KERKELIJKE RONDSCHOUW
BIJ DE JAARWISSELING.
In welk teeken zal voor ons de jaarwisseling staan ? De Oudejaarsavond stemt altijd ernstig, de Nieuwjaarsmorgen geeft als verademing. Maar in welk teeken zal voor ons de ernst en de verademing staan ?
Er ligt wel een bijzonder somber jaar achter ons. Op elk gebied was er te klagen. Voor de Kerk was er zooveel, dat onze blijdschap roofde, in de school is er zooveel, dat ons de moed kan benemen, in de maatschappij is de armoede, de werkloosheid, de verlammende concurrentie nationaal en internationaal; en in den Staat is de klassenstrijd en de vijandschap tegen orde en tucht, het verachten van de hoogste beginselen, die alleen een volk verhoogen kunnen.
O, zeker ! we mogen niet blind zijn voor de vele zegeningen die we nog van den Heere mogen ontvangen en genieten in de Kerk. Laten we maar eens naar andere landen zien. Wat is de Heere ons dan genadig en wat zijn er bij Hem vriendelijke oogen, milde banden ! Wat genieten we op het gebied van 't onderwijs ontzaglijk veel goede, heerlijke dingen — als we maar een oog hebben om te zien en een hart om op te merken.
Wat zijn de voorrechten in 't midden van het maatschappelijk boven en in ons politiek leven vele, door 'sHeeren onuitsprekelijke goedheid.
En toch — wat is alles benauwend donker, angstig hopeloos. Daar staat 1935 voor de deur. Een nieuw jaar. Maar we zijn haast bang om te beginnen. Handel en nijverheid kwijnen, bet landen tuinbouwbedrijf is krachteloos — och, dat de volkeren tot bezinning mochten komen. Dat ons volk mocht worden afgekeerd van alle schadelijke wegen, om weer en meer bij den Heere toevlucht, wijsheid en sterkte te zoeken.
De volkeren vermoorden elkaar, ook al vloeit er dan, zoogenaamd, geen bloed. Haat, afgunst verderft alles. Volkerenhaat, rassenhaat, klassenhaat — 't gaat als een vloek en een oordeel over de wereld. Op elk terrein, in elken kring, ook kerkelijk, maatschappelijk, politiek — 't is overal haat en nijd en afgunst, 't Is een zoeken van allerlei wat uit elkaar kan drijven, waarbij de een nog grooter en beter en voornamer is dan de ander. „Afgescheidenen" en „Christelijk-Afgescheidenen" en „Hervormden" en „Geref. Gemeenten" hebben in 1934 weer eens goed laten voelen, dat er altijd nog weer baas boven baas is.
En onderling is er ook een uitblinken in beginseltrouw en dierbaarheid, dat het wel verbazen moet, dat alles nog niet op 't allerbest in orde is.
Als men de lange lijsten van predikers en propagandisten ziet, waarbij de een nog beter is dan de ander, moet men zich verwonderen, dat we nog niet in 't beloofde land zijn aangekomen.
En zoo is het onder de volkeren onderling in 't groot, zooals het hij ons in 't klein is, levend uit denzelfden geest, 't Is alles zuiver goud, oprecht gemeend, enz. enz.
Maar ach, arme ! De profetie van 1934 is, dat het in 1935 niet beter zal gaan ; eer slechter — tenzij de Heere ons genadig is en uitstort een geest van bekeering, van kennis^ en wijsheid en kracht. De verdwaasdheid moet weggenomen worden, de blindheid genezen, de hoogmoed geslecht. En waar het alles getuigt van onze afdwalingen, is het de Heere, die ons noodigt onze wegen te doorzoeken en weder te keeren tot Hem, waarbij Hij Zijn belofte ons aanbiedt, Zelf tot ons te willen wederkeeren, zeggende : hier is uw God !
GOD ALLééN IS GROOT.
Neen, wij zeggen niet, wanneer er een auto ongeluk heeft plaats gehad : men moest ook niet in een auto gaan zitten. Net zoo min, als we de fiets veroordeelen, omdat onze dochter, die naar school ging, kwam te vallen met haar rijwiel. Zóó zeggen we óók niet, na het vreeselijke ongeluk dat met „De Uiver" gebeurde, — waarschijnlijk boven de Syrische woestijn door de bliksem getroffen, — waarbij de geheele bemanning, een zevental mannen, noodlottig omkwam, doodgevallen, misschien wel in vlammen omgekomen.
Neen, als er een schip vergaan is, zeggen we in Rotterdam, of in Scheveningen, of op Marken niet: we moeten maar niet meer gaan visschen op de zee of gaan varen op Indië, op Amerika of naar Gibraltar. Dat mogen we niet zeggen.
Ook deze dingen behooren tot het leven, waarbij we elk oogenblik in gevaar zijn, maar dat nochtans dóór moet gaan, kloek en moedig, om als mensch te heerschen over de natuur, te werken in 't zweet van ons aangezicht. Koene schippers, stoere zeelui hebben we noodig. Ontdekkingsreizigers kunnen we niet missen. Handel en nijverheid vragen naar de beste wegen, nationaal en internationaal. Maar wat we wèl weer heel diep gevoeld hebben bij de vreeselijke berichten van de ramp van „De Uiver" : laat de mensch in z'n kracht en macht, in z'n wijsheid en sterkte, niet in dwaze opgeblazenheid denken, zeggen en doen alsof de mensch de schier almachtige Is, die alles kan en niets te vreezen heeft. Telkens moeten we onze diepe, diepe afhankelijkheid leeren gevoelen en belijden; telkens moeten wij, minder dan een stofje aan de weegschaal, dan een druppel aan den emmer, ons weten. Waarbij de belijdenis gehoord wordt — persoonlijk en ook als Christenvolk van Nederland — „God alléén is groot — Hij moet ons bewaren en veilig geleiden, waar we ook henen gaan."
Komt, laat ons dan samen knielen voor den Heere, die ons geschapen heeft. Laat ons nederbukken aan Zijn voeten — opdat we op Hem mogen hopen. Al 't werk met den Heere ! De Heere zegene ons en Hij behoede ons; de Heere doe Zijn aangezicht over ons lichten en zij ons genadig. De Heere verheffe Zijn aangezicht over ons en geve ons vrede.
Zoo zij 1935 voor ons, voor ons volk, een gezegend jaar !
Want wie ver van God de weelde zoeken, zullen vergaan.
Moge het dan wezen, in Jezus Christus, voor ons en voor de onzen : Immanuël, God met ons.
OM HET PREDIKAMBT.
Volgens onzen Heidelberger Catechismus is de Kerk, naar uitwijzen van Gods Woord, geroepen om „de Kerkedienst of het predikambt en de Scholen te onderhouden" (Zondag 38).
De Gemeente moet dus zorgdragen, dat het predikambt verzorgd wordt. Zonder predikambt verarmt de Gemeente. Dan ontbreekt, wat de Heere Zelf als middel beschikte tot opbouwing van het lichaam van Christus, tot volmaking der heiligen. Daarom mag de Gemeente zich wel ten hoogste interesseeren voor het predikambt. Om de dienaren des Woords behoorlijk te onderhouden. Niet op Staatskosten hem te laten leven. Niet zijn weduwe en weezen onverzorgd te laten. Niet de oude dienaren des Woords gebrek te laten lijden. Maar warm zich interesseeren voor het ambt, dat de Heere instelde, en dat met de Kerkedienst ten nauwste samenhangt. Om ook, naar Gods ordinantie, voor de ambtsdragers te zorgen. Die het altaar bedient, zal ook van het altaar moeten leven. En als ook in deze naar de heilige wet des Heeren zal worden gevraagd en geleefd, dan zal het volk des Heeren verblijd worden met zegeningen. De Heere heeft het beloofd.
Het predikambt mag dus wel staan als een zaak van het grootst belang voor 't oog van de Gemeente.
En de Gemeente mag zich ook wel eens meer gaan afvragen : hoe komen we aan bedienaren des Woords ?
Baart deze allergewichtigste zaak wel eens zorg in het midden van de Kerk?
't Een hangt toch zoo nauw saam met 't ander. Zijn de predikers noodig; moet de Gemeente voor de predikers zorg dragen; zullen de predikers in den middellijken weg de Gemeente verzorgen en opbouwen — ziet, dan is de vraag toch belangrijk: : Maar hoe komen we nu aan die predikers ?
En laten we nu maar eerlijk zijn; tot voor kort heeft de Gemeente geredeneerd : dat komt vanzelf wel terecht!
Niemand heeft zich er om bekommerd !
Maar wat is het ook slecht uitgekomen !
En ziet, daarom moeten we weer eens gaan luisteren naar de onderwijzing van onze Vaderen, die veel te gereformeerd waren om de leer aan te hangen, ^, i^at komt vanzelf wel terecht!"
Daar moesten ze niets van hebben. Dat noemden ze taal van „goddelooze en zorgelooze menschen." Dat noemden ze : „God verzoeken." Dat noemden ze zondige dwaasheid en vadsige gemakzucht. Dat riekt naar luiheid en gierigheid, naar geesteloosheid en onverschilligheid.
Daarom moeten we Zondag 38 weer eens ter hand gaan nemen, dan kunnen we daar lezen, hoe practisch onze Vaderen waren. Want staat daar, dat de Gemeente zorgen moet voor het predikambt, aanstonds volgt dan, dat de Gemeente goede Scholen moet onderhouden, waar die dienaren des Woords hun opleiding kunnen ontvangen.
Alle uitleggers en verklaarders van onzen Catechismus zijn het daarover eens, dat met „scholen" in Zondag 38 allereerst bedoeld is „Hoogescholen" ; scholen, waar predikers opgeleid worden, om alzoo goed toegerust de Kerk te kunnen dienen, 't Een hoort ook bij het ander.
Geen rivier zonder bron. Geen boom zonder wortel. En zoo ook geen predikers zonder een school, waar die predikers onderwezen, opgeleid, gevormd worden. Dat heeft Calvijn dan ook aanstonds begrepen en de handen uit de mouwen gestoken.
Natuurlijk zijn we allen het hierover hartelijk eens, dat de geestelijke onderwijzing des Heeren een van de voornaamste dingen is. De voornaamste zaak zelfs. Ontbreekt die, dan is het een lamp zonder olie. Wat zijn geestelooze predikers ? Ze missen het voornaamste. Maar we voelen dan allen óók — en we willen dat ook in de practijk niet vergeten — dat de opleiding aan de Hoogeschool niet kan gemist worden. Het is heel ongereformeerd, daar lichtvaardig over te denken. De Dooperschen spraken van het „inwendig licht", waarbij ze al het andere wel konden missen. Ze hadden geen geschreven Woord van God noodig. Ze wisten het zonder dat óók wel! En zoo hadden ze ook geen opleiding noodig voor hen, die in de Gemeente zouden arbeiden als dienaren des Woords. Dat was een overtollige zaak. Zelfs streng te veroordeelen. De Geest moest het doen! Maar zoo redeneeren de gereformeerden niet. Die hebben helderder gezicht op den van God verordineerden weg. En daarom hebben ze die Doopersche dwalingen, — met een schijn van geestelijkheid overtrokken, maar in werkelijkheid zoo hoogmoedig en vleeschelijk — ook altijd verworpen ; en ze hebben van den beginne afaan goede zorg gedragen voor Scholen, waar de dienaren des Woords zouden worden onderwezen en gevormd, met het oog op hun gewichtige, grootsche, goddelijke en heilige roeping, Gods Woord te bedienen in het midden der Gemeente en bezig te zijn in den dienst der gebeden en Sacramenten.
Nu moet dat onder ons óók weer naar voren komen, en de Gemeente zelf moet gaan zorgen voor een goede opleiding onzer predikanten. Er moet liefde en zorg komen voor deze zaak.
Men moet zich deze zaak gaan aantrekken. Men moet zich er voor gaan interesseeren.
't Moet een zaak van bespreking worden en van gebed. Wat voor 't oogenblik kan, door ons Leerstoelfonds te gedenken. Dat bedoelt de opleiding van de a.s. bedienaren des Goddelijken Woords in gereformeerde banen te leiden, voor zoover dat aan onze Rijks-Universiteiten noodig is.
En dan hébben we nóg iets.
Wanneer we gaarne bedienaren des Woords hebben, die in het midden der Gemeente den vollen raad Gods brengen, dan moeten we ook de helpende hand uitsteken als er telkens jonge menschen zijn, die gaven des verstands en geheiligde liefde des harten ontvangen hebben van den Heere, doch die voor groote financieele moeilijkheden staan als alles bekostigd moet worden wat voor den langen studie-weg aan Gymnasium (6 jaar) en Hoogeschool (4 a 5 jaar) noodig is.
Daar moet dan geholpen worden ; gelijk van ouds in het midden van onze Gereformeerde Kerk gewoonte is geweest.
Zie b.v. artikel 19 van de Dordtsche Kerkeordening (1619) maar, waar staat: „De Gemeenten zullen arbeiden, dat er studenten in de Theologie zijn, die door haar onderhouden worden."
Ook hierin zijn we vroeger tekort geschoten ! We hebben maar aan hun lot overgelaten, die met moeite konden studeeren. En we hebben niet omgezien naar hen, die leeren konden en wilden, doch door den financieelen toestand hunner ouders zich tot de studie niet dorsten en niet konden begeven. Hierin wil ons Studiefonds verandering brengen.
Want het Studiefonds heeft ten doel om geldelijken steun te bieden aan jongelingen, die als theologisch student zijn ingeschreven aan een onzer Rijks-Universiteiten, met de begeerte om straks in de Herv. (Geref.) Kerk als herder en leeraar te mogen werkzaam zijn, in gehoorzaamheid aan Gods Woord.
Waar de Gereformeerde Bond alzoo zijn zorg uitstrekt over hetgeen zoo nauw samenhangt met de Gereformeerde prediking in het midden der Ned. Hervormde Kerk, om alzoo de Kerk, onder de gunste Gods, te mogen opheffen uit haar diepen val en te bevorderen, dat der Gemeente weer brood en geen steenen worden voorgezet — daar hebben we vrijmoedigheid om allen, die in de gereformeerde prediking belang stellen, te vragen om zoo spoedig mogelijk lid te worden van den Gereformeerden Bond en mee te werken aan het Leerstoelfonds en het Studiefonds.
Is het U dus ernst met Uw klagen over de zonde en den vervallen staat onzer Hervormde Kerk, laat ons dan zien op de barmhartigheden des Heeren en niet vertragen ; laat ons dan de handen ineenslaan en in de mogendheid des Heeren doen wat onze hand vindt om te doen. Het Studiefonds blijft van de grootste beteekenis. Ook om déze oorzaak, dat Indië er óók nog is. Heeft het plotseling — maar heerlijk!— sterven van ds. Binsbergen, lid van onzen Gereformeerden Bond en predikant der Indische Kerk op Celebes, ons niet onverwachts en heel ernstig aan den nood en ook aan de begeerte en den roep van Indië herinnerd ?
Ook hierin moet het Gereformeerde volk in onze Hervormde Kerk meer en meer een roeping gaan zien en voelen, welke de Heere ons ernstig nu op 't harte komt binden !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's