De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

13 minuten leestijd

Luther.
Luther werd den 10den November 1483 geboren en den volgenden dag gedoopt, en omdat het Sint-Maartensdag was, werd hij, naar de gewoonte in die dagen, Maarten genoemd. Zijn vader was mijnwerker, die met hard werken den kost verdiende en aan zijn kinderen het woord toepaste, dat het goed is, dat een mensch het juk in zijn jeugd draagt. Maarten moest dan ook al vroeg aan den slag; toch werd er, daar de jongen een goeden aanleg vertoonde, na langdurig beraad besloten dat hij in de rechtsgeleerdheid zou studeeren. Maar hij moest meehelpen zijn kostje te verdienen; vandaar dat hij na schooltijd dikwijls langs de huizen zong om een maal eten of wat geld op te halen. Dat duurde, tot de rijke familie Cotta zich over hem ontfermde en voor zijn verdere opleiding zorgde.
Terwijl hij student was aan de Hoogeschool te Erfurt, legde hij, toen hij eens door een hevig onweer overvallen werd, de belofte af, dat hij in een klooster zou gaan, wanneer hij ongedeerd bleef en zoo werd hij Augustijner monnik. Uiterlijk bleef zijn weg voorspoedig, hij werd benoemd als professor aan de Hoogeschool te Wittenberg en genoot van alle kanten eer en aanzien. Maar innerlijk werd hij door onvrede en zondelast verteerd; dat was zoo geweest in Erfurt, toen hij den Latijnschen bijbel onder een dikke laag stof ontdekte, dat was zoo in het klooster, ondanks al zijn kastijdingen of boetedoeningen. Dat bleef zoo op zijn tocht naar het heilige Rome, waar hij zoo gehoopt had genezing voor zijn kranke ziel te vinden. En toch vond hij ze, maar niet door den Pilatustrap op bloote knieën op en af te kruipen.
Neen, de genezing kwam door 't woord, dat als een bliksemstraal in zijn ziel viel: „De rechtvaardige zal uit het geloof leven". Nu was Rome hem niet meer noodig voor de verzoening van zonden, nu keerde hij naar Wittenberg terug met den vrede in zijn hart, omdat zijn zonden hem om Christus' wil vergeven waren.
De aflaathandel, die in dien tijd op schandelijke wijze door Johann Tetzel gedreven werd, bracht Luther er toe openlijk met zijn bezwaren voor den dag te komen en den laatsten October van het jaar 1517 sloeg hij zijn vijf en negentig stellingen aan op de deur van de Slotkerk te Wittenberg.
We laten er een paar hier volgen: Stelling 1: Als onze Heere en Meester Jezus Christus zegt: doet boete enz., dan wil Hij, dat het geheele leven der geloovigen boete zal zijn". St. 33: „Men zij wel op zijn hoede voor hen, die zeggen dat de aflaat van den paus die onschatbare gave-Gods is, door welke de mensch met God verzoend wordt" St. 36: „Ieder christen heeft, wanneer hij waarachtig berouw gevoelt, volkomen vergeving van straf en schuld, welke hem ook zonder aflaatbrieven toekomt". St. 37: „Ieder waarachtig christen, hetzij levend of dood, heeft deel aan alle geestelijke goederen van Christus en de Kerk; God heeft hem deze ook zonder aflaatbrieven gegeven". St. 43: „Men leere den christenen, dat wie den armen geeft of den behoeftigen leent, beter doet dan wanneer hij een aflaat koopt". St. 50: „Men leere den christenen, dat, indien de paus bekend was met het geschacher der aflaatpredikers, hij liever den Dom van St. Pieter tot asch zou laten verbranden, dan dat deze zou worden gebouwd van de huid, het vleesch en de beenderen zijner schapen". St. 62: „De ware schat der Kerk is het allerheiligst Evangelie der heerlijkheid en der genade Gods". St. 82: „Waarom bevrijdt de paus niet uit het vagevuur, enkel door den drang der heilige liefde en bewogen door den hoogsten nood der zielen — dat toch ware zeker reden genoeg voor hem! — als hij toch tallooze zielen verlost terwiile van ellendig geld, gegeven voor den bouw der Pieterskerk, dus om eene zoo onbeduidende reden".
Zij maakten een geweldigen indruk; binnen een week waren ze door heel Duitschland verspreid, binnen vier weken bekend bij de geheele Christenheid. Ze werden vertaald; reizigers verkochten ze tot in Jeruzalem. 
De Paus, die Luthers woorden eerst had onderschat, begreep nu wat er op het spel stond en deed Luther in den ban. Maar voor de Elsterpoort te Wittenberg werd een vuur aangelegd en de Pauselijke banbul, waarvoor koningen en vorsten vreesden en zich vernederden, werd door Luther en de vlammen geworpen.
Maar Luther vond nog een andere macht tegenover zich dan de Pauselijke. Keizer Karel V, die zoo ijverde voor de eenheid in zijn landen, vreesde dat een scheuring in de Kerk ook een scheuring in den Staat zou teweeg brengen en daagde Luther daarom voor den Rijksdag te Worms.
Toen Luther den eersten dag voor deze ontzagwekkende vierschaar stond, ontzonk hem de moed: hij vroeg een dag uitstel. Den volgenden dag, tegen den avond, werd hij opnieuw voorgeleid en toen de kanselier van den keurvorst van Trier hem gevraagd had of hij zijn geschriften wilde herroepen, antwoordde hij hierop vastberaden in een uitvoerige rede, waarvan de slotsom was dat, hij slechts kon herroepen, wanneer men hem uit den Bijbel aantoonen kon, dat hij gedwaald had. En toen, terwijl hij zijn oog liet gaan over die machtige vergadering van keizer, keurvorsten, prinsen, aartsbisschoppen, van de grooten en geweldigen dezer aarde, die zijn leven in hun hand hadden, kwam het als een kreet uit zijn ziel:
„Hier sta ik; ik kan niet anders; God helpe mij! Amen!"
Luther keerde onder bescherming van 's keizers vrijgeleide van Worms terug, maar onderweg werd hij door vrienden opgelicht en naar den Wartburg gevoerd. De voorzorg was niet overbodig, want zoodra de tijd van het vrijgeleide verstreken was, werd de rijksban over Luther uitgesproken en werd hij vogelvrij verklaard. Op den Wartburg werkte hij onvermoeid aan de vertaling van den Bijbel in het Duitsch, een arbeid, dien hij later, toen hij in het gewone leven teruggekeerd was, voortzette, daarbij geholpen door zijn vriend Melanchton, die doorkneed was in het Grieksch.
In zijn persoonlijk leven kwam een groote verandering, toen hij in 1525 huwde met Catharina van Bora. In zijn huisgezin vond de Hervormer altijd weer teederheid en bemoediging, als de stormen woedden om den eenzamen wachtpost, dien hij betrokken had.
Toch stierf hij niet als martelaar. Hij voelde zijn einde naderen en wilde nog gaarne naar Eisleben, waar hij geboren was en waar hij als scheidsrechter zou optreden tusschen de graven van Mansfeld. Zijn laatste preek te Wittenberg klonk als een afscheidswoord. Toen hij na zijn bezoek aan Eisleben, waar hij een verzoening tot stand had gebracht, naar huis terug wilde, werd hij bedlegerig. De zwakte nam onrustbarend toe, hij voelde, dat het zijn sterfbed zou worden, maar op de vraag van Justus Jonas, zijn trouwen medearbeider: „Eerwaarde vader, wilt gij op Christus en de leer, die gij gepredikt hebt, standvastig sterven?"" antwoordde hij met heldere stem: „Ja". In den nacht van den 18den Februari 1546 ontsliep de groote Hervormer. In de Slotkerk te Wittenberg, dicht bij den kansel, ligt hij begraven. Voor zijn bedroefde gemeente en allen die over zijn dood weenden, liet hij het lied vol vertrouwen na:
Een vaste burg is onze, God,
Een toevlucht voor de Zijnen!
Al drukt het leed, al dreigt het lot,
Hij doet Zijn hulp verschijnen!
De vijand rukt vast aan
Met opgestoken vaan;
Hij draagt zijn rusting nog
Van gruwel en bedrog,
Maar zal als kaf verdwijnen.

Door 't geloof alléén.
Telkens als de Hervormingsdag komt, wordt door de Modernen het praatje weer opgehangen — en de menschen schijnen het gewillig te slikken wat men daar de goedgeloovige schare voorzet — dat het beginsel van de Reformatie is geweest: de mensch moet naar de inspraak van z'n geweten leven! Dat heet dan het protestantsch beginsel. Méér niet, ook niet minder. De Roomsche Kerk had de menschen aan banden gelegd en de gewetens der menschen geheel onderworpen aan hetgeen de priester leerde, maar toen is Luther gekomen — zegt men — en heeft den menschen geleerd, dat ze naar hun consciëntie zouden handelen en wandelen als vrije christen-menschen!
De mensch op z'n geweten aangewezen dus!
Maar wie vertelt, dat dat nu het een en het al is wat de Hervorming gebracht heeft, die heeft toch wel een gebrekkige historiekennis; die is toch wel weinig psycholoog, die kent toch wel bijster slecht wat er in hoofd en hart van duizendmaal duizenden omgaat.
Natuurlijk leert de christen — ook de protestant — dat een mensch niets tegen de stem van zijn geweten in, doen mag. Want als zijn geweten hem waarschuwt en hij doet het toch, dan bewijst hij dat hij durft doen wat hij niet mag doen. Geen verkrachten van het geweten dus.
Maar daarbij was er een geheel ander beginsel nog in het spel. En dat was eenvoudig dit, dat Luther, een zondaar voor God geworden, in allerlei weg zocht zichzelf op te werken en zichzelf te rechtvaardigen voor 's Heeren aangezicht, wat hem in den weg van goede werken niet gelukte. 't Werd één groote teleurstelling. En toen viel iets anders in zijn ziel. Niet de weg van zelfrechtvaardiging; niet de weg van zichzelf opwerken tot den staat der rechtvaardigheid voor God. Dat werd Luther geheel uit de hand geslagen. En als al die mooie, groote, kerkelijke dingen stukgeslagen zijn, roept zijn ziel: Wat nu, o God?
En het antwoord is: slechts door het geloof kan de zondaar zalig worden. Dat is nu alles wat overblijft voor een arm, verdoemelijk zondaar voor God: slechts door het geloof! alleen door het geloof! laat alles varen, om slechts het geloof te bewaren.
Veel minder dan al die drukke, heilige, kerkelijke, goede werken dus. 't Is slechts geloof! Maar dan komt alles ook in Christus te liggen, om dan alles, wat een volkomen verzoening werkt door het geloof aan te nemen. Slechts het geloof kan hier heil en redding brengen.
Daar houdt alle menschelijke gerechtigheid op. Dan wordt alles zonde en schuld en oordeel voor ons. Dan wordt zelfredding onmogelijk. Dan blijft slechts het geloof over, om — neen! niet een huis van eigengerechtigheid in elkaar te timmeren; maar om te gelooven in Jezus Christus, Sions Middelaar en Verlosser.
De Modernen zien dat niet en gelooven dat niet. Die verwijzen den mensch naar zichzelf, om als vrij mensch te leven naar de inspraak van het geweten, om als fatsoenlijk mensch religieus zich te oriënteeren; waarbij het Evangelie dan is — volgens hen — dat een mensch, die naar z'n geweten handelt, zich gelukkig voelt, enz. Zelfverlossing door den braven mensch!
Maar dat heeft Luther niet geleerd, noch ook Zwingli of Calvijn. De groote Reformatie heeft ons gansch iets anders gebracht. En wel: een arm zondaar en een rijken, algenoegzamen. Christus door het geloof verbonden.
Vraagt men dan ook Luther: wat is de weg der zaligheid? dan is zijn antwoord: niets anders dan „gelooft in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden". Dan leert hij ons: werpt alles weg en laat alles varen, om slechts over te houden het geloof, dat God zondaren om niet, zonder de werken der wet, rechtvaardigt enkel en alleen om de verdiensten van Christus.
Dat is de ontmanteling, de aftakeling van al het pompeuse, van al het drukke en pronkerige van Rome's Kerkleer. Zóó, dat er tenslotte slechts dit eenvoudige overblijft: gelooft in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden. We hebben Christus weer teruggekregen door de Hervorming. De maagd Maria, de heiligen, de paus, de priester, de aflaat, vasten, bidden, bedevaart, alles en alles bij elkaar is opgenomen en in de zee geworpen en Christus, het geloof eens zondaars in Christus, is naar voren gebracht en in eere hersteld.
Poover resultaat in vergelijking van wat er was? 't Zij zoo! Maar dat poovere, eenvoudige is méér waard dan al dat veelvoudige en rijk uitgedoschte van Rome's Kerk.
En dat eenvoudige verwerpt de Moderne nu. Dat echt-reformatorische haat de Moderne. Heel het leven, het zondige leven, moet in het geloof betrokken worden, in het geloof in Christus, zegt de Hervorming. Maar de Moderne mensch trekt het alles in „netjes leven naar de inspraak van z'n geweten". Een kwestie van zedelijk leven, niet van geloofsleven. Een kwestie van zelfbeschikkingsrecht en eigen hulp bij ongelukken; geenszins een zich onderwerpen aan Sions Koning en een leven door genade in den weg des geloofs. Dat is de armoede van het Modernisme! De vogels schreeuwen van honger, maar in 't raam ligt geen korreltje brood. Wel mooie steentjes. Maar daar kan niemand van leven. Een hongerige ziel gaat er bij dood.

Arm Rome.
Ook Rome zal dezer dagen haar stem weer verheffen tegen die verwenschte Hervorming, met onvriendelijk noemen van de namen van Luther, Zwingli en Calvijn. Rome is achter gebleven. Zij heeft geweigerd zich te bekeeren tot God en over te komen in den weg naar 's Heeren Woord, om te prediken den rijken en alleen-zaligmakenden Christus.
Daar zit Rome nog in haar armoede! Zielen roepen om brood, en steenen worden voorgezet. Gebeden doen, rozenkransen draaien, biechten, vasten, geld betalen, missen laten lezen, enz. enz., dat is alles wat Rome predikt en gebiedend oplegt aan arme zondaarszielen.
Zonder eenig zelfonderzoek moet de Roomsche maar aannemen wat de priester leert. De paus — de geestelijkheid, als het uitverkoren erfdeel — zegt met onfeilbare zekerheid wat waarheid is en geeft met goddelijke autoriteit uitlegging en toepassing van die waarheid. Alle bisschoppen saam zijn niets in vergelijking van den paus en aan de leden der Kerk is alle recht van vragen en oordeelen tegenover de geestelijkheid ontzegd.
De Heilige Schrift wordt ten bate van de Kerk gedegradeerd en ziet zich voorbij streven door de traditie en dat werkt een onwaardige lijdelijkheid en onvergeeflijke lichtgeloovigheid in de hand.
Intusschen lijden de zielen armoe en gebrek. Zondaarszielen worden afgescheept met valsche leeringen en het is gebod op gebod, regel op regel. Maria en de heiligen staan Christus in den weg. En alles komt hierop neer: doe wat de Kerk u voorschrijft en gij zult zalig worden. Die z'n plichten doet, is binnen, die de inzettingen en voorschriften van den paus niet houdt, is onherroepelijk verloren. Niet de wedergeboorte des harten, niet het oprecht, waar, zaligmakend geloof staat in het middelpunt, niet Christus en Gods Woord, maar het is altijd wat Rome's Kerk leert, voorschrijft, oplegt om dat te doen.
Zoo kan een ziel zich krommen en een arm zondaar kan zich afsloven, om alles te doen — en ledig wordt de mensch weggezonden. Eeuwige, vrije, rijke genade in Christus voor een arm zondaarsvolk wordt er niet geleerd. Wat zijn wij, in onze Hervormde (Geref.) Kerk, dan rijk!
Neen — niet door onszelf, maar door des Heeren ongehouden rijke genade en milde goedheid, Die ons het eeuwig Evangelie des Kruises heeft gegeven en de prediking van Hem, Die gezegd heeft en nog zegt: ,,Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven". Dat velen door de werking des Geestes een rijken zegen des Evangelies mogen genieten en dat wij denken mogen aan de armoede van Rome, doende wat onze hand vindt om te doen, opdat ook onzen naaste mag worden bekend gemaakt de schat, welken de Heere ons toebetrouwde en liefderijk gaf.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 november 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 november 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's