De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

12 minuten leestijd Arcering uitzetten

De Reorganisatie-beweging (10)
De Opzieners der plaatselijke Kerk te Nyland (Fr.) begonnen dus met een Verklaring af te leggen, zooals wij die geheel hebben afgeschreven. Zij schrijven dan verder, dat het niet in hen opkomt om aan het hoogste Kerkbestuur, de Synode, alles te wijten wat onder en krachtens de Organisatie plaats grijpt, of wat in die Organisatie zelve valt af te keuren.
Het is ook niet billijk, om altijd te roepen: de Synode, de Synode heeft de schuld. De Kerk zelve heeft óók schuld. De plaatselijke Kerken, de Opzieners, de Predikanten en de Ouderlingen hebben dat wel te bedenken. De plaatselijke Kerken zijn de belanghebbenden en moesten zich meer voor de dingen interesseeren en meer van zich laten hooren, om te „verklaren", om te „protesteeren"; maar ook om den weg aan te wijzen om uit de impasse uit te komen. En weer er voor te werken, dat de Kerk kome tot de belijdenis van den Naam des Heeren en de ambten weer vrij komen en de Kerkelijke Vergaderingen weer worden hersteld! 
't Is dus niet om de Synode alles te verwijten, dat de Kerkeraad van Nyland zich tot haar wendde.
„Zij wenden zich tot de Synode der Hervormde Kerk, althans in de eerste plaats, omdat zij èn in de schatting van 's lands Overheid èn krachtens de reglementen èn blijkens den feitelijken toestand, deze Kerk vertegenwoordigt".
De Synode is nu eenmaal het aangewezen lichaam en daarom adresseert men aan haar.
„Dat zij niet komen met een Verzoek, maar met eene Verklaring, is niet, omdat zij des vragens moede zijn, geen heil van een dergelijk verzoek, althans, bij den tegenwoordigen stand der openbare meening verwachten, of te kennen willen geven, dat de Synode geen einde zou willen maken aan haar eigen bestaan. Veeleer doen zij dit omdat zij eene zuivere positie ten opzichte der Organisatie wenschen in te nemen; en zelfs geene re-organisatie begeeren, tenzij uit het rechte beginsel, naar den maatstaf van het Woord en met het doel om de Kerk weder vrij te maken.
Zij gelooven aan het Woord der Heilige Schrift: „Sion zal door recht verlost worden" en wenschen zich niet te laten leiden door een beginsel van utiliteit, maar zonder te vragen naar vermoedelijke uitkomsten, eenvoudig te doen wat hun te doen staat, het overige aan God overlatende".
De Kerkeraad van Nyland, met dr. Hoedemaker als voorzitter, wil dus zoo zuiver mogelijk de positie innemen onder de huidige omstandigheden van de Synodale Besturenorganisatie. Om een principieele Verklaring te geven; om zich vrij te maken; en om zoo te trachten, dat er een andere kijk op de dingen zal komen bij de Synode en bij de plaatselijke Kerken.
Hun consciëntie dringt hen. Ze mogen niet zwijgen.
Om ook in deze de positie zuiver te stellen, zeggen zij verder:
„Werden zij (Opzieners dus der Hervormde Kerk te Nyland) genoodzaakt te handelen in strijd met het Woord des Heeren en met hunne roeping, zij zouden wenschen getrouwmakende genade te ontvangen om zich te verzetten. Indien hunne bezwaren niet de organisatie, maar het wezen van de Kerk en van het ambt raakten, zij zouden niet aarzelen zich af te scheiden".
Dat was dus principieel hun houding tegenover de Hervormde Kerk met haar Synodale Besturenorganisatie geteekend. En dan gaat men verder:
„Indien die Organisatie nu nog, gelijk vóór 1852, ruste op den grondslag van het Koninklijk gezag, zij zouden (als Kerkeraad dus) de bede om recht en vrijheid brengen tot den troon des Konings". Die weg langs de Regeering, die politieke weg, was echter afgesneden. In Groen's dagen, vóór 1852, was de smeekbede tot den Vorst. Na 1852 kan de Koning er niets meer aan doen, nu moet de Kerk, ingekerkerd in de Organisatie, haar door den Koning opgelegd in 1816 en haar in 1852 gelaten, zich zelf vrijmaken! Zij, de gebondene!
Daarom zei dr. Hoedemaker ook: „Wat men ook bazele van eene vrijmaking der Kerk in 1852 —". De Hervormde Kerk onder en in haar huidige Organisatie is niet vrij. Zij is een gevangene, ingekerkerd en gebonden door machten, die er geen recht toe hadden en haar vrij hadden moeten maken in 1852. Dan gaat de Kerkeraad van Nyland aldus verder:
„Maar nu iedere andere toevlucht schijnt afgesneden, achten zij zich verplicht uitsluitend uit het beginsel van individueele verantwoordelijkheid te handelen, gelijk zij doen, nu zij hun getuigenis in uwe vergadering nederleggen".
Het is hier niet de plaats, hunne bezwaren tegen de Synodale Organisatie, die hen nopen aldus te spreken, uiteen te zetten. Tegenover de meening van velen, dat het hier eene zaak van betrekkelijk weinig beteekenis, n.l. een blooten vorm geldt, zooal niet een poging om de gewetensvrijheid aan banden te leggen, moeten zij evenwel uitspreken en met een enkel woord zoeken aan te toonen, dat de Organisatie, dit zij verwijderd wenschen te zien, geene onschuldige zaak is, maar wel degelijk diep ingrijpt in het leven der Kerk, haar belet hare roeping te vervullen, haar overlevert aan de partijschap die zulke treurige gevolgen voor haar heeft gehad en zal blijven hebben; alsmede, dat deze Organisatie niet alleen in hare gevolgen, maar ook in haar wezen valt af te keuren".
Dat zijn dus heel ernstige bezwaren tegen de Besturenorganisatie. Geen onschuldige zaak, maar diep ingrijpend in het leven der Kerk. Zij belet de Kerk hare roeping te vervullen. Zij levert de Kerk over aan de partijschap. Die Organisatie is niet alleen wat den vorm betreft, maar in haar wezen te veroordeelen!
„In eene Kerk als de onze hebben alle Opzieners — om slechts iets te noemen — gelijke macht en dezelfde bediening. Haar beginsel eischt dus niet den episcopaten, maar den presbyterialen Kerkvorm. Christus heeft geen hooger ambt dan dat der Opzieners ingesteld. De Besturen, die feitelijk eene Bisschoppelijke macht over die Kerk uit oefenen, ontleenen haar dan ook niet aan Christus, maar aan de Kerk zelve. Maar de bedienende macht, die de Opzieners bezitten, kan en mag niet worden overgedragen. Hetgeen waarvoor men zelf aansprakelijk is, mag niet zoo geheel uit de handen worden-gegeven als bij deze Bestuursinrichting geschiedt".
Daarom geen Bestuursinrichting! De ambten en de Kerkelijke Vergaderingen moeten we hebben!
(Wordt voortgezet).

Onze Inspectiereis door Drenthe.
Daar behoeven we niet lang over te doen. Drenthe heeft drie Classicale ressorten en wel Assen, Meppel en Emmen. Drenthe is modern. Althans in meerderheid. De afvaardiging van Drenthe naar de Synode is dan ook gewoonlijk vrijzinnig. 't Is, door de Classis Meppel, ook wel eens een enkele maal anders geweest b.v. ds. W. Wagter van Koekange is wel eens lid van de Synode geweest; maar Drenthe is toch vrijzinnig. Hoe lang nog? Zouden de Evangelisaties, die rechtzinnig zijn, wellicht nog eens verandering brengen; vooral wanneer die Evangelisaties zelfstandige gemeenten gaan worden? Het zou voor Drenthe een zegen zijn! Want 't modernisme heeft er waarlijk niet veel goeds gesticht!
De Classis Assen is modern: 14 moderne, 8 ethische en 2 confessioneele predikanten. Op de Classicale Vergadering: 28 vrijzinnigen, 16 ethischen en 4 confessioneelen. Het Class. Bestuur bestaat uit 5 vrijzinnigen, 3 ethischen en 1 confessioneel — zooals de opgave luidt die wij ontvingen; maar, zooals we meer gezegd hebben, hier kan best een foutieve rubriceering in 't spel zijn; en dan houden we ons aanbevolen ter rectificatie.
Van drie Evangelisaties kregen we opgave: te Assen, te Gasselte en te Roden. Zijn er Niet meer? Kunnen er niet meer komen? Ons dunkt van wel!
In de CLassis Meppel kunnen ter vergadering (zonder vacaturen) 40 stemmen worden uitgebracht: 16 links en 24 rechts. Van de predikanten zijn er 8 vrijzinnig, 8 ethisch, 2 confessioneel en 2 gereformeerd (Hoogeveen). Het Classicaal Bestuur bestaat uit 7 personen, waarvan 1 vrijz., 5 ethisch, 1 confess, en 0 geref. Zou het niet zóó kunnen worden: 5 ethisch, 1 confess, en 1 geref. ? We behoeven niet te zeggen, dat we in Hoogeveen de meeste leden van den Geref. Bond hebben, ook de meeste abonné's van ,,De Waarheidsvriend". Toch is Hoogeveen niet de eenige gemeente. We hebben hoop, dat, als men ons helpen, wil, in Drenthe nog wel wat voor ons te doen is.
De Classis Emmen is anders gesteld dan Meppel. Want van de 38 st. die op de Class. Vergadering kunnen worden uitgebracht zijn er 24 vrijz., 10 ethisch en 6 confessioneel, 0 geref. Het Class. Bestuur bestaat uit 4 vrijzinnigen, 1 ethische en 2 confess. Dat moest dus eigenlijk wat anders zijn; b.v. 4 vrijz., 2 ethisch en 1 confess., maar dat laten we nu maar passeeren. Misschien is onze onderscheiding hier tusschen ethisch en confessioneel ook wel wat aan den verkeerden kant. Die het beter weet zegge het gerust.
Van de Evangelisaties hebben we hier geen juiste opgave. We weten dat er zijn, te Emmen, Emmer-Compascuum (zelfst. gemeente geworden), in verschillende buurtschappen, ook te Odoorn, Oosterhesselen, Sleen, Westerbork, enz. Een preciesE opgave zou ons wel aangenaam zijn. Gezien de evangelisaties is er mogelijk kans op verandering ten goede — schreef ons iemand. 't Is te hopen! 

Het Socialisme en de Religie.
Is er een kentering in 't midden van het Socialisme gekomen? Heeft men de leer van Marx verlaten; heeft men het historisch materialisme den rug toegekeerd; is men aan de revolutionaire gedachte ontkomen; heeft men z'n anti-religieuse, z'n antichristelijke propaganda vaarwel gezegd; is men niet alleen wat burgerlijker, maar ook wat godsdienstiger geworden?
Er is door mr. Marchant in den kring van de Vrijzinnig-Democraten op gezinspeeld. Het is blijde geconstateerd. Men heeft al een vergezicht geopend op eventueele samenwerking. En dan natuurlijk om saam de „christelijke partijen" tegen te staan en straks onder den voet te loopen. Mr. Marchant en Albarda kunnen dan weer aan 't confereeren gaan.
Nu willen wij hier, in deze Rubriek, alleen even, onze aandacht schenken aan 't feit, dat er in het midden van de Sociaal-Democratische-Arbeidersbeweging, waar men zoo scherp anti-godsdienstig en anti-christelijk was (met de geleerde leuze: „nous ne voulons plus de Dieu" en den proletarischen volksmeetingachtigen kreet: „ni Dieu, ni maitre", wat saam niet anders beteekent, dan: weg met God !) inderdaad nu andere tonen beluisterd worden. Daar is gekomen de Arbeidersbeweging van, de Woodbrookers, met de congressen en conferenties te Barchem en daar is gekomen het Religieus-Socialistisch Verbond, met de Zondagmorgensamenkomsten in de steden — doorgaans druk bezocht — en de wijdingssamenkomsten bij gelegenheid van de christelijke feestdagen.
Wat hebben wij van deze godsdienstige beweging te denken?
Het kapitalisme haat men. En men zegt, dat de godsdienst tot nu toe zich schuldig gemaakt heeft, om op maatschappelijk terrein zich zelf op non-activiteit te zetten. De „christelijken" hebben hun roeping in 't midden van het maatschappelijk leven verloochend, terwijl „de proletarisatie een bloedschuld op de samenleving doet rusten". De „christelijken" hebben religie en samenleving gescheiden. In de Kerk zijn ze godsdienstig, maar in de maatschappij zijn ze goddeloos; dan wandelen ze in wegen van ongerechtigheid; ze laten de maatschappij versterven in de zonde van het kapitalisme, dat den onderliggenden klassen dagelijks een bestaansstrijd bezorgt met bestaansonzekerheid. En men meent dan, dat het zoo moet en dat het niet anders kan en niet anders mag!' Verfoeilijke „christelijken"!
Maar nu zijn de religieus-socialisten gekomen en zeggen, dat er een maatschappij moet komen, waarin de economische omstandigheden niet noodzakelijk tot scheiding van klassen en menschen leidt, waarin de mogelijkheid van meer menschelijke, meer rechtvaardige verhoudingen geschapen kan worden, waarin het woord gemeenschap geen ijdele klank behoeft te zijn. En een breede schare mannen en vrouwen is er — zegt men in het midden van het religieus-socialistisch Verbond — die voor dezen vorm van ideaal willen strijden met al de offervaardigheid, die zulk een strijd verlangt.
Wil uit het socialisme — zegt men — naar voren breken de kracht tot nieuw geestelijk leven, tot verjonging der cultuur, dan zal het afstand hebben te doen van het M a r x i s t i s c h e dogma. Op het klassebelang is geen socialistische samenleving te bouwen.
Naar onze vaste overtuiging — zoo zegt b.v. mr. M.J.A. Moltzer, Vijf Religieus socialistische Voordrachten, blz. 12 — heeft de arteidersbeweging het religieus-socialisme van noode. Het heeft het socialisme steeds te herinneren aan de hoogheid van zijn roeping, dat het is van goddelijken oorsprong en in dienst staat van den Eeuwige.
Als er bij de oude wakkere strijders voor het socialisme, die een grooten staat van dienst achter zich hebben, wrevel ontstaat omdat wij, religieus-socialisten, aantasten wat hun lief is, dan zij hun verzekerd, dat wij niet zijn en niet willen zijn van buiten af critiseerende farizeërs, maar dat ons woord gedragen wordt door liefde voor en vertrouwen in de zaak van het socialisme die de onze is. —
Zoo ongeveer „getuigen" de godsdienstig-socialisten.
En zij zeggen: „wij zullen voortgaan door woord en geschrift van onze beginselen te getuigen. Wij gelooven dat daarin een geestelijke rijkdom schuilt, waaraan de arbeidersbeweging niet ongestraft voorbij kan gaan". „Vooral van Marxistische zijde wordt de poging gedaan het religieus-socialisme als in strijd met de wetenschap af te maken". Maar wij zullen voortgaan met onze beweging en pogen „de ontgeestelijking van hef arbeidsproces zoo niet te doen verdwijnen, althans te compenseeren".
„Ook op het gebied der staatkunde heeft het religieus-socialisme een geluid te .aten hooren. Onze democratie dreigt in een staatsbureaucratie te verstarren".
„Bovenal heeft het religieus-socialisme zich te bezinnen op wat er in de diepte van de arbeidersbeweging leeft. We moeten de arbeidersbeweging, waarvan we een deel ons weten, dienen, opdat deze haar ware roeping vervulle de komst van een verjongde cultuurgemeenschap voor te bereiden". (bl2. 13). Hier is dus wel een andere toon te beluisteren in het midden van de socialistische gelederen: geen onverschilligheid voor de religie mag er zijn, zegt men; de religie kan niet gemist, betoogt men; en wel wordt men van de ras-echte sociaal-democraten met den nek aangezien, maar de religieussocialisten zullen niet zwijgen, zeggen ze.
Wij willen dat niet achteloos voorbijgaan. Het blijkt weer, dat de mensch ten slotte niet zonder godsdienst kan! En de sociaal democratische arbeidersbeweging is glad verkeerd gegaan, zeggen de religieus-socialisten nu. Arm, ellendig is de beweging geworden, beweert men van de zijde van de religieussocialisten. Daar nemen we dankbaar nota van! 
Ook de Kerk moet acht geven op hetgeen zich hier openbaart.
Alleen maar ..... ..... we zullen zien in welke richting zich het religieus-socialistisch Verbond beweegt en hoe het zich ten opzichte van den godsdienst, van den christelijken godsdienst openbaart.
En dan —  —  ja —  —  dan is het weer droevig! (Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's