Van verborgen omgang.
XLI. (Slot)
God Drieëenig werkt de zaligheid van zijn volk. Hoe wonderbaar het ons ook toeschijnt, toch is het waarheid, dat de Heere God in al de volheid zijner majesteit en de heerlijkheid zijner goddelijke liefde optreedt en optreden moet om eenen zondaar te doen inwonen in de stad, die zon noch maan behoeft. De volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen, maar alleen omdat de almacht der genade van een Drievuldig God hunne voeten gezet en gehouden heeft op het levenspad.
Inderdaad, het is wonderbaar, zoodat Gods kinderen ontroerd staan over het heil aan hen geschied.
De tegenstelling is ook zoo machtig.
In de wereld zijn Gods kinderen gewoonlijk weinig geacht en gekend. Niemand neemt, om zoo te zeggen, notitie van hen. Nog altijd wordt het apostolische woord bewaarheid: „niet vele edelen, niet vele rijken, niet vele machtigen." Zij worden niet geteld, niet opgemerkt. Menigeen gaat met een glimlach van medelijden aan dat arme volk voorbij. Zelfs menigeen, die voor vroom wil doorgaan, heeft voor dat volk niet anders dan smaad over. Vooral in onze dagen is het zoo klein, zoo verborgen. Te midden van alle vroomheid is er zoo weinig ware vreeze Gods. De kinderen des Koninkrijks gevoelen zich dan ook dikwijls zoo eenzaam, zoo vernederd en verlaten. Niemand let op hen en als er nog op hen gelet wordt, dan is het met de bedoeling om hun te laten beseffen de minachting, die men koestert voor hen, die zoo dwaas zijn, zoo geheel uit de mode, zoo staande buiten den levensgang des tijds. De wereld ziet soms op hen alsof zij behooren tot lang voorbijgegane eeuwen. Maar nu is dit het groote, het wonderbare, dat de Heere zich tot hen neder buigt, dat Hij, die toch zoo heilig is, wiens Naam heerlyk is, die in het verhevene woont, die alle schepselen, hoe beteekenisvol zij ook zijn mogen, oneindig te boven gaat, zich toch tot zulk een arm, verstooten, door de wereld vergeten wezen wil nederbuigen, dat Hij het wil roepen bij name, dat Hij het wil opzoeken met zijne liefde, er mede wil omgaan als met zijnen vriend.
Gods kind kan te midden van de verlatenheid in de wereld, toch zoo wonder diep geroerd worden door de zalige wetenschap, dat de Heere, de eeuwige God, de Koning der koningen, hem toch niet voorbijgaat, niet veracht, niet afstoot, niet versmaadt, maar met zijne alles overtreffende liefde omvangt. Bij de wereld vergeten, maar bij God aangenomen, door de wereld geminacht, maar door God op prijs gesteld. Dat is de tegenstelling, die zoo rijk is aan troost.
Is het niet ontroerend, als wij ons indenken, dat na een korte spanne tijds, als we zijn uitgedragen naar den doodenakker, niemand ons meer noemen zal, niemand zich onzer meer zal herinneren? Hoevelen slapen er niet den grooten slaap, die in hunne dagen op ieders lippen waren, wier namen schitterden in den stralenkrans van den roem en die geheel vergeten zijn. Ook de eere der wereld is nietig en ijdel, hoeveel de menschen er ook aan hechten en er voor doen. Maar een hoogst enkele heeft een naam, onsterfelijk in de geschiedenis der menschheid en hoevelen zijn er dan nog, die deze enkelen noemen! Maar dat zijn enkelingen. De groote massa komt en gaat en het geldt van haar: als 't gras en als de bloem des velds, al zoo bloeit hij. Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer. Vergeten worden zij, ook zij die grooter schijnen dan de anderen.
Verschil mag er nog zijn, als de begrafenis plaats heeft, maar daarna houdt het op.
Daar worden er uitgedragen als de rijke man uit de gelijkenis, misschien onder een schat van bloemen bedolven, begeleid door eene groote schare en nog meerderen worden weggebracht, alsof zij te veel waren aan de tafel des levens, zoodat maar enkelen het stoffelijk overschot uitgeleide doen. Zij waren al vergeten nog voordat zij stierven. Maar met dien laatsten gang is ook onherroepelijk hunne gedachtenis weggevaagd. Wie daarover peinst, die wordt zich bewust van zijne kleinheid en nietigheid. Maar hoe heerlijk is het dan voor Gods kind, dat het mag weten, dat de Heere zijner gedenkt. Hij vergeet de zijnen niet. Zij zijn geschreven in het boek des levens.
Gelijk Hij ze gekend heeft van eeuwigheid, alzoo gedenkt Hij ze ook in eeuwigheid. Zij mogen hier vergeten worden, hunne namen mogen worden uitgedelgd uit de heugenis der menschen, maar voor Gods aangezicht staan zij in onuitwischbaar schrift. Groot en heerlijk zijn de werken der genade, want daarin openbaart de Heere de wonderheid zijner ontferming door zich in de volle majesteit van zijn goddelijk Wezen te keeren naar wie in zichzelf verloren ligt, om het te bevestigen, dat Hij het onedele der wereld en het verachte heeft uitverkoren en hetgeen niet is, opdat Hij hetgeen iets is te niet zou maken en geen vleesch zou roemen voor Hem. De Heere redt zijn volk door wonderdaden, waarin de volheid van Gods Wezen is betrokken.
Het is God Drieëenig, die zich daarin werkzaam betoont, zoodat Gods kinderen Hem als zoodanig leeren kennen. Het leerstuk der Heilige Drievuldigheid is dus niet maar een theorie, niet maar een dogma, dat overigens geen beteekenis heeft voor de praktijk der godzaligheid.
Integendeel, in de praktijk der godzaligheid, in de beoefening, in den gang van hun geestelijk leven treedt de Heere zelve in de majesteit zijner drievuldige Wezenheid op. Hij openbaart zich alzoo aan hunne zielen, zoodat zij door de echte, ware levensbevinding Hemzelven in zijne Drievuldigheid ontmoeten, in éen weg der godzaligheid openbaart Hij zich in het leven van Gods kinderen als Vader, Zoon en Heilige Geest. Ook in dezen blijkt de overeenstemming, die er is tusschen het Woord des Heeren en het leven zijner kinderen. Al wat de Heere geopenbaard heeft in zijn getuigenis is tegelijkertijd ook door Gods volk doorleefd, gelijk het nog doorleefd wordt. Zoo ook de Heilige Drievuldigheid Gods. Maar er is toch een onderscheid tusschen het geopenbaarde en het beleefde. Hetzelfde onderscheid, dat zich in de werken Gods en onze kennis van die werken op den voorgrond stelt, is ook op te merken in zake het drievuldige bestaan Gods en onze kennis daarvan in de practijk der godzaligheid.
Inzake de kennis, die de mensch van de werken Gods kan verkrijgen, geldt deze orde, dat hetgeen in ons kennen het laatste moet worden geacht, in Gods daden en doeleinden het eerste is. En omgekeerd hetgeen in Gods kennen het eerste is, wordt door ons het laatste gekend. Merk slechts op, hoe in het scheppingsverhaal de Heere den hemel en de aarde schept. Voor den Heere is de hemel het eerste, voor ons echter is hij het laatste. Daarom eindigt dan ook de Heilige Schrift met ons te teekenen, hoe Gods kinderen de hemelsche werkelijkheid eerst aan het slot van het werelddrama aanschouwen zullen. Want aan Johannes werd getoond de zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods en des Lams en al de heerlijkheid der stad Gods. Wat in Gods besluit het eerste is, dat wordt in de uitvoering des besluits het laatste. Daarom leert de mensch den Heere kennen uit zijne werken in den tijd, hoewel zij Gode van eeuwigheid bekend zijn. Alzoo is het nu ook met de kennis van het drievuldig Wezen Gods.
In de bestaansorde Gods is de rang der Personen, die van Vader, Zoon en Geest. Niet omdat de Geest de mindere zou zijn dan Zoon en Vader, niet omdat de Zoon den Vader ondergeschikt zou wezen, niet omdat de Vader den Zoon en den Geest overtreft. Dat zij verre, want zooals de Vader waarachtig en eeuwig God is, zoo zijn ook de Zoon en de Geest, deelende in de Majesteit van het waarachtig en eeuwig God zijn. Alle drie deelen zij in hetzelfde Wezen Gods en zijn dus van één Wezen, van ééne Majesteit en heerlijkheid, zoodat er dus van eene minderheid of meerderheid geene sprake kan zijn. Vader, Zoon en Geest dragen allen hetzelfde goddelijke Wezen, en één van Wezen zijnde, zijn zij dus ook één van graad. De orde in de huishouding Gods heeft dan ook niets van doen met meerderheid of minderheid, is eene orde van verhouding in de bestaanswijze Gods , tengevolge waarvan de drie Personen, die eenzelfde Wezen deelachtig zijn, zich onderscheiden als door hun eigen levensfunctie. In den Persoon des Vaders is de Wezenheid Gods met de bijzondere eigenschap, dat Hij den Zoon genereert, die ook is drager van het ééne goddelijke Wesen, hef afschijnsel zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid, waarachtig en eeuwig God met den Vader, maar die zich daardoor onderscheidt, dat Hij eeuwiglijk door den Vader gegenereerd wordt. Hij deelt ook in de wijsheid, den wil en de onmetelijkheid Gods, omdat Hij met den Vader het ééne goddelijke Weaen deelachtig is. En zoo is het nu ook met den Zoon en den Heiligen Geest. Ook de Heilige Geest is drager van de wijsheid, den wil en de macht van God, omdat Hij het goddelijk Wezen deelachtig is.
Het ligt dus voor de hand, waarom in de bestaanswijze Gods de Vader het eerst wordt genoemd, daarna de Zoon en eindelijk de Heilige Geest. Zooals de Heere zich in zijn Woord aan ons openbaarde, is de eenheid van het goddelijk Wezen in Vader, Zoon en Geest. Het eene goddelijke Wezen is in zichzelven Vader, Zoon en Geest, zoodat alle drie Personen deel hebben in Zijne goddelijkheid op volkomen gelijke wyze, maar toch onder elkander in zulk eene verhouding bestaan, dat de Vader den Zoon eeuwiglijk voortbrengt en de Heiilige Geest eeuwiglijk uitgaat van Vader en Zoon. Zoo wordt dus de Vader in orde het eerst genoemd, wijl zonder Hem van den Zoon en den Geest geen sprake komen kan, de Zoon wordt daarom vermeld, omdat zonder Hem en van den Vader en van den Geest geen sprake kan zyn en eindelijk volgt de Geest, omdat zijn uitgang de beide andere Personen als bestaande veronderstelt.
Zoo is dus in de bestaansorde Gods de Vader de eerste, de Geest de laatste, hoewel beide met den Zoon deelen in het ééne Wezen Gods.
Maar in de kennis van Gods Wezen en in den verborgen omgang met Hem is de volgorde zoo, dat de kennis Gods altgd aanvangt met de kennis van den Heiligen Geest. Dit hangt samen met de werken, die de drie Personen elk in het bijzonder eigen zijn. De Vader heeft te doen met de schepping, de Zoon met de verlossing, de Heilige Geest, met de heiligmaking. En als het werk des heils aan een verloren zondaar begint, dan is het steeds de Heilige Geest, die het aanvangt door den weg der ontdekking in te slaan. Om een van God vervreemd zondaar Gode te heiligen is allereerst van noode, dat hij ontdekt wordt voor zonde en schuld, zichzelven leert zien en kennen zooals hij waarlijk bestaat. De Heilige Geest is de Persoon, waardoor Gods kinderen het allereerst met het heerlijke Wezen Gods in betrekking worden gebracht. Dat wil niet zeggen, dat zij er steeds Hem in onderkennen, want er kan reeds veel levensroering, veel bange strijd doorleefd en doorworsteld zijn, zonder dat er van het Goddelijk Wezen iets wordt onderkend door de ziel. De meeste kinderen des Heeren komen tot die onderscheiding van het werk Gods in hunne harten eerst daarna, soms lang daarna, als zij gekomen zijn uit de duisternis tot het wonderbaar licht, als zij gebracht zijn tot de zekerheid van hun kindschap Gods. Het kan hun gaan als de wandelaar, die moeizaam op een heuveltop opklimt en van de beklommen hoogte nederziet op het pad, waarlangs hij voortschreed.
Hij ziet daar alles achter zich liggen van de eerste schrede af en hij speurt elke struik en elken boom en elke steilte en elke daling van den weg. Zoo kan ook Gods kind terugzien langs zijn levensweg, die zich verliest in het vergeten verleden, waaruit hem slechts enkele bijzonderheden bijbleven, waarvan hij zich enkele lang voorbijgegane roeringen zijner conscientie herinnert, die steeds weder op den voorgrond traden. Het bleef hem voor den geest staan, hoe wonderbaar het hem te moede was, hoe bij trachtte te vergeten en niet vergeten kon, poogde van zich af te schudden, maar het niet vermocht.
De Heere was er in, maar het dolende kind merkte er niet op, kende Hem er niet in. De eerste ontdekking heeft altijd ten gevolge, dat een zondaar op zichzelf ziet, bij zijne zonde blijft staan. Hij komt niet verder dan de verdorvenheid van zijn hart en hij stelt zich nooit de vraag, hoe hij tot die wetenschap komt. Hij wordt te zeer bezig gehouden met zichzelven, dan dat hij naar de diepere oorzaak van zijne zondesmart zou omzien. En dus kan hij niet loskomen van de klem der ontdekking. Tot Hem, die daarin werkt, dringt hij niet door.
En zoo ook, als hij met zijne zonde door de roeping des Evangelies wordt gebracht aan den voet van het kruis en den Middelaar in zijne verzoenende en verlossende kracht leert kennen, als hij de woorden des levens beluistert, die klinken van zijne lippen, ja, dan smaakt hij wel de zaligheid, die daarin bereid wordt, maar hij beseft niet, hoe hem te midden van den nacht zijner zonde dat licht over den Gekruisigde opging. Hij vraagt er ook niet naar. Hij kan er niet naar vragen, omdat hij zoo vervuld is met de heerlijkheid in het kruis geschouwd, dat hem geen vraag naar hetgeen achter die begeerte naar den Gekruisigde in de diepte zijner ziel ligt, meer overbleef. Gods kind blijft dan staan bij hetgeen oogenblikkelijk wordt genoten. Het gaat niet verder en kan niet verder gaan in die ure.
Eerst later, soms zelfs veel later, als hij moet nadenken over zijn leven, terugzien over zijn pad en de vraag opkomt, waarom hij toch in onderscheiding van zoovele anderen, die hij gekend heeft en met wie hij voortreisde over den breeden weg, onbekommerd en onbevreesd, is ontroerd geworden over zijne zonde en den strijd des levens leerde strijden, werd er een peinzen geboren over den oorsprong zijns levens. En toen werd het klaar, dat de Heilige Geest, van wiens werk hij wel hoorde, maar niets bespeurde, reeds in die allervroegste roering zijn ademtocht gaan deed over den akker zijner ziel. Het is als in de natuur. Wij zien wel hoe de boomtoppen buigen, hoe de zeilen zich bollen, hoe de molenwieken draaien met snelheid, maar den wind, die in dat alles zijne kracht openbaart, daaraan denken zij het allerlaatste, omdat hij in al die bewegingen de onzichtbare is. Zoo is het nu ook met den Heiligen Geest. Hij is den eerste met en door Wien het goddelijke Wezen met den zondaar in verband treedt. Hij is het, die de eerste levensberoering doet geboren worden en die niet ophoudt den mensch met zichzelven bekend te maken, opdat hij in die zelfkennis zal ervaren de ledigheid van het natuurlijk hart en de ongenoegzaamheid van het tijdelijke en aardsche.
Zoo wekt Hij behoefte aan eeuwige dingen, honger en dorst naar gerechtigheid. Hy bereidt de ziel voor om uit te gaan en redding te zoeken, Hij bereidt haar voor om gevonden te worden door Hem, die gekomen is om te zoeken en zalig te maken wat verloren is. De Heere Jezus heeft het gepredikt, dat zonder de trekking des Vaders niemand tot Hem komen kan. En die trekkingen des Vaders verwerkelijkt de Heilige Geest. Hij leidt tot Jezus en in Jezus tot de kennis des Zoons. Voor het bewustzijn van Gods kinderen is het dan, alsof in den Middelaar Gods en der menschen het goddelijke Wezen allereerst wordt ontmoet. Ook in het zien op het Lam Gods gaat het kind des Heeren zoo geheel op, dat hij voor niets anders oog heeft. Het wordt er geheel door in beslag genomen. Het is dan ook zeer verklaarbaar, dat het Lam, dat geslacht is, dat de verzoening door het bloed, zulk een alles-overheerschende beteekenis heeft. Immers, Gods kind heeft vanwege de bezoedeling der zonde en den last der schuld telkens weder nieuwe behoefte om tot Hem te gaan en van Hem te hooren, dat Hij macht heeft om de zonden te vergeven. Inderdaad, de Middelaar vormt in het geestelijk leven zeker het middelpunt. En aangezien alle kennisse Gods is opgegaan in Hem, die het licht der wereld is, heeft dan ook de overheerschende plaats, die de Heere Jezus in het leven zijner kinderen inneemt, een verklaringsgrond in de beteekenis van den Middelaar zelven.
Toch mag niet worden voorbijgezien, dat de Christus als Middelaar geene beteekenis heeft dan alleen als het vleesch geworden Woord, als de tweede Persoon der Heilige Drievuldigheid Gods. Daarop kan niet genoeg nadruk worden gelegd, omdat in meer dan een kring in onze tijd, geheel schijnt vergeten te worden, dat de Heere Jezus is waarachtig en eeuwig God en waarachtig rechtvaardig mensch in de eenigheid zijns Persoons, Daar wordt in breeden kring, ik aarzel niet om het neer te schrijven, afgoderij, gepleegd met den persoon van Jezus doordat-Hij miskend wordt in zijne Middelaarskracht en wezenheid. Reeds voot vele jaren trok het de aandacht, hoe nu zekere kringen de eere van den Middelaar bezoedeld werd doordat er al geroepen wordt over den lieven Jezus, voor wien zij naar het schijnt alles wel wilden doen en geven, behalve zichzelf. Afgoderij werd en wordt er met Hem gepleegd, omdat het maar al te duidelijk blijkt, dat zij van Hem als van het vleeschgeworden Woord, als van den tweeden Persoon, als van een volkomen Zaligmaker, als van den Heere onze gerechtigheid, niet alleen niets willen weten, maar zelfs van het volk Gods, dat Hem door den Heiligen Geest als de gave des eeuwigen Vaders heeft ontvangen, de bitterste vyanden blijken. Daarin is de bezoedeling van de eere van den Middelaar, van de glorie zijner Majesteit, doordat Hij wordt nedergetrokken van uit den lichtglans zijner goddelijke heerlijkheid als de eeuwigen Zoon des eeuwigen Vaders, naar een spheer van gevoelsvoorstellingen, waarin meer de mensch in zijne vleeschelykheid zich doet gelden met al de ziekelijkheid van zijn gevoel, dan de heiligheid Gods.
Daartegen kan niet genoeg gewaarschuwd worden, omdat zich in zulke godsdienstigheid de Satan kan voordoen als een engel des lichte. Dat is dan ook geen geestelijk leven, gewekt door den Heiligen Geest, maar opgekomen uit de moerasdampen, die uit den ondergrond van het natuurlijk hart opstijgen, dat weigert als een arm verloren zondaar zalig te worden alleen door een wonder van genade en ontferming Goda De Heilige Geest leert dan ook andere dingen kennen. Hij zetelt wel den Gekruisigde in het middelpunt, maar als lmmanuel, als God met ons, als waarachtig God en waarachtig rechtvaardig mensch, die tot zonde gemaakt wordt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem, als dis het recht der wet vervult in onze plaats, als die volkomen gerechtigheid biedt. Daarom het kind des Heeren kan bij Hem niet staan blijven, maar wordt door den Heiligen Geest naar des Heeren eigen Woord opgevoerd tot den Vader. Niemand komt tot den Vader dan door Mij, zoo luidde de prediking van Jezus. In het werk der verzoening door Hem tot stand gebracht, ontmoet Gods kind den Heilige als een verzoend God en dus als een Vader vol van mededoogen, wiens liefde daarom, zoo groot is, wijl Hij gekend wordt als die zijnen Eengeborene niet gespaard heeft, maar Hem heeft overgegeven in de vernedering door Hem de gestalte van een dienstknecht te doen aannemen en te doen afdalen tot den dood des kruises. Gods kind ontmoet Hem als verbrijzeld voor zijne zonde, als verbroken voor zijne ongerechtigheid, maar ook als den Levensvorst, die zijnen dood verslonden heeft tot overwinning.
Maar in gansch dit gemeenschapsleven, in al die wegen des heils, die ten slotte voeren tot het vaderhart Gods, is de Heilige Geest de Leidsman. Hij werkt het alles uit in de zielen dergenen, die de zijnen zijn. Hij is de eerste, die optreedt en de laatste, die het voleindigt. Zoo is dus in de orde der gemeenschapsoefening de Heilige Geest de eerste in het hart van Gods volk, gelijk de Vader het laatste ontmoet wordt in de gemeenschap met den Zoon. God Drieëenig volbrengt hier het wonder der genade, dat in de verlossing des zondaars tot stand komt. Daarom leert ook de ziel van Gods kind de drie Personen waarlijk en levend kennen. Hier reeds gaat dan ook zijne aanbidding op tot den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest. Met de Seraphim roept hij bij wijlen hier reeds het driemaal „heilig, heilig, heilig" uit. En als de ure komt, waarop de heerlijkheid en de eer der volken gebracht wordt in de stad Gods en de belofte vervuld wordt, dat zalig zijn zy, die zijne geboden doen, opdat hunne macht zij aan den boom des levens, dan zullen zij aanschouwen den troon Gods en des Lams, welks aangezicht zij zien zullen en dan zal er geen nacht zijn, geen kaars, geen licht der zon zullen zij behoeven , want de Heere God verlicht hen". Ook in de zaligen zal zijn de kennis des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, en God zal zijn alles in al Zijn zalig volk Gelijk Hij ze doopte in den driemaal heiligen Naam waardoor opnam in het verbond, zoo zal Hij ze in het Nieuw-Jeruzalem het lied op de lippen leggen, opdat zij bekennen eeuwiglijk het eigendom Hem, wien als den Vader toekomt eere voor de gave des Zoons, als den Zoon behoort de dankzegging, omdat Hij ons Gode kocht met zijn bloed, maar als; , den Geest ook wordt toegebracht het Halleluja, omdat Hij het was, die Zijne kinderen wederbaarde en heiligde en zelfs in den tempel Gods het loflied zingen doet, opdat alle creatuur, maar Zijne gemeente allermeest, Gode de eere bereiden, die Hij van zijne schepping verwacht. Immers, daarom zong David aan het einde zijner gebeden: „Geloofd zij de naam zijner heerlijkheid tot in eeuwigheid: en de gansche aarde worde met zijne heerlijkheid vervuld. Amen, amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1916
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's