De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Publieke verdediging van het christelijk geloof

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Publieke verdediging van het christelijk geloof

'De Dageraad' en 'De Middaghoogte'

9 minuten leestijd

Dezer dagen las ik een verhaal van de schrijver Jan de Hartog over zijn vader, wijlen prof. dr. Arnold Hendrik de Hartog, in 1926 benoemd tot buitengewoon hoogleraar aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. De Hartog was in zijn tijd een vermaard kanselredenaar, met als laatste standplaats Amsterdam. Maar in de uitoefening van zijn ambt was hij ook apologeet, verdediger van het christelijke geloof tegenover het moderne denken van zijn dagen.

Zoon Jan — de bekende schrijver, o.a. van 'Hollands Glorie' — spreekt, hoewel hij van het geloof van zijn vader is afgevallen, met respect over zijn vader. Er is geen spoor van rancune ten opzichte van het eigen verleden. Integendeel, hij heeft 'een heerlijke jeugd' gehad. Hij zegt: 'mijn vader was beroemd als spreker, als redenaar liever. Maar hij was eigenlijk een dichter.

Het voornaamste was, dat hij geloofde wat hij zei, en dat verleende hem zijn uitstraling, zijn overtuigingskracht. Hij was eerder een zanger, een psalmist dan de theoloog waarvoor hij doorging'. 'Maar — zegt hij — de theologie van mijn vader liet me koud...'.

Hoe dan ook, zijn verhaal is aanmerkelijk milder dan dat van wijlen Annie M. G. Schmidt over haar vader, die ook predikant was. De gegevens ontleen ik aan een boek van Michel van der Plas 'Vader en moeder', waarin kinderen over hun 'beroemde ouders' vertellen.

De Hartog polemiseerde in zijn dagen onderandere met de zogeheten vrijdenkers, die een vereniging en een orgaan hadden, genaamd De Dageraad. De 'vrijdenkerij' was de naam voor een beweging in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, die betoogde onttrokken te zijn 'aan het gezag van de kerk en van Gods Openbaring'. Een belangrijke rol daarin speelde ook Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919), ooit als Luthers predikant in Harlingen begonnen, maar later vrijdenker en anarchist. In 1897 richtte hij het blad De Vrije Socialist op. In 1903 speelde hij een rol bij de vermaarde spoorwegstaking. De Hartog voerde met de vrijdenkers 'dramatische debatten', zegt Jan de Hartog, bijvoorbeeld in Salvatore aan de Amstel.

Hij spreekt over 'woordgevechten met Domela Nieuwenhuis en Constandse', over het thema 'Is godsdienst opium voor het volk? ' (Karl Marx sprak overigens over opium van het volk, v. d. G.). De Hartog jr. spreekt van 'debatten waar de spetters afvlogen, want mijn vader was een heel eerlijk bewogen man'. 'Voor die debatten liep het storm, de mensen stonden tot op de Blauwbrug te wachten tot de deuren opengingen; dat kunnen we ons nu niet meer voorstellen, de toeloop die zoiets teweeg bracht.'

Hartstocht

Prof. De Hartog had zoveel hartstocht voor het Evangelie, dat hij tegenover De Dageraad het genootschap De Middaghoogte oprichtte, ook met een eigen tijdschrift. En al met al ging het allesbehalve zoetsappig toe. De vrijdenkers namen geen blad voor de mond, bepaald ook niet in hun spreken over God. Ze trokken met karren door de stad met smalende opschriften over God. De Hartog nam óók geen blad voor de mond. Helder liet hij de klaroenstoot van het Evangelie horen.

Zulke debatten, met zo'n toeloop van mensen, zijn niet meer voor te stellen, zegt De Hartog jr. nu. Daarin moeten we hem bijvallen.

In de eerste plaats kunnen we ons de kerkelijke context in Amsterdam van die dagen en daarin van onze samenleving al niet meer voorstellen. Het was nog de tijd van de volle kerken, al waren èr ook toen al volle kerken en 'stampvolle' kerken. De Hartog jr. merkt in dit verband op, dat in een stad als Amsterdam 'dominees voor elkaar geen leuke mensen waren'. 'In die tijd konden de meeste dominees die De Hartog met zijn volle kerken niet luchten of zien'.

Ik herinner mij echter hoe wijlen dr. F. de Graaff altijd met groot respect over prof. De Hartog sprak.. En hij was niet de enige. Er was kennelijk in die tijd, de richtingen ten spijt, nog breed besef van het unieke van het christelijk geloof vanwege Christus, die dè Weg, dè Waarheid en hèt Leven is. Ik laat de vrijzinnige richting hier buiten beschouwing. Maar ook de ethische richting kwam op voor het unieke karakter van het christelijk geloof, dat vroeg om christelijk getuigenis naar buiten.

De Hartog zelf, aldus prof. dr. H. Jonker in de Christelijke Encyclopedie (Kok, Kampen), stond tussen de gereformeerde theologie ('die hij meende te moeten corrigeren en uitbreiden') en de etische theologie in, waarbij hij sterk de nadruk legde op 'de wedergeboorte als innerlijk levensprincipe'. Zijn passie voor het Evangelie was duidelijk.

Anderzijds moeten we ons ook realiseren, dat het felle socialisme van Domela Nieuwenhuis en de militante vrijdenkerij van 'De Dageraad' ook tot het verleden behoren. Bij de begrafenis van Domela Nieuwenhuis stonden in Amsterdam tienduizenden mensen langs de straten. De zoon van Domela Nieuwenhuis zegt — in hetzelfde boek van Michel van der Plas —, dat mensen tegen hem zeiden, dat ze hem 'één van de gelovigste mensen vonden die ze kenden.' Bij hem was kennelijk ook sprake van hartstochtelijke gedrevenheid, zij het van atheïstische aard.

Het radicale socialisme van Domela Nieuwenhuis is zich in onze samenleving ook al lang ter ziele. Na de emancipatie van 'de arbeiders' zijn de scherpe kanten eraf. Intussen is onze samenleving ook dermate ontkerstend en het christendom dermate verslapt, dat niet-christenen het christendom nauwelijks nog als bedreiging ervaren en zij het derhalve ook vaak niet meer de moeite waard vinden het regelrecht te bestrijden of er mee in discussie te gaan.

Allerlei bladen van niet-christelijke signatuur hebben vaak alles wat nog christelijk heet de laatste tientallen jaren verachtelijk genegeerd of er alleen aandacht aan besteed wanneer er iets pikants te melden viel. De laatste tijd kan men weliswaar in enkele van dergelijke bladen (o. a. de NRC) vernemen, dat 'geloven weer mag', maar dan is het wel de vraag of het om het christelijk geloof gaat of om een soort algemene religiositeit.

Nog dezelfde hartstocht?

Bij het lezen van de publieke confrontaties tussen De Dageraad en De Middaghoogte van De Hartog, vraagt men zich af of zulke confrontaties in onze tijd nog kunnen. De vrijdenkers van die tijd wisten nog wat ze bestreden, omdat er in onze samenleving (hoe dan ook) een nog door het christendom gestempelde levenssfeer was. Dat is voorbij. De tijd van de zonen van de verloren zoon is aangebroken. Vroeger werd ook nog over de calvinistische volksaard in ons land gesproken, die ook van toepassing was op velen, die niet tot een kerk behoorden. Maar die tijd gaat in de grote cultuuromslag, die we beleven, óók voorbij, als we tenminste een publicatie uit vrijzinnige hoek van de laatste tijd mogen geloven (De Kerk voorbij? Kok, Kampen).

De kernvraag is evenwel of in een gesmaldeelde kerk het vuur is blijven branden. Is in de brede kring van de kerken de hartstocht om publiekelijk het gesprek of de confrontatie met de moderne vrijdenkerij van vandaag aan te gaan veelal ook niet verdwenen? Zeker, ook in de vooroorlogse jaren zal niet elke predikant in Amsterdam die confrontatie zijn aangegaan zoals De Hartog dat deed. En ook vandaag zal de communicatieve vaardigheid om de discussie aan te gaan niet ieder zijn gegeven.

De vraag is echter of nog de intentie aanwezig is om zulks, waar mogelijk, te doen. Enerzijds zien we in de kring van de Gereformeerde Gezindte een toenemend isolement. Maar wat anderzijds verontrusten kan is, dat er ook een soort kerkelijke vrijdenkerij is ontstaan, waardoor de hartstocht om voor de Ene Naam uit te komen is verflauwd of verdwenen. Wat te denken van het feit — om een voorbeeld te noemen — dat de faculteit der Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap in Groningen dezer dagen een notitie bespreekt, getiteld 'naar een multi-religieuze faculteit', waarin men zelfs spreekt van 'ontchristelijken'. Zo'n notitie staat niet op zichzelf. Als echter theologie zó ver wil gaan, dat men aan andere godsdiensten een legale plaats wil toekennen — voor sommigen gaat dat overigens te ver, meldde dagblad Trouw — mag dan nog verwacht worden, dat de kerk de getuigende confrontatie aangaat met moderne vrijdenkerij? Maar bovendien: zal de niet-christen behoefte hebben om met zulk een christendom nog in principiële discussie te treden? .

Anders geloven?

Een te denken gevend symptoom is hier vandaag op zich al de vervlakking in taalgebruik binnen de kerken. Ik noem het feit, dat aanhangers van andere godsdiensten in toenemende mate worden aangeduid als 'andersgelovigen' of 'andersgelovenden'. Binnen hun godsdienst geldt weliswaar ook, dat ze als 'gelovigen' worden aangeduid. Maar wanneer binnen de kerken over andersgelovigen wordt gesproken, ligt daar niet zelden achter, dat de andere godsdiensten principieel binnen de plurale kring van geloofsgemeenschappen worden getrokken, die allen gelijkwaardig zijn. Daarbij komt, dat het nieuwe tijdsdenken (New Age) ook in kerkelijke kring her en der positief gewaardeerd wordt. Alles wat zich als spiritueel aandient wordt opgewaardeerd.

Geruisloos is in delen van de kerk(en), waar vroeger nog het unieke van Christus, als Verzoener, Verlosser en Middelaar in de lijn van de belijdenis van de Kerk der eeuwen centraal stond, de hartstocht gaan ontbreken van mensen als De Hartog, die in feite de hartstocht van Paulus was: 'wee mij als ik het Evangelie niet verkondig.'

Zal de kerk niet altijd, dus ook ook vandaag, de moed moeten hebben om alle geloof, dat zich buiten Christus aandient, ongeloof te noemen en niet een andere manier van geloven, zoals meer en meer in gebruik raakt? Als zodanig mogen we best binnen de kerken ons de spiegel laten voorhouden door een voorgeslacht, binnen welke kerk of modaliteit dan ook, dat de passie kende van de verkondiging van de ene Naam. Daarbij vergeleken is veel christendom vandaag een slappe aangelegenheid, of het nu orthodox of vrijzinnig heet, om de twee uitersten te noemen.

Wordt het niet tijd, dat apologie — verdediging van het christelijk geloof — een herwaardering en opwaardering krijgt? Prof. dr. W. H. Velema heeft er in zijn afscheidscollege in Apeldoorn de vinger bij gelegd. Dan niet een apologie, die zich in de kerkelijke afgeslotenheid voltrekt. Maar — om zo te zeggen — op de publieke plaatsen in de samenleving.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1996

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Publieke verdediging van het christelijk geloof

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1996

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's