De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JAARVERGADERING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JAARVERGADERING

16 minuten leestijd

JAARVERGADERING van den Gereform. Bond op 17 April 1941 in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Utrecht.

Deze vergadering was door de tijdsomstandigheden minder druk bezocht dan anders.

De voorzitter, Prof. Dr J. Severijn, opende om kwart voor elf de vergadering. Hij heette de aanwezigen welkom, in het bijzonder den eere-voorzitter, Ds Van Grieken.

Er werd gezongen Ps. 33 : 10, waarna Daniël 9 : 1—19 werd voorgelezen.

De voorzitter sprak een ernstig inleidend woord, hetwelk luidde als volgt :

Geachte Vergadering,

Toen wij ongeveer een jaar geleden in jaarvergadering hier bijeen waren, hebben wij geen vermoeden gehad van de dingen, die zoo haast voor de deur stonden en ons volk zoo nauw zouden betrekken in de groote gebeurtenissen, welke de wereld beroeren. En zoo staan wij ook thans in één voor ons oog ondoordringbare toekomst. Bewogen tot in het diepst van ons gemoed, gestoord in de vastigheden van de rust onzer alledaagschheid. Wat al spanningen, wat al vragen en gedachten, wat al slingeringen tusschen hope en vreeze vervullen ons hart ? Doch wij zullen geen poging wagen om daaraan vertolking te geven. Het zou ons niet verder brengen en het ligt ook niet op onzen weg.

Waar het ons gegeven is om elkander als leden van den G. B. te ontmoeten, hebben wij noodig onze kracht te zoeken en elkander te versterken in het geloof, waarop ons onze belijdenis wijst. Indien wij daartoe worden verwaardigd, moge onze vergadering een gezegende heeten. Immers als onze verwachting van Hem moge zijn, die aan de rechterhand Gods is gezeten, zullen wij niet als een riet heen en weder worden bewogen. Want wij weten, dat Hij regeert, wien alle macht is gegeven in den hemel en op de aarde.

Dit brengt ons reeds dadelijk bij de groote stukken — ik zou haast zeggen — de algemeene stukken des geloofs, die, schoon niet vergeten en met de lippen telkens weer beleden, thans de waarheid in het binnenste komen toetsen. Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, zoo luidt het eerste artikel der apostolische belijdenis.

Wij zingen van den grooten Schepper aller dingen, maar nu dringt de vraag : gelooft gij dat ? Gelooft gij, dat geen ding bij geval geschiedt, maar alle dingen ons van Zijn vaderlijke hand toekomen ? Gelooft gij, dat Hij alle dmgen rechtvaardiglijk beschikt, zoodat ook dit wereldgebeuren plaats vindt naar Zijn ordinantie?

Niet, hoe wij over dit of dat oordeelen, welke verwachtingen wij hierop en daarop bouwen, maar ons verstand en hart gevangen geven onder het Woord Zijner Majesteit, die Zijn machtige stem verheft over de aarde en Zijn Woord spreekt?

Dan wordt het zwijgen opgelegd aan onze overleggingen, want dan komt Zijn gerechtigheid aan het woord. De Heilige Schrift gaat open. Zij gaat in klare, duidelijke taal vertolking geven aan de stem van Zijn gericht. De Heere komt om Zijn rechten. Is het niet Zijn recht om van allen geëerd en gevreesd te worden ? Van allen, ook van degenen, die verzonken zijn in den nacht van het heidendom?

Hoe zullen zij dan ontkomen, die Hij vergaderd heeft tot de kennis van Zijn Woord, opdat zij het zouden verkondigen aan allen, die verre zijn, en getrouw bewaren, terwijl zij daarop zelf geen acht hebben gegeven? Indien wij slechts bepaald worden bij deze genadige beschikking en bij dit ééne ons gansche leven beheerschende stuk van de schepping, onderhouding en regeering der wereld, en wijl ons leven toetsen aan deze waarheid, zullen wij reeds genoegzamen grond hebben om onze ontrouw en zelfgenoegzaamheid te ont­dekken. Wij hooren het in de predikatie en beamen het zoo gemakkelijk: zij hebben zich bakken gehouwen, die geen water houden. Mij hebben zij niet gekend.

Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij. Doch nu worden wij uitgeslingerd uit de verenging van een zelfgenoegzame vroomheid, welke vaak geen oog heeft voor den wijden horizont van de rechten van den eenigen en waarachtigen God. In de weggedoken godsdienstigheid van ons zelfgenoegzaam hart, waren wij omtrent allerlei belangen meer bekommerd dan om het recht Gods op de vreeze van een volk, hetwelk Hij met zoo overvloedige bewijzen van Zijn gunst heeft bezocht. Wij worden er ernstig aan herinnerd, dat de dienst des Heeren maar niet een bijkomstige zaak is. Wat blijft er over, als al het aardsche ons ontzinkt ?

Men kan hiertegen aanvoeren, dat dit alles slechts den uitwendigen aanblik des levens betreft. Dan maken wij echter direct een restrictie bij het woordje slechts, alsof het licht geacht kon worden, dat het openbaar geloof der natie de kenmerkende trekken der religie zag vergrauwen onder het blanketsel van eigendunkelijkheid. Dat zijn geen verschijnselen, die wij in zekere vrome gelatenheid kunnen voorbij zien. Want die trekken werden allermeest gruwelijk mismaakt in de weerspiegeling van ons kerkelijk leven.

Welk een verwrongen beeld treft ons, als wij het kerkelijk leven der natie in oogenschouw nemen. Hier staan wij andermaal voor een uitwendigheid, welke echter huiveringwekkend naar binnen wijst. Wie durft nog zonder schaamte van de kerk, de kerk des Heeren te spreken, als hij denkt aan de verwarring in de straten van Jeruzalem, waar ieder naar eigen smaak zijn altaar trachtte op te richten.

Neen, daar is geen onbillijkheid bij den Heere, als Hij ons bezoekt. Er is reden tot vreeze en verootmoediging voor Zijn heilig aangezicht, want wij zijn ontrouw en ongehoorzaam geweest in al het goede, dat Hij ons heeft geschonken. Wij hebben het woord meermalen in onzen mond genomen : Wij en onze vaderen hebben gezondigd, maar nu raakt het ons. De oogen des Heeren zien naar waarheid.

Wij en onze vaderen. Zou er wel één geslacht zijn in ons volk, dat niet bij de kerk is betrokken geworden ? De machtige hand Gods heeft hier Zijn kerk geplant. Hoevelen uit ons volk heeft Hij van geslacht op geslacht vergaderd tot de kerk, opdat zij Zijn Woord zouden hooren en bewaren? Hoevelen werden in Zijn driewerf heiligen Naam gedoopt ? En hoevelen dragen nog het teeken aan hun voorhoofd ?

Ook dat is niet bij geval geschied. Verreweg de meesten die bij de kerk zijn, zijn daarbij door geboorte. Het is de lijn van Gods Verbond, die van geslacht tot geslacht doorgaat. Daarom wezen wij op het Formulier van den Doop, dat spreekt van de kinderen der geloovigen. Waar begint nu de afval ? Is het niet daar, waar de roeping Gods werd verzaakt? De ontrouw der kerk is de ontrouw dergenen, die hier geloovigen worden genoemd en van hun kinderen. Zoo komt het er weer op neer : wij en onze vaderen, Wij en onze vaderen, dat is de kerk in groot verband, zooals zij verschijnt in het licht der algemeene roeping des Verbonds.

Er is veel over Gods Verbond getheologiseerd. Wij zijn echter wat huiverig voor allerlei verbondstheologie. Zij ziet zoo vaak de werkelijkheid voorbij, die daar klaar voor ons ligt. Als wij zien op de feiten, behoeven wij naar de teekenen van Gods Verbond niet te zoeken. Wij blijven ook niet bij een of andere kerk staan, want Gods Verbond wordt niet door een kerkformatie begrensd. Het wordt daar openbaar, waar zoovelen tot Zijn kerk werden geroepen. Achter alle vergaderingen, die zich als kerk aandienen, voor zooveel zij daarop recht kunnen doen gelden, staat Gods Verbond.

En zoovelen daarin gezet zijn en daarom het teeken van den Doop ontvingen, zijn ook gesteld onder de beloften en bedreigingen des Verbonds. Zij staan onder de algemeene roeping Zijner genade, vermaand en verplicht tot de gehoorzaamheid, welke God van ons vordert. Dit alles raakt op het nauwst ons kerkelijk leven, dat slechts één roeping heeft, dienstbaar te zijn aan de bediening van Christus, te luisteren naar Zijn bevel en in woord en daad Zijn getuige te zijn in het midden des volks.

Het mag daarom een voorrecht heeten, dat er ook hoopvolle teekenen zijn. Het besef ontwaakt, dat wij met de kerk vaak hebben gehandeld als gold het een zaak van menschen. Men wordt zich bewust omtrent de taak en roeping der kerk. Het gevoelen breekt door, dat wij in Christus' Kerk geplaatst zijn. Dat het gaat om de vervulling van Zijn opdracht. Daar klinken stemmen op, die tevoren waren verstorven. Zij spreken niet altijd in de taal, die wij gewoon zijn, maar zij spreken. Op zoo menig punt, dat heel belangrijk werd geacht, zwijgt de discussie. Daar is een grijpen naar het Woord, God geve een gegrepen worden door het Woord.

Voor velen is de Schrift een nieuw boek geworden.

Zoo is er roering en beweging op het erf der kerk, en ofschoon er in verschillende talen wordt gesproken, er zijn reformatorische klanken in dat alles. Het ontwakend besef van de roeping der kerk, van haar hooge autoriteit in Christus haar Hoofd, van haar ambt en waardigheid in den dienst van Zijn Koninkrijk naar binnen en naar buiten werkte stimuleerend tot onderzoek, ontdekkend aan wat wij de onbetaalde rekeningen der kerk plachten te noemen.

Wij denken bij dit alles bijzonder aan wat op Hervormd terrein in beweging kwam. De Commissie van Overleg door de Synode benoemd zag zich voor de vele moeilijke vragen gesteld, die met deze dingen saamhangen. Immers — wij hebben op verschillende dingen reeds gewezen in ons orgaan — als de kerkelijke organisatie geen ruimte biedt voor allerlei arbeid, waar de kerk een roeping heeft, gaat het werk voort door de hand van het particulier initiatief. Die arbeid maakt geen halt bij de grenzen der organisatie en haar reglementeeringen. Wij nemen dat waar op het terrein der zending, van de jeugd, de Zondagsschool, de Evangelisatie.

En toch zal niemand ontkennen, dat het altijd de kerk is, die daar arbeidt, de kerk niet als instituut, maar als organisme. Vandaar, dat die arbeid vaak een interkerkelijk karakter draagt. Zoo wordt ook daarin de kerk in haar boven de formaties uitgaande eenheid en gemeenschap weer herkend.

Het oog wordt geopend voor die werkelijkheid en voor het feit vooral, dat het kerkelijke arbeid is naar aard en wezen, welke de kerk zich heeft aan te trekken.

Hieruit volgt vanzelf, dat opnieuw de roeping der kerk naar het Woord de aandacht vraagt, inzonderheid voor de bediening der ambten en voor de organisatie. Al deze vragen dringen zich op uit den nood en drijven uit naar Gods Woord.

Zoo mag er gewezen worden op de lichtstralen, die door het zwerk der tijden heenschieten, en niet zonder hoop, tot het den Heere behaagt uit dezen nood iets goeds te doen geboren worden.

Lichtstralen en hoop — Maar hoor ik iemand vragen. Hoe zal 't gaan met de richtingen, wat zal er worden van de belijdenis. Ik ben geen profeet, maar ook de profeten zijn den profeten onderworpen. Als er verwachting is, is zij van den Heere, die Zijn kerk in stand zal houden en haar niet zal begeven noch verlaten.

Het vraagstuk der richtingen. Wij ontmoeten dat telkens weer. En de werkelijkheid zal aantoonen, dat men er niet aan ontkomt, dit ernstig onder de oogen te zien. Daarmede is bereids een aanvang genomen. Doch op dit oogenblik kan ik daarvan nog niets naders mededeelen.

En wat de belijdenis betreft, ons standpunt kan niet onbekend zijn. Het wordt klaar en duidelijk door onze Statuten omschreven : Gods Woord naar de uitlegging der Drie Formulieren is grondslag van onzen arbeid en het ligt voor de hand, dat het Hoofdbestuur zich ook voor haar medewerking daaraan gebonden weet. Het behoeft niet gezegd, dat dit ook ons persoonlijk standpunt is.

Overigens kan men niet verwachten, dat de belijdenis rustig in de spreekwoordelijk geworden safe kan blijven. De classicale vergaderingen van 15 Jan. vingen aan met de belijdenis der Twaalf artikelen. Het is niet denkbaar, dat de reformatorische belijdenis, welke daarop intusschen gebouwd is — buiten kwestie kan blijven. Dat is trouwens in gemeenteopbouw reeds gebleken. De vergadering zal zich voorloopig tevreden moeten stellen en afwachten. Ik mag voorts niet nalaten een beroep te doen op de medewerking van allen naar ons vermogen.

Als wij op de menschen zien, is er geen verwachting. Menschen zullen Gods kerk niet bouwen. Maar juist daarom is het een voorrecht, als het besef gaat leven, dat wij in den wijngaard des Heeren zijn gezet. God geve licht en getrouwheid aan allen, die hier een taak hebben.

De kerk heeft de beloften des Heeren. En Hij zal Zijn Woord aan haar gestand doen, ook in de donkere tijden, die wij beleven. Want hoewel Zijn gerichten over ons komen vanwege onze ongerechtigheden. Hij zal Zijn werk niet laten varen. Hij zal haar genade bewijzen om Zijnszelfs wil. En Hij is de Almachtige.

Wij hebben het Paasch-evangelie wederom beluisterd. Het Evangelie in de donkerste dagen, die Zijn kerk heeft doorgemaakt, toen ook haar Heere en Verlosser in het graf was en Zijn eigen discipelen niet verstonden, dat het de toegang tot het leven was. Zulk een donkerheid beleeft de kerk op aarde niet meer. De Heere is waarlijk opgestaan. Door het oog der discipelen heeft zij Hem gezien, door hun hand de teekenen Zijner wonden getast. Door hen heeft zij de belofte ontvangen, dat Hij bij haar zal blijven tot aan de voleindiging der wereld.

Daarop mogen wij elkander wijzen en zoovélen Hem door een waarachtig geloof zijn ingeplant, zijn daarvan verzekerd en gewis, dat Zijn goedertierenheid geen einde neemt over de genen, die Hem vreezen. Zoo gaan wij allen met een taak naar huis. Zoo straks werd gewezen op het Verbond, dat in zekeren zin zichtbaar werd in de menigte, die door het sacrament des Doops werden onderscheiden.

Ik behoef er niet meer op te wijzen, hoezeer ook het gezicht op zulk een menigte naar de ervaring, welke wij daaromtrent hebben, ons beschuldigt. Anderzijds is het een blijk van Zijn gunst, indien wij door opvoeding niet alleen bij de kerk, maar door persoonlijk geloof ook van de kerk mogen zijn.

Dan hebben wij vooral een taak. De wapenrusting Gods is niet van ijzer en staal, maar geestelijk en het machtige wapen des geloofs is in het gebed. Ik eindig met het beeld van Daniël, die de zonde des volks op zijn hart draagt en voor den troon der genade belijdt.

Als wij daarvan iets gevoelen, moge het ambt der geloovigen werkzaam worden, dat wij den troon der genade aanroepen en als een Daniël ook de zonden des volks voor Zijn aangezicht brengen, opdat Hij ontferming schenke. Door wederkeering en rust zoudt gijlieden behouden worden, in stilheid en in vertrouwen zou uw sterkte zijn —doch gij hebt niet gewild — zoo spreekt de Heere door Jesaja. En de barmhartigheid roemt tegen het oordeel als de dageraad der genade wordt aangekondigd : En daarom zal de Heere wachten, on dat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij zich over ulieden ontferme, want de Heere is een God des gerichts: welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten.

De notulen der vorige jaarvergadering werden ongewijzigd goedgekeurd.

Vervolgens bracht de secretaris. Ds J. J. Timmer, zijn jaarverslag uit.

Jaarverslag van den secretaris. Ds J. J. Timmer :

Hooggeachte leden van den Gereformeerden Bond:

Bij het begin van het boekjaar, 1 Dec. 1939, was het nog vrede. In de betrekkelijk rustige maanden vóór Mei heeft het Hoofdbestuur zich bezig gehouden met de bestudeering van een concept-program van actie voor onzen Bond, hetwelk was opgemaakt door Prof. Severijn.

Op den 15den Maart 1940 is dit concept in bespreking gebracht in een vergadering van predikanten, die leden zijn van onzen Gereformeerden Bond.

Het was het voornemen, om op deze vergadering een tweede te laten volgen. Het uitbreken van den wereldoorlog heeft echter door deze plannen een streep gezet. Het zou geen zin hebben om in de huidige omstandigheden dit concept in verdere bespreking te brengen op deze jaarvergadering, omdat de toestanden zich thans zoozeer gewijzigd hebben.

In het Hoofdbestuur van onzen Bond is in het afgeloopen jaar groote verandering gekomen. De voorzitter. Ds M. van Grieken, die vanaf de oprichting den Gereformeerden Bond had gediend, wenschte op de vorige jaarvergadering niet meer in aanmerking te komen voor een herbenoeming.

In de vacature Ds Van Grieken werd op de vorige vergadering Ds Bout van Delfshaven gekozen.

Op de jaarvergadering van 25 April van het vorige jaar zal niemand hebben gedacht, dat we zoo dicht bij het uitbreken van den oorlog waren. Toen luisterden we met aandacht naar het referaat van Prof. Severijn over „Geloof en Openbaring".

De scheidende voorzitter, die tot eerevoorzitter van den Gereform. Bond werd benoemd, werd bij zijn vertrek hartelijk toegesproken door den heer Duymaer van Twist.

In een korte na-vergadering op dienzelfden dag werd Prof. Severijn tot voorzitter benoemd.

In de redactie van De Waarheidsvriend kwam door de aftreding van Ds Van Grieken wijziging. Een commissie van redactie werd benoemd, bestaande uit Prof. Dr J. Severijn, Ds J. J. Timmer, Ds J. Goslinga en Mr E. P. Verkerk.

Prof. Severijn belastte zich met de hoofdredactie.

Op één na, waren alle predikanten, die daartoe werden aangezocht, bereid om een overdenking te schrijven.

Ds Vermaas en Ds Bout hebben den hoofdredacteur trouw terzijde gestaan.

Door het Hoofdbestuur is ook contact gezocht met de Federatie van Herv. Gereform. Bonden. Voorzitter en secretaris van onzen Bond hebben een vergadering van de Federatie bijgewoond en deelgenomen aan de aldaar gehouden besprekingen. Door allerlei omstandigheden is echter hier nog geen nader contact tot stand gekomen.

Het Studiefonds van onzen Bond vroeg telkens weer om de aandacht van het Hoofdbestuur.

In het afgeloopen jaar heeft zich de Synode onzer Hervormde Kerk in velerlei opzicht actief getoond.

Van de werkgroep „Gemeenteopbouw", die is aangewezen door de door de Synode ingestelde „Commissie van kerkelijk overleg", werd een uitnoodiging ontvangen tot bijwoning van een vergadering op 1 Nov. in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Op deze vergadering werd onze Bond vertegenwoordigd door Ds Timmer en Ds Remme.

Gaarne hadden we eind 1940 en begin 1941 een Predikantenvergadering gehad. Door de tijdsomstandigheden is deze echter tot hiertoe uitgesteld.

Het Hoofdbestuur heeft verscheidene malen vergaderd.

De tijden, die we thans beleven, worden hoe langer hoe moeilijker. We staan voor allerlei vragen. Mocht er door Gods genade dit uit geboren worden, dat ons volk in belijdenis van zonde en schuld terugkeere naar de oude beproefde paden onzer vaderen.

Stelle de Heere uit vrije ontferming daartoe ook den arbeid van den Geref. Bond tot een rijken zegen.

J. J. Timmer, Secretaris.

Het jaarverslag gaf geen aanleiding tot besprekingen.

De voorzitter dankte den secretaris voor het uitbrengen van zijn verslag.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

JAARVERGADERING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's