De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

Ik heb lief, die Mij liefhebben ; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden. Rijkdom en eere is bij Mij; duurzaam goed en gerechtigheid. Spreuken 8 : 17—18.

Bestendig goed.

De eerste heilsklank, welke de Opperste Wijsheid te beluisteren geeft in dit gedeelte der Schriften, heeft al een wonderlijke zoetheid in.

„Ik heb lief, die Mij liefhebben".

In deze woorden legt de Heere de bron bloot, waaruit de liefde tot Hem voortkomt.

Daar zijn er op deze wereld, die liefde in het harte ontvingen tot het hoogste Wezen. Deze is er niet door hun eigen toedoen gekomen. Het is niets van het schepsel zelf. Ik had u lief, zegt de Hoogste Wijsheid, daarom hebt gij Mg lief gekregen. Omdat Ik u het eerste lief gehad heb, daarom zijt gij uw hart kwijt geraakt.

Nu zou mij evenwel niets verwonderen, lezer, of daar zijn er onder u bij wie de gedachte reeds oprees: als God de Heere alleen liefheeft, wat Hem liefheeft, dan vrees ik dat ik daaronder nooit zal worden geteld.

Dan bestaat er voor mij waarschijnlijk weinig kans, want in dit hart rijzen zoo telkens allerlei booze en God-onteerende gedachten.

Ik kan het niet gelooven, dat ik God wel zóo lief heb, dat Hq mij als een van Zijne liefhebbers erkent.

Zoo averechts staat de mensch er gewoonlijk voor, dat hij het Woord des Heeren telkens misverstaat. Hij leest het precies omgekeerd aan Gods bedoelen. De Heere weet hoe ongetroost en twijfelmoedig het harte vaak is van Zqn kinderen.

Nu wil Hg hen troosten en hun twqfelzucht genezen. Dat doet Hij met dit woord.

In uw harte leeft iets, zoo spreekt Hij tot Zijn kleinen, wat niet van deze wereld ja, want daar is geen liefde. Het is ook niet van u zelf.

Of zoudt ge het aandurven te ontkennen, dat er iets van binnen bij u leeft, wat er voorheen onbekend was.

Ge kunt — dat is best mogelijk — het moment niet aangeven, dat ge dit voor het eerst gewaar werdt, n.l. dat deze wereld u vreemd is, dat ge u hier voeldet als een doortrekkende reiziger. Ge hadt de grootheid Gods gezien en uwe ziele had hiervoor gebeefd. Daar kwam een heilig verlangen naar dienzelfden God, voor Wiens aangezichte ge evenwel niet durfdet verschqnen. Daar kwam bq u een allerwonderlgkste tweespraak uit in uw diepste wezen.

Nu werd deze prediking uitgedragen, dat er vergiffenis werd geschonken aan doodschuldigen, dat verlorenen werden gezocht, dat er in één woord mogelqkheid bestond om salig te worden.

„Als dat eens waar mocht zqu voer mij, wat zou ik den Heere dan hartelijk liefhebben. Wat zou ik Zijn Naam dan ten hoogste verheerlijken", alzoo de alleenspraak van een ziel waarin des Heeren opzoekende liefde zich verheerlijkt. Hier gaat het niet om den hemel, niet om zalig te worden, maar alleen omdat de Heere het zoo waardig is bemind en geliefd te worden.

Maar als dit nu alleen de overleggingen waren; doch hiernaast rijzen ook andere.

Weet ge hoe die zijn? Vaak van sulver wereldsehe, vaak van tegenovergestelde gedachten vol zqnde dingen.

Eu nu komt dit: zou de Heere zulk een, zoo'n zondaar als ik ben, wel kunnen liefhebben ?

Ziet, tot de zoodanigen buigt de hooge en heerlijke God, Die in Christus zich zoo duidelijk heeft geopenbaard als een zoekende Redder en Heiland van verlorenen, zich over. Hy fluistert zachtkens, maar toch zoo overtuigend:

„Ik heb lief, die Mij liefhebben."

Omdat Mijne liefde u heeft getrokken, daarom hebt gij dat zoekende verlangen in het harte gekregen. Het daalde af uit den hemel in uwe ziel.

Ziet, van hier uwe liefde.

De Heere legt als het ware tegelqk met dit woord Zijn machtigen arm rond de zwakke lendenen.

Och, zoo spreekt de Liefdevolle: „laat nu en voortaan alle twijfelzucht varen, geef n maar geheel aan Mg over? "

Het is u te schoon, niet-waar zoekende ziel, dat gq dit zoo maar zoudt aannemen ?

De Opperste Wijsheid weet er van. Hg kent de strikken van satan waarmede Hij zijn prooi zoekt vast te houden. Deze is reeds meer dan eens tot hem gekomen gekomen met deze leugentaal: „gij moet u niets inbeelden. Het heil is voor heel andere lieden. Houd maar op met al uw zoeken. Het geeft u toch niet met al."

Zie, daarop past nu precies wat de Heere er op doet volgen in dit woord van onzen tekst.

„Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden."

We willen dit eerst laten staan, zooals het ons tegen klinkt.

Wanneer de Heere spreekt van Zijne liefde en deze zóó ondubbelzinnig toont, als Hq uittreedt in al Zijne beminnelijke hoedanigheden, dan is Hg voornamelqk en boven alles zoo aantrekkelijk voor wat klein is, en hulpbehoevend.

Spreekt eens met de kinderen over het noodzakelijke en onontbeerlqke om den Heere te kennen en te erkennen als hun Koning en Behouder,

Hier is een veel ontvanklgker hart en veel gewilliger oor dan daar, waar schier een gansch menschenleven in den zondigen dienst der wereld werd doorgebracht.

Jongelingen en jongedochters, en wie de kinderschoenen nog niet hebt uitgetrokken, leest eens dit woord, en herleest het met gebed in uwe ziel: „die Mq vroeg zoeken, zullen Mq vinden".

Er is een wandelen op wegen vaak in onze dagen, waarvan ge zelf moet getuigen; er is geen mogelijkheid dat hier de Heere door mg kan worden gezocht.

Wat de Heere doen kan, daarin is Hij vrij. Hq kan een Saulus wel grijpen, al is deze ook bezig de Gemeente van Christus te vervolgen. Maar gg kunt nooit pleiten op beloften als gij afdwaalt van den u voorgeteekende "Zoekt Mijn aangezicht". „Zoekt Mq vroeg".

Hier liggen de meest ernstige waarschuwingen.

Vroeg zoeken staat tegenover uitstellen. Uitstellen is altijd gevaarlijk, want wie weet den dag van zijn dood? De groote verleider fluistert u wellicht in 't oor: „'tis voor u nog wel wat heel vroeg. Het kan later nog even goed. Gq kunt eerst nog wel iets meer van de wereld genieten." Hij lokt, opdat de dagen naderen en de jaren komen waarin gezegd wordt: ik heb geen lust in deselve.

Eü afgezien hiervan, schuilt in dit denkbeeld niet iets verschrikkelijks: de jeugd geef ik aan wien ik wil, desnoods aan den Duivel, de grijsheid ben ik van plan aan God te geven.

Zoudt ge dit wel luid durven uit te spreken ?

Lezer, als daar maar een vonkske van het waarachtige leven Gods in de ziele valt, dan kan het niet anders of het wordt een zoeken waar de Heere is, waar Hq zich openbaart in Zijn Woord. Met den Psalmdichter roept hg het uit: „ik zoek Uw aangezicht, o Heere, verberg Uw aaagezicht voor Mg niet". Ik kan buiten U niet meer leven. Laat mij eens zien en hooren hoe Gij javer mij denkt of Gij mij als een verloren Adamskind wilt aannemen."

Ziet, geliefden, voor de zoodanigen, de zoekenden, die uitzien naar heil, die waarlijk biddend hun weg gaan, is het woord des Heeren „die Mij vroeg zoeken", eene uitnoodiging.

Vroeg d. w, z. in den morgenstond reeds, dus altijd door, naarstiglijk. Zoo staat het dan ook in het vorige hoofdstuk. Wie zoo zoekt zal vinden.

En nu vraag ik u, of ge éen voorbeeld me kunt bijbrengen van iemand, die naarstiglijk heeft gezocht en niet gevonden. De Heere blijkt een waar maker van Zijn Woord. Zou Hij het zoeken in het harte planten en met het zich laten vinden achterwege blijven? Laat het er maar gerust staan: „die zoekt zal vinden". Luistert maar eens hoe de Heere van Zijne zqde alle beletselen uit den weg ruimt: „Ik ben gevonden van degenen, die naar Mg niet vraagden. Ik ben gevonden van degenen, die naar Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mqn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: ziet hier ben Ik, ziet hier ben Ik.

Ik heb Mqne handen uitgebreid den geheelen dag tot een wederstrevig volk".

Die zoekende werd gemaakt, is reeds gevonden. Hq vindt ook.

En wat vindt hg nu mede? Rgkdom en eere. Rijkdom en eere zijn alleen bq God te vinden. Duurzaam goed ongerechtigheid, zegt onze tekst.

Wie God Zelf weer vindt in het aangezicht van Christus Jezus, die Hem lief heeft gekregen, heeft een rijkdom die nimmermeer vergaat. Dat is met recht een duurzaam goed.

"Wat zijn er door den golfslag van de wereld al een rijkdommen verdwenen. Wat staat het met alle bezit hier hachelijk.

Noem mq eens éen ding, waaraan ge als etiket durft hechten : „duurzaam goed". Zooiets bestaat er niet, of altqd knaagt de tand des tijds daaraan.

Hoevele rgken gaan niet in onze dagen met zorg de toekomst tegen?

Hier is nu iets dat nooit verandering heeft te vreezen. Dit is duurzaam goed. 't Is n.l. op den weg der gerechtigheid verkregen.

Daar glijden geen donkere schaduwen overheen, gelijk van zoo menig bezit op deze wereld moet worden betuigd.

De gerechtigheid Gods deelt zich zelve mede. Het is alles in den persoon en het werk van onzen Heere Jezus Christus begrepen.

„Rgkdom en eere is bij Mq."

„Wie Mij vindt, vindt het leven en trekt een welgevallen van den Heere".

Ziet hier den schat.

Wie Christus verkreeg tot zqn deel is van de straf bevrijd, ontving God wederom als Vader; hij is mede-erfgenaam van een nieuwen hemel en een nieuwe aarde. Die heeft een God in den hemel en Christus in het hart, ja de beloften voor tgd en eeuwigheid.

't Is schier een ongelooflijk iets.

Die de hel verdiend hadden, ontvingen den hemel en die als goddeloozen moesten worden prijs gegeven, worden begiftigd met twee zaken tegelijk. Zg ontvangen rgkdom en eere.

De dichter van Psalm 84 zingt er van : Hij zal genade en eere geven.

Die het heil in Christus deelachtig werden, zullen de eere ontvangen, van de hemelingen. Als zij eenmaal aan de hand van hun Behouder door Jerusalems straten worden henengeleid om te worden voorgesteld aan den Koning, zal hun worden toegebracht de eere van koningskinderen, nl. de eere, welke afstraalt van het Lam.

Is dit geen heerlqk vooruitzicht?

Al staan nu nog de voeten in het stof, straks zal worden aangeheven:

Wij steken het hoofd omhoog Eu zullen d' eerkroon dragen. Door U, door U alleen Om 't eeuwig welbehagen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's