De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

12 minuten leestijd Arcering uitzetten

Lichamelijke Opstanding.

De modernen ontkennen, dat Jezus waarlijk uit de dooden is opgestaan. En als ze het over die opstanding hebben maken zij er maar wat van.

Om dat nog weer eens te bewijzen nemen we een artikel over uit het Weekblad voor de Vrijz. Hervormden. Men ziet dan, dat het een polemiek is tusschen den modernen dr Niemeyer van Bolsward en den ethischen dr. Cramer van den Haag.

Dat is wel interessant. Dat we hierin aan de zijde van dr. Cramer staan, behoeven we zeker niet te zeggen:

We lezen dan in bovengenoemd Weekblad van 12 April j.l. het volgende:

Handelende over het Paaschfeest, schrijft de Haagsche predikant dr. J. A., Cramer in het Nieuw Kerkelijk Weekblad o. a.:

„We kunnen ons moeilijk de omkeering in de harten der discipelen verklaren zonder 'n feit, waaruit hun zonneklaar bleek, dat Jezus ieefde. De pogingen, om hun geloof aan den opgewekten, lichamelijk uit 't graf verrezen Christus te verklaren, hetzij uit 't zich verdiepen in herinneringen aan alles, wat ze met Jezus tijdens zijn omwandeling op aarde hadden doorleefd, hetzij uit visioenen, waarbij ze meenden. Jezus te zien, kunnen we gerust als waardeloos op zijde zetten Van wetenschappelijke zijde komt men telkens weer met zulke pogingen aandragen, tot vervelens toe. Men moest met dat geknutsel eindelijk toch eens ophouden, en, als men niet aan de lichamelijke opstanding gelooft, om welke reden dan ook, 't eerlijk bekennen, dat men 't ontstaan van dat geloof bg de discipelen niet kan verklaren Dat is .ten minste royaal. Want zóó is 't."

Hierop laat dr. Niemeyer dan volgen: „Bet is bekend, dat menschen, die zich niet op hun gemak gevoelen, zich menigmaal een hou'ling trachten te geven door brutaal te worden én een grooten mond op te zetten.

Hebben wij hier misschien ook met zulk een geval te doen? Is een gevoel van onrust en onzekerheid de oorzaak van' den eenigszins opgeblazen nadruk, waarmee dr. Cramer aan /ijn lezers tracht wijs te maken, dat vrijzinnigen bij het bespreken der opstandingsverhalen slechts knutselwerk kunnen leveren, en, als zij eerlijk wilden zijn, zouden moeten bekennen, dat zij het ontstaan van het geloof aan Jezus' lichamelijke opstanding hij zijn leerlingen niet kunnen verklaren ?

Hij stelt de ongelijke houding, die tegenover het geloof aan de opstanding wordt aangenomen, gaarne voor als het beslissende verschilpunt tusschen orthodoxen en vrijzinnigen. Gevoelt hij misschien in den grond van zijn hart, dat hij zelf, die de bijbelsche verhalen niet alle als van God afkomstig en door Hem ingegeven voor geloofwaardig houdt, en die zeer goed weet, dat de opstandingsverhalen op, onderscheidene punten met elkander in strijd zijn, geen houdbaren grond heeft, om aan de lichamelijke opstanding wèl te gelooven?

Hoe dit zg, in elk geval is zijn bewering, dat de vrijzinnigen het ontstaan van dat geloof bij Jezus' leerlingen niet kunnen verklaren, ten eenen male onjuist.

Het valt hun integendeel gemakkelijk, duidelijk te maken, dat dit geloof in verband met toen ter tijde bestaande voorstellingen en opvattingen wel bijna noodzakelijk ontstaan moest.

De leerlingen hadden Jezus gehouden voor den Christus, den lang verwachten Messias, die zou brengen het koninkrgk Gods.

Zij mogen zich van dat koninkrijk een minder stoffelijke voorstelling hebben gevormd dan de meeste Joden dier dagen, als zg op den Zondag vóór Paschen met een jubelende schare hem huldigen, blijkt uit den aard dier huldiging ten duidelijkste, dat zij groote dingen van hem verwachten, en in hem zien den toekomstigen koning.

Daarom waren zij geheel verbijsterd en verslagen, toen hij gevangen werd genomen en ter dood werd gebracht. Het leven van hun gestorven Meester scheen hun nu één groote vergissing, en geheel ontgoocheld moesten zij de schoone verwachtingen, die zij van zijn optreden hadden gekoesterd, opgeven. Hij was de Christus niet geweest.

Maar als de hevigste ontroering voorbij is, en de herinnering aan zijn grootheid allengs krachtiger bij hen gaat spreken, dringt zich de vraag aan hen op, of hij misschien toch de Christus geweest zou kunnen zijn.

En als die vraag, hoe ongerijmd zij op het eerste gezicht scheen, hen niet loslaat, komen zij weldra te staan voor deze keuze: óf zij moeten aannemen, dat zij zich in Jezus volkomen hebben vergist, en dat hij niet was wat hij scheen, óf - want de Christus moest stichten het koninkrijk Gods - zij moeten gelooven, dat hij op aarde zal wederkeeren, om zijn werk te voltooien, en in heerlijkheid en macht als stichter van het Godsrijk op te treden.

Nu vond men in dien tijd het denkbeeld, dat iemand na zijn dood op aarde terugkwam, blijkbaar niet buitengewoon zonderling en onwaarschijnlijk. Bij zijn leven is Jezus immers ook wel gehouden voor een, die reeds vroeger leefde, voor Johannes den Dooper, voor Elia, voor Jeremia.

En zoo herwinnen de leerlingen, te zeer doordrongen van zqn grootheid, om zijn gansche leven als nutteloos te beschouwen, het geloof, dat hij de Christus is geweest, en verkondigen zij zijn' aanstaande wederkomst.

Doch nu kan, de vraag niet achterwege blijven, waar hij zich in afwachting van het tijdstip zijner wederkomst bevindt.

Hadden zij gekend de later zoo gewoon geworden voorstelling, dat de geloovigen na hun dood ten hemel gaan, dan zouden zij hierbij niet werkelijk voor een vraag hebben gestaan.

Dan-zou het voor hen vanzelf hébben gesproken, dat Jezus was opgenomen in den hemel, en daar tot zijn wederkomst zoi\ verblijven.

Maar die voorstelling kenden zij niet. Zij deelden de in hun tijd gangbare meening, dat de gestorvenen heengingen naar de onderwereld, het doodenrijk, en in dat duistere verblijf onder de aarde vertoefden als schimmen.

Zij moesten dus wel aannemen, dat ook hun Meester, die was gestorven en begraven, in dat onderaardsche verblijf was neergedaald.

Maar als hij .de Christus was, de uitverkorene Gods, dan kon hij toch niet tot zijn wederkomst als een schim onder schimmen in de onderwereld verkeeren 1 Dan moest hij_ toch zijn in Gods nabijheid, en leven in hemelsche heerlijkheid, dan was de hemel alleen een hem-waardige verblijfplaats!

En dus maken zg de noodzakelijke gevolgtrekking, dat hij uit het doodenrijk is opgestaan naar de aarde, en vervolgens van de aarde is gevaren ten hemel.

De voorstellingen van opstanding en hemelvaart staan niet op zichzelf, doch vloeien uit het geloof aan zijn wederkomst .- in den eersten tijd een belangrijk, overheerschend geloofspunt - in verband met - de toenmalige wereldbeschouwing vanzelf voort.

Dat in lateren tijd de overlevering is gaan spreken van opstanding uit het graf in plaats van uit de dooden, uit het doodenrijk, en dat er verhalen in omloop zijn gekomen over verschijningen van den herrezen Meester, aan sommigen ten deel gevallen, is evenmin vreemd of onverklaarbaar.

Maar dat kan hier blijven rusten, omdat enkel over het ontstaan van het geloof aan Jezus' opstanding bij zijn leerlingen werd gesproken.

De vrijzinnigen hebben zeker hier heel wat vaster grond ónder de voeten dan zoogenaamde orthodoxen als dr. Cramer.

Nog eens, dat wij het in deze recht eens zijn met dr. Cramer, behoeft geen betoog.

Als bizonderheid willen we hier nog aan toevoegen wat we vonden in een Paaschpreek van dr. Bronsveld (zie Stemmen voor waarheid en vrede, April 1912). Dr. Bronsveld schrijft daar:

„Laat ons allereerst verklaren, dat wij met de christelijke gemeente van alle tijden gelooven, dat de Heer, dien men op Vrijdagavond heeft neergelegd in het graf, op Zondagmorgen dat graf levend heeft verlaten.

Niet alleen Zijn geeit is teruggekeerd uit het doodenrijk, maar HIJ-zelf; en Hij heeft Zich levend vertoond onder vele gewisse kenSeekenen. De verrezen Heiland is geen geestverschijning, maar Zijn geheele onverminkte persoonlijkheid, met haar herinnering, met haar liefde, met haar trouw.

De opgestane Heer is niet de geliefde leermeester, dien men dood had gewaand, maar die in het hart, voor 't geloof Zijner discipelen is gaan herleven.

Hij is óok niet de op Golgotha gestorvene, maar Wiens geest en woord onder ons nog hp.n kracht doen en invloed uitoefenen.

Wij mogen niet met woorden spelen; als wij het christelijk Paaschfeest vieren, herdenken wij de gebeurtenis, die ons in den Paaschtekst wordt verhaald; waarop Paulus in zijn Brieven gedurig zich beroept; ja, waarop de geheele christelgke Kerk is gebouwd. Is Christus niet opgestaan — dan is onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof."

Tot zoover dr. Bronsveld. Wij mogen niet met woorden spelen. Neen, dat mogen de modernen niet doen. En ze moesten ophouden met dit „geknutsel", zooals dr. Cramer dat noemt.

Richtingen.

Men heeft het wel eens zóo uitgedrukt: het is niet goed, dat één richting een voorwerp van zorg zij bg de Synode (de Besturen), neen, alle richtingen moeten gelijke voorwerpen van zorg zijn. Deze opmerking is niet heel juist.

Onze Hervormde Kerk kent en erkent geen richtingen. Rekent niet met modernen, evangelischen, ethischen, confessioneelen, Kohlbruggianen, gereforrneerden of hoe de partijen of richtingen genoemd worden.

Onze Hervormde Kerk heeft maar éen groote zorg; moet die althans hebben; en al de Besturen moeten die ééne groote zorg elk afzonderlijk en ook samej bij voortduring dragen en wel deze zorg; dat de leer der Hervormde (Gereformeerde) Kerk, vervat in de drie Formulieren van Eenigheid, in beginsel ec hoofdzaak wordt geëerbiedigd en gehang haafd, zoowel door de predikanten, Kerkeraden, de lidmaten enz. Een Kerk met een belijdenis kent geen richtingen.

Richtingen te erkennen is: het ontbindingsproces der Kerk te bevorderen. En dat mag de Synode, die tot het tegendeel geroepen is, niet doen.. Daa gaat zij buiten haar boekje. Dan handelt zij in strijd met een hoofdartikel uit het organieke Reglement onzer Kerk; n 1. art, XI van het Algem. Synodaal Reglement

Heeft onze Kerk een belijdenis?

Daar ligt het Gezangboek. We hebben onze bezwaren. . We gebruiken het in de Kerk niet. Maar sla dien ouden bundel eens op en lees'het voorwoord eens, dat gericht is aan de Nederduitsche Hervormde Gemeenten in ons Vaderland.

Dan valt ons déze passage op: „Wie bieden aan onze Geloofsgenooten dit Evangelisch Gezangboek, te hunnen dienste vervaardigd, met zooveel te grooter gerustheid aan, als zij zullen zien, dat wij geene andere gezangen hebben geplaatst, dan die met de belijdenis der Nederlanduche Hervormde Kerk, uitgedrukt in hare formulieren, overeenkomen."

Nu laten we eens liggen hoe en wat die Evangelische gezangen overigens zijn, Ze zijn ons te algemeen. Ze zijn te weinig, met onderscheiding Ze gaan te weinig uit van de Schriftuurlijke leer, dat de mensch wederom geboren moet worden, zal hij 't Koninkrijk Gods beërven. Niet door de" algémeene gratie, maar door de  particuliere genade wordt Gods volk behouden. Het geloof in Jezus Christus als persoonlijk eigendom verkregen in den weg der waarachtige bekeering is het dierbare goed, dat de mensch kennen moet.

Daarin zijn de Evangelische gezangen veel te algemeen; veel te weinig met onderscheiding.

Maar dat laten we nu overigens voor 't geen 'tis.

Doch wat ons uit het voorwoord opvalt is de nadrukkelijke verklaring, dat niets in de Herv. Kerk — ook het lied dus niet — mag in stijd zijn met de belijdenis der N. H. Kerk, uitgedrukt in han formulieren.

En dan slaan we nog even op de Verklaring, gevoegd achter het Auihentieqm Afschrift der Ev. Gezangen; welke verklaring ook voorin in het Gezangboek (ouden bundel) is te vinden.

Daar lezen we: „Alsmede dat wij met alle nauwkeurigheid hebben toegezien, dat daarin niets mocht voorkomen, eenigszins strijdig met de aangenomens leer der Nederlandsche-Hervormde Kerk, zooals die naar Gods Woord, in den Heidelbergschen Catechismus, de Belijdenis des Geloofs en de Canones van het Synode Nationaal te Dordrecht in de jaren 1618 en 1619 gehouden, vervat is; gelijk wij ook in gemoede verklaren dat in dezelve niets gevonden wordt, , in het allerminste afwijkende van de bovengenoemde Formulieren van eenigheid; hetwelk alles wij getuigen met onderteekening onzer handen", (volgen de handteekeningen.) Nog eens, wij laten na rusten in hoeverre in de jaren 1796 (toen de vraag naar een gezangenbundel voor 't eerst in de vergadering van "de Provinciale Synode van Noord-Holland ter sprake kwam) en 1805 (toen het voorwpord en de verklaring geschreven en geteekend werd), de geestelijke voelhorens van de opstellers ontwikkeld (of ontzenuwd) waren, om de religieuse-, geestelijke-dogmatische dingen precies juist te onderscheiden. Dat laten we nu rusten. Ieder weet trouwens hoe ongelukkige tijd 't toen was om zulk een zaak ter hand te nemen  Maar waar 't om gaat is dit, dat ook het Gezangboek bewijst:dat onze Hervormde Kerk een belijdenis heeft; een aangenomen belijdenis; een aangenomen belijdenis, vervat in de drie Formulieren van eenigheid, zijnde de Nederlandsche geloofsbelijdenis, dö Heidelbergsche Catechismus en de Vijf leerregels van Dordt.

Dat was in 1805. En in 1816 zijn diezelfde formulieren bewaard; nadrukkelijk erkend en bewaard; en sinds niet afgeschaft.

Waartoe dus een Gezangboek nog nuttig kan zijn!

Waarom gaan ze dan niet heen?

Uit de Wesfriesche Kerkbode knipten we het volgende stukje, dat uit het weekblad voor de Vrijz. Hervormden is overgenomen, zijnde van de hand van ds. Niemeyer:

„De vrijzinnigen uit de onderscheidene kerkgenootschappen gevoelen zich geheel van één geest, en zijn in den Protestantenbond met elkander verbonden.

Zij gevoelen zich aan elkander oneindig veel nauwer verwant dan aan orthodoxen uit hun eigen kerkgenootschap.

Met elkander gaan zij gaarne samen waar dat kan, en in orthodoxen moeten zij bijna altijd tegenstanders zien."

Vraag: Waarom gaan die vrijzinnigen dan niet bij elkaar wonen; en waarom verlaten zij de Herv. Kerk niet, waar de orthodoxen, staande op den grondslag van de belijdenis, de modernen nooit kunnen erkennen in hun " vermeende rechten? Dat zou toch de eenvoudigste, eerlijkste, beste oplossing zijn; zoowel voor onze Herv. Kerk als voor de vrijzinnigen zelf 't meest welkom.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 april 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 april 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's