De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten

6 minuten leestijd

Het doel der Wet

Hoofdstuk III.

Het doel der Wet. Vers 19—29. (XII)

Doch eer het geloof kwam, waren wij onder de Wet in bewaring gesteld, en zijn besloten geweest, tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden. Vers 23.

Dat wil zeggen : vóór de komst van het Evangelie en de genade, was het de eigenschap der Wet dat zij ons als in een gevangenis opgesloten en in bewaring hield.

Deze vergelijking is heel goed, want zij toont ons, wat de Wet tot stand brengt en boe zij den mensch tot rechtvaardigheid brengt.

Een dief, moordenaar of roover, is niet erg gesteld op zijn boeien en den kerker, waarin hij gevangen zit.

Wanneer hij daartoe in staat was, zou hij zijn boeien verbreken en den kerker tot een asch'hoop maken.

Weliswaar onthoudt een boosdoener, die in de gevangenis zit, zich van gruweldaden en schandelijkheden, doch hij doet dat niet uit liefde tot gerechtigheid, maar omdat hij door den kerker in zijn pogingen wordt belemmerd.

Iemand, die gevangen zit, haat meestal meer den kerker, dan zijn zonden, want dikwijls doet het zoo iemand leed, dat hij niet naar hartelust stelen kan enz.; kon hij zijn gevangenis verlaten dan zou hij wellicht weer evenals tevoren gaan rooven en stelen.

De burgerlijke en geestelijke bewaring der Wet.

De kracht der Wet en haar gerechtigheid is van dien aard, dat zij ons dwingt, uitwendig ons behoorlijk te gedragen; want degenen, die haar overtreden, worden met straffen bedreigd.

Wij gehoorzamen de Wet dus uit vrees tot straf, want wij doen het gedwongen en met tegenzin.

Wat is het echter voor een gerechtigheid, wanneer wij het booze nalaten uit vrees voor bestraffing ?

Derhalve is de gerechtigheid, die uit de Wet is, eigenlijk niets anders dan het liefhebben der zonde, het haten der ware gerechtigheid, het verafschuwen van God en Zijn Wet, en het aanbidden van de grootst mogelijke boosheid.

Want evenmin als een dief iets opheeft met den kerker, en evenmin als hij in den grond der zaak het stelen haat, — evenmin doen wij wat de Wet gebiedt, en laten wij na, wat zij verbiedt.

Hoe goddeloos ons hart ook blijven mag, — de Wet heeft intusschen dit voor, dat zij voor 't uitwendige dieven, moordenaars en andere goddelooze Heden in toom houdt. Want wanneer dergelijke lieden er ook maar niet het minste vermoeden van hadden, dat alle zonde in de wereld met galg en zwaard, alsmede op andere wijzen, gestraft wordt, en wanneer zij absoluut niets geloofden omtrent den eeuwigen dood en de hel, dan zou geen huisvader of ander gezagsdrager 's menschen woeden kunnen beteugelen: met welke wet of met welk geweld ook!

Door de dreigementen der Wet, welke het gemoed van den mensch verschrikken, worden goddelooze lieden eenigermate er van teruggehouden om zich niet hals over kop in alle mogelijke schanddaden te werpen.

Intusschen spreekt het vanzelf, dat de mensch van nature liever had dat er geen Wet, geen straf, geen hel en geen God bestond! Want beschikte God over geen hel en strafte Hij ook niet degenen, die tegen Hem zondigen, dan zou ieder mensch zonder onderscheid Hem toven en prijzen.

Wijl God evenwel den goddeloozen mensch straft, en alle menschen boos zijn, daarom moet een ieder van nature God haten en lasteren, voorzoover hij onder de Wet besloten is.

In de tweede plaats wordt de mensch ook in geestelijk opzicht onder de Wet besloten gehouden.

Dit wil zeggen : de Wet is ook een geestelijke kerker en een werkelijke hel, omdat de mensch niet ontvluchten en geen troost vinden kan, wanneer de Wet onze zonde openbaart en wij met den dood en Gods eeuwigen toorn worden bedreigd.

Het ligt nu eenmaal niet in 's menschen vermogen om de verschrikkelijke ontsteltenis, welke de Wet veroorzaakt, ongedaan te maken. Ook kan een eventueele droefheid des harten niet zoomaar een mensch afgeschud Worden.

Overal in de Psalmen vinden we met opzicht tot deze dingen klachten van heiligen. Bijvoorbeeld in Psalm 6 vers 6, waar David zegt: „Want in den dood is Uwer geen gedachtenis ; wie zal U loven in het graf ? "

De mensch is als in een kerker besloten, waar hij niet uit kan komen. Ook ziet hij niet, op welke wijze hij van zijn banden bevrijd kan worden; dat wil zeggen: hoe hij deze verschrikking weer te boven komen kan.

Zoo is dus de Wet, gelijk ik zei, een kerker in burgerlijk (uitwendig) en geestelijk (inwendig) opzicht.

Er valt hier ook waar te nemen, dat de Wet en het Evangelie, hoe principieel onderscheiden beide in wezen zijn mogen, elkaar in het hart des menschen nauw verwant zijn.

Wanneer Paulus zegt: „wij waren onder de Wet in bewaring gesteld, en zijn onder haar besloten geweest tot het geloof", dan volgt daaruit, dar Wet en Evangelie wel degelijk samenhang vertoonen.

Daarom is 't niet genoeg, dat wij onder de Wet besloten zijn, want wanneer hierop niets volgt, dan kunnen wij gerust vertwijfelen en in onze zonden sterven.

De apostel voegt aan een en ander echter toe, dat wij onder de Wet besloten zijn geweest tot op Christus, welke het einde is der Wet.

De verschrikking, verootmoediging en gevangenschap der Wet zal dan ook niet van eeuwigen duur zijn, want met de komst van het geloof houden deze op.

Nadat de Wet ons verschrikt heeft, zal ons genade, vergeving van zonden en bevrijding van zonde en dood ten deel vallen, alsmede bevrijding van de Wet zelf. En dit alles zullen wij niet verkrijgen op grond van eigen werken, maar alleen door het geloof.

Wie in tijden van schrikkelijke aanvechting weet, dat het einde der Wet en het begin der genade vlak bij elkaar liggen, die zal de ware beteekenis der Wet eerst recht kunnen verstaan.

De goddeloozen verstaan deze kunst niet.

Zoo was het ook met Kaïn, toen hij zeide : „Mijn misdaad is grooter, dan dat zij mij vergeven worde'' (Genesis 4 vs. 1.3).

Hij gaf er zich geen rekenschap van, dat zijn zonde hem geopenbaard werd, opdat hij de genade Gods zoude zoeken.

Daarom kwam hij tot vertwijfeling, niet geloovende, dat hij besloten was onder de genade en het geloof. Hij zag zich uitsluitend onder het oordeel der Wet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's