De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VOORSTELLEN TOT WIJZIGING VAN DE KERKORDE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VOORSTELLEN TOT WIJZIGING VAN DE KERKORDE

6 minuten leestijd

Onder de nummers CKO/1436, CKO/ 2785, CKO/2786 en CKO/2787 bereikte in de afgelopen weken de kerkeraden en de classicale vergaderingen een viertal voorstellen tot wijziging van de kerkorde. Omdat vele kerkeraden graag van de kant van het hoofdbestuur een advies ontvangen met betrekking tot de vraag of zij ter classicale vergadering al of niet voor deze wijzigingsvoorstellen dienen te stemmen, volgt hieronder een korte beschouwing over de ingediende voorstellen. Vooraf moge eerst nog het volgende worden opgemerkt.

Sinds de invoering van de nieuwe kerkorde in 1951 zijn de kerkeraden en de classicale vergaderingen herhaaldelijk bezig gehouden met meer of minder belangrijke voorstellen tot wijziging van de kerkorde op diverse punten. Soms was het aantal van deze wijzigingen zo groot, dat er merkbaar een zekere moeheid ontstond bij vele kerkeraden om zich met deze materie intensief in te laten. Ook de classicale vergaderingen waren dikwijls zo bezet met het considereren van de wijzigingsvoorstellen, dat vele andere, minstens zo belangrijke agendapunten telkens weer in de verdrukking kwamen.

De vraag dient gesteld te worden of dit nu maar zo eindeloos moet doorgaan. Ongetwijfeld is de kerkorde geen statische aangelegenheid zonder meer, maar een te veel aan dynamiek in deze schaadt een rustige opbouw van het kerkelijke en gemeentelijke leven en werken. Een van de oorzaken hiervan is zeker, dat men in de kerkorde veel te veel wil vastleggen. Wanneer men de omvang van de Dordtse kerkenorde vergelijkt met die van de huidige kerkorde, inclusief de ordinanties, dan ziet men dat deze laatste hoe langer hoe meer het karakter krijgt van een reglementenlbundel. Wil men eigenlijk niet veel te veel vastleggen, waardoor van een zelfstandig besluiten en handelen van de mindere vergaderingen van de kerk nauwelijks meer iets terecht komt? Bescheidenheid in deze zij de hoogste vergadering van onze kerk, de generale synode, ten zeerste aanbevolen.

Na deze opmerking vooraf nu de bovengenoemde wijzigingsvoorstellen.

  1. Voorstellen tot wijziging van de ordinanties 16 en 18 (de kerkelijke financiën en het toezicht). De toelichting op deze voorstellen beschrijft uitvoerig en duidelijk de motieven om tot wijziging van de betreffende ordinanties over te gaan. Het belangrijkste lijkt ons wel het argument, dat na aanvaarding van deze wijzigingen het breed moderamen van de generale synode een veel grotere inspraak heeft in de besteding van de generale financiën der kerk. Is het tot nu toe zo, dat de begroting van de generale financiële raad voor een volgend jaar door die raad wordt vastgesteld na overleg met het synodale breed moderamen, de bedoeling is, dat het in de toekomst zal worden: in overleg met het breed moderamen. Dit komt ons voor een verbetering te zijn, zeker, waar het betreft een Zo omvangrijk en duur orgaan als de generale financiële raad. De vraag is nu maar of genoemd breed moderamen van het in de toekomst haar toekomende recht een zodanig gebruik gaat maken, dat de zware lasten, die nu via de quota op de kerkvoogdijen, diaconieën en andere organen van de kerk drukken, een behoorlijke vermindering zullen ondergaan. We hopen van wel, maar vrezen van niet. Ons advies ter zake van deze voorstellen luidt overigens: pro.
  2. Voorstel tot wijziging van ordinantie 13-22 (werving van krijgsmachtpredikanten). De toelichting op dit voorstel laat zien, dat men een ingrijpende wijziging beoogt in de manier van werving van krijgsmachtpredikanten voor de periode van één jaar en zes weken, de z.g. kortverbanders dus. Tot nu toe is de praktijk in deze, dat de kerkeraad moet bewilligen wanneer op zijn predikant een beroep wordt gedaan om het krijgsmachtpastoraat te gaan uitoefenen. Het belast-Worden met dit pastoraat van een predikant dient te geschieden in overleg met de kerkeraad van zijn gemeente. Zegt deze „neen", dan kan er niets van komen. Zegt ze „ja", dan gaat haar dominee in dienst. Men wil nu dit „in overleg" veranderen in „na overleg". M.a.w.: ook al is een kerkeraad er om bepaalde redenen op tegen, dan kan toch haar predikant door het breed moderamen van de synode belast worden met het krijgsmachtspastoraat, mits deze predikant tenminste zelf daartoe bereid is. We kunnen nl. niet aannemen, dat dit „belasten met" in de nieuwe versie van het onderhavige artikel een andere betekenis zou krijgen dan tot nu toe. Immers, dat op heden houdt dit „belasten met" in, dat de betreffende predikant zelf tot zijn tijdelijke nieuwe taak bereid is. „Belasten met" mag niet de betekenis gaan krijgen van „opleggen van". We gaan dus uit van de erfelijke belasting van het woord „belasten met" hier, die dus de bereidheid van de predikant insluit.

Hoe nu te oordelen over deze wijziging van het „in overleg met" in „na overleg" met de kerkenraad? We hebben alle begrip voor de dringende noodzaak van het krijgsmachtpastoraat. Geen zinnig mens zal deze noodzaak ontkennen. Dat er in de kerk zijn, zowel onder de predikanten als onder de overige leden van de kerkeraad, die zich van hun roeping en verantwoordelijkheid in deze al te gemakkelijk afmaken, willen wij gaarne aannemen. Dat men daarom tot een zo ingrijpende wijziging van de betreffende kerkordelijke bepaling komt, laat zich op het eerste lezen en horen verstaan. Toch menen we, dat de nu voorgestelde wijziging te zeer ingrijpt in het recht van de kerkeraden. Men kan toch onder een presbyteriale kerkorde niet zo maar, tegen de uitdrukkelijke wil van een kerkeraad in, haar predikant belasten met een taak, waarvoor hij niet beroepen is en die in deze directe zin in zijn beroepsbrief niet voorkomt? Nu blijkt uit de toelichting, dat de bewilliging van de kerkeraad nogal eens afstuit op de onmogelijkheid een vervanger aan te stellen. Men wil dan ook in de toekomst deze vervanging laten geschieden, zoals dit nu bij een vacature het geval is. Welnu, de oplossing in deze zaak lijkt ons vrij eenvoudig. Men neme in ordinantie 13 een uitdrukkelijke bepaling op, dat vervanging van een krijgsmachtpredikant geschiedt als bij een vacature, door het breed ministerie van de ring dus. Veel van de bezwaren van een kerkeraad ter zake van de waarneming van het dienstwerk tijdens de afwezigheid van haar eigen predikant kunnen hiermee uit de weg geruimd worden. En men vermijde de vervanging van het „in overleg" door het „na overleg". Mogelijk ligt hier voor de toekomst het begin van een oplossing voor de bestaande moeilijkheden in deze. Ons advies luidt: men stelle voor ter classicale vergadering het nieuwe lid 6 van ordinantie 13-22 te aanvaarden met wijziging van het woordje „na" in de twedde regel in het woordje „in” .

(Wordt vervolgd).

Putten   C.J.P. Lam

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1968

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VOORSTELLEN TOT WIJZIGING VAN DE KERKORDE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1968

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's