Christelijke toekomstverwachting (5)
Zijn residentie in de hemel is als een schakel opgenomen in de keten van Zijn volkomen arbeid, dat op de jongste dag voltooid zal zijn.
Handelingen
In het boek Handelingen der apostelen vinden we verscheidene verwijzingen naar de wederkomst van de Heere. Het begint meteen al in hoofdstuk 1, in het Hemelvaartsevangelie. 'Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar de hemel hebt zien heenvaren.' (Vs. 11.) Alzo, dat betekent ook: even zichtbaar, op de wolken des hemels die Zijn majesteit betuigen. Petrus getuigt tot het volk op het tempelplein: 'Welke de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door de mond van al Zijn heilige profeten, van alle eeuw' (3 : 21). Het 'moeten' van Gods raad dient dus niet alleen betrokken te worden op het werk van Christus in Zijn staat der vernedering (de Zoon des mensen moet lijden en sterven), maar ook op Zijn werk in en vanuit de hemelse heerlijkheid. Aan de rechterhand Gods leidt Hij alle dingen naar de voleinding toe. Zijn residentie in de hemel is als een schakel opgenomen in de keten van Zijn volkomen arbeid, dat op de jongste dag voltooid zal zijn. De tijd van de wederoprichting aller dingen is de dag van Zijn komst, wanneer 'de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken die daarin zijn, zullen verbranden', maar ook wanneer gezien zullen worden 'nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont'. (2 Petrus 3 : 10, 13.) Terecht heeft B.B. Warfield opgemerkt dat de komst van Christus ten oordeel het hart en de kerninhoud vormde van Paulus' verkondiging onder de heidenen. Hetzelfde geldt ook voor Petrus. In Handelingen wordt daarvan op verschillende wijze getuigenis afgelegd. Zo in 10 : 42 (in het huis van Cornelius), waar Petrus zegt 'En heeft ons geboden den volke te prediken, en te betuigen, dat Hij is Degene, Die van God verordend is tot een Rechter van levenden en doden'. In 17 : 31 horen we paulus in zijn Areopagus-rede uitspreken: Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welke Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen, door een Man Die Hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de doden opgewekt heeft'. Ook tegenover Felix wees Paulus op 'de opstanding der doden, beide der rechtvaardigen en onrechtvaardigen' (24 : 15). Zo is er in het 'apostolaat' van de eerste gevolmachtigde getuigen van Christus van een direkte konfrontatie met de komende Rechter sprake. In hun prediking schuilt de schrik des Heeren door - op een ernstvolle en bewogen wijze worden de hoorders voor het forum van God getrokken. Hier liggen fundamentele aanwijzingen voor het werk van prediking, zending en evangelisatie, ook in onze tijd.
Thessalonicenzen
In de eerste brief van Paulus aan de gemeente van Thessalonica - het jongste geschrift van het Nieuwe Testament, waarschijnlijk daterend uit het jaar 50, - vinden we enkele passages die binnen de christelijk toekomstverwachting altijd een vooraanstaande plaats hebben ingenomen. Het betreft twee opeenvolgende perioden die nauw met elkaar samenhangen, maar toch van elkaar onderscheiden moeten worden. De gedeelten 4 : 3-18 en 5 : 1-11 spreken namelijk over dezelfde zaak, maar vanuit verschillende invalspoorten. Anders gezegd: de scopus is in beide gedeelten niet dezelfde. In het vierde hoofdstuk wordt de vraag beantwoord: 'hoe zal het zijn met onze geliefde doden, die in de Heere gestorven zijn, bij Zijn komst'? Het vijfde hoofdstuk gaat in op de vraag: wanneer zal dat grote gebeuren plaatsgrijpen? zoals steeds bij het lezen van de brieven van de apostelen, moeten we voor ogen houden dat het hier pastorale geschriften betreft. Dus niet hoofdstukken uit een dogmatisch handboek, waarin op systematische wijze een locus, een onderwerp uit de christelijke leer wordt behandeld. Het behoeft ons dan ook niet te verbazen dat Paulus in 1 Thess. 4 helemaal niet over de opstanding van de onrechtvaardigen en over het gericht spreekt. Nog minder mogen we aan dat stilzwijgen de konklusie verbinden dat het in dit tekstgedeelte gaat over gebeurtenissen die aan de jongste dag en het laatste oordeel vooraf gaan en waarop dan nog een periode van ruim duizend jaren zou volgen. Paulus schrijft een pastoraal woord van troost aan bedroefde christenen die nog niet het rechte zicht hadden op de christelijke stervenstroost en de hoop op de opstanding der doden. Hij onderstreept met kracht: ook de 'ontslapenen' zullen er bij zijn als de Heere komt, ze zullen niet achterblijven, ze zullen niet naast de vreugde van die grote dag grijpen. Integendeel: hen die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen tezamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heere tegemoet, in de lucht - en alzo zullen wij altijd met de Heere wezen' (4 : 16, 17). Waarop slaat die tijdsbepaling eerst? Hier wordt niet bedoeld - zoals zovele chiliasten menen - : de gelovigen staan eerst op en pas duizend jaar later volgt de opstanding van de ongelovigen. De ongelovigen komen hier helemaal niet in het gezichtsveld. Maar Paulus zegt zo krachtig mogelijk: de overleden broeders en zusters komen niet achterop, krijgen integendeel voorrang, wanneer wij als Kerk van alle tijden de Heere tegemoet gaan in de lucht. Zoals een volk uitloopt om de koning te begroeten en in te halen. In het gegeven kader van pastorale troost en nader onderwijs aangaande de christelijke hoop, wordt uiteraard niet met zovele woorden gerefereerd aan het lot van de goddelozen.
Dat gebeurt echter wél in de volgende pericoop wanneer op de vraag naar 'de tijden en gelegenheden' wordt ingegaan. 'Want wanneer zij zullen zeggen: het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw, en zij zullen het geenszins ontvlieden' (5 : 3). De heiligen in Christus Jezus zullen echter voorbereid zijn op die dag. Hun leven staat in het teken van deze voorbereiding. Daarin komt het onderscheid met de ongelovigen nu reeds op een beslissende wijze openbaar. Tegenover de pre-millenniaristen moet op zuiver uitlegkundige gronden - worden volgehouden: zowel in hoofdstuk 4 als in hoofdstuk 5 gaat het over dat éne, beslissende gebeuren van de komst des Heeren in de voleinding van de tijd.
2 Thessalonicenzen
Ook de tweede brief aan de Thessalonicenzen moet gelezen worden vanuit het besef dat de apostel schreef met een bepaalde intentie. Het was hem er niet om te doen informatie te verstrekken en allerlei wetenswaardigheden mede te delen aangaande de toekomst. Op een dergelijke afstandelijke en vrijblijvende manier gaan de bijbelschrijvers, gaat de Heilige Geest niet met ons om. Hier wordt troost aangereikt aan de strijdende kerk, aan de verdrukte gemeente. De gemeente van Christus ontvangt doorlichting van haar situatie. Het Woord spreidt licht over haar doornig pad. De kerk moet dóór hebben wat er wezenlijk aan de hand is. Dan staart zij zich niet blind op de machten die haar bedreigen, maar kijkt daar doorheen en krijgt perspectief op de weg die de Heere met haar houdt. Zo lezen we in 1 : 6, 7: 'Alzo het recht is bij God verdrukking te vergelden degenen die u verdrukken - en u die verdrukt wórdt, verkwikking met ons, in de openbaring van de Heere Jezus van de hemel met de engelen Zijner kracht...'. Het spreken over het oordeel van de goddelozen staat hier in direkt verband met de troost voor de gemeente die met de rug tegen de muur staat. Het komt óp vanuit de belijdenis van de gerechtigheid Gods, die reddende, heilbrengende, maar ook wrekende en vergeldende gerechtigheid is. In het geding met de premillenniaristen is het van belang in te zien dat het tweeërlei vonnis, de tweeërlei uitkomst van het gericht over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, gelijktijdig plaatsvindt. Wanneer we bijvoorbeeld vers 9 en 10 lezen, dan blijkt het onmogelijk de straf over hen die het evangelie van onze Heere Jezus Christus ongehoorzaam zijn geweest en de verheerlijking van de heiligen van elkaar te scheiden door een eeuwenspannende periode. Er zijn geen twee opstandingen, eerst van de rechtvaardigen en ruim duizend jaar later pas van de onrechtvaardigen. De opstanding van alle doden en het jongste gericht vinden plaats bij de komst van de Heere Jezus op de wolken des hemels.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1982
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's