den scepter voert over hemel en aarde, zal dan geven loon naar werken aan een iegelijk menschenkind. Waar Hij de ontrouwen van Zich zal afscheiden en wegdoen, daar zal Hij Zijn gaarne getrouwe dienstknechten het Vaderhuis met zijn vele woningen doen binnengaan, opdat zij met Hem als koningen zullen heerschen over den nieuwen hemel en de nieuwe aarde. Ja Hij, die deze dingen getuigt, komt haastelijk, komt plotseling, komt ten dage, als men Hem niet verwacht en ter ure, die men niet weet, maar komen zal Hij nu of over honderd of over duizend of over nog meerdere jaren. Zalig, als gij ook uit de volheid uws harten bidden kunt met Johannes, den ziener van Patmos: Kom, Jezus, ja kom haastiglijk, Heere. Gij zult met blijdschap worden voortgeleid en met vreugdegejuich om dan den Koning, uwen Koning, te mogen zien in al Zijn schoonheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 mei 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
