Petrus en Jezus
Hij zei: ik ben niet. Joh. 18 : 17b
Petrus en Jezus. Deugt die volgorde wel? U hebt gelijk; wij lopen het gevaar, dat Petrus Jezus van zijn plaats verdringt, omdat wij ons met Petrus bezig houden. Dat gevaar is in de lijdensprediking niet denkbeeldig. Wij beschrijven hem dan ten voeten uit en we houden beschouwingen over de verloochening. Ondertussen vergeten wij, dat Petrus zijn plaats vindt in het lijdensevangelie, dat wil zeggen: Jezus staat in het middelpunt.
Wij moeten toegeven, dat aan Petrus een grote plaats wordt ingeruimd, maar niet ten koste van Jezus; hoe zou het kunnen? Zijn diepe val wordt ons niet verzwegen, opdat geen vlees zou roemen bij God. Jezus echter drinkt de beker, die tot aan de rand gevuld is met oordeel en toorn, angst en smart. Petrus perst daarin enkele zeer bittere druppels, wanneer hij Jezus zo nadrukkelijk in de steek laat.
Jezus wordt gaandeweg een eenzame. De schare is al uit ons gezichtsveld verdwenen; de twaalf — wel geteld zijn het er nog maar elf — verlaten Hem allen, laten Hem alleen. Dat is lijden voor Jezus geweest, het heeft Zijn lijden verzwaard. Onlangs had Hij hun nog verzocht bij Hem te blijven; ze hadden dat nauwelijks gedaan. Nu doen ze het helemaal niet meer. En, wat erger is: God gaat Hem verlaten, God stoot Hem terug in een isolement, waarin het niet uit te houden is. Hij spreekt niet meer met Hem; Hij doet geen teken Hem ten goede. Dat is helleangst en hellesmart. Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten. In de geschiedenis van Christus' 'verlating', die haar dieptepunt aan het kruis bereikt, moeten wij de verloochening inschuiven; want Petrus verlaat Hem nog volstrekter dan de andere discipelen.
Petrus. Eerst zou hij met Hem sterven; daarna voor Hem vechten; toen van Hem vandaan vluchten en tenslotte Hem verloochenen. Petrus doet Jezus zo'n ontzettende pijn. Niet met opzet, dat niet. Hij is weggelopen uit Gethsemané, met de anderen, maar hij keert al spoedig op zijn schreden terug. Is er dan toch nog hoop voor Jezus? Houdt Hij tenminste één van zijn leerlingen over, die Hem niet loslaat? En Simon Petrus volgde Jezus. Dat klinkt net als vroeger; Jezus had hem geroepen van het schip en de netten, achter zich: Volg Mij. Petrus was Hem gevolgd en hij is 't nog van zins. Valt het dan nog mee? Zal Simon Petrus voet bij stuk houden? Hij is trouwens niet alleen, een andere discipel, naar alle waarschijnlijkheid Johannes, loopt voor hem uit.
Het schijnt zo mooi, maar schijn bedriegt. Volgde: Had Jezus dat gezegd? Integendeel! U herinnert uJiet gesprek dat zij over dat volgen voerden, Jezus en Petrus. Simon Petrus zei tot Hem: Here, waar gaat Gij heen? Jezus antwoordde hem: Waar Ik heen ga, kunt gij Mij nu niet volgen, maar gij zult Mij namaals volgen. Petrus zei: Here, waarom kan ik U nu niet volgen? ik zal mijn leven voor U zetten. Jezus antwoordde hem: Zult gij uw leven voor Mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: de haan zal niet kraaien totdat gij Mij driemaal verloochend zult hebben.
Simon slaat de waarschuwing van Christus in de wind. Nu wèl. Hij weet het beter dan de Meester. Is dat volgen? Hij loopt Jezus voor de voeten en maakt het Hem o zo moeilijk. We kunnen hem niet van liefdeloosheid beschuldigen, maar het ongeloof speelt hem parten, daarom loopt het zo verkeerd af met die liefde. Petrus gelooft de waarheid over zichzelf niet. Hij vertrouwt meer op zijn eigen standvastigheid, dan op de woorden van Jezus; hooggevoelende, waagt hij er alles aan. Wat een smaad voor de Here Jezus, zijn eigen leerlingen geloven Hem niet. Zij bewaren zijn woord niet en gaan hun gang, dwars daartegen in.
De andere discipel is een bekende van de hogepriester en wordt, zonder veel moeite, binnen gelaten. Dan merkt hij, dat Petrus nog op straat staat; hij spreekt met de portierster en krijgt van haar gedaan, dat Petrus ook binnen mag komen. Een vriendendienst, maar een kwade dienst. Zij hebben hier geen van beiden iets te maken en begeven zich moedwillig in gevaar. De eigen wijsheid is eigen gerechtigheid; het hart hecht zich aan dwaze hovaardij.
En dan gebeurt het. De deurwachtster, een huisslavin is wat nieuwsgierig uitgevallen. Zij kent Johannes en weet natuurlijk, dat deze een discipel van Jezus is. Jezus heeft meer discipelen; zou die ander er ook één van zijn? hij komt haar bekend voor: Zijt gij ook een discipel van deze mens? Het klinkt wat verachtelijk, deze mens. Maar Jezus is verachtelijk in aller oog. Hij werd als een misdadiger binnengebracht. De zoon des mensen, werd deze mens. Ziet, de mens. Ziet u meer in Hem? Is deze niet de Christus!
Gij behoort toch ook tot Zijn discipelen. Het is maar een vraag, en waarschijnlijk bedoelt ze er niets kwaads, niets dreigends mee. De schrik krijgt Petrus te pakken. Wat was hij van plan? Toch zeker om er voor uit te komen, dat hij bij Jezus hoorde, dat Jezus op hem rekenen kon. Hij zal zijn eigen woorden waar maken, hoe dan ook. Hij is er zeker van. Die gewaande zekerheid stort als een kaartenhuis in elkaar. Hoor, hij zegt: ik ben niet. Op een simpele vraag, dit rampzalige antwoord. Hoe is het mogelijk. Hij wordt niet gepakt en voor de hoge raad gesleept om zich te verantwoorden. Het vrijgeleide dat Jezus aan zijn jongeren heeft gegeven, blijft van kracht: Laat dezen henengaan. Hij antwoordt op de vraag van een dienstbode, die ze plagend stelt. Weinig woorden: ik ben niet, en hoe hamert zijn hart.
Jezus zei: tot hen, die Hem gevangen namen: Ik ben het. De soldaten stonden dreigend tegenover Hem en Hij deed de goede belijdenis gestand. Hij schaamde er zich niet voor, dat Hij Jezus was. Hij kwam er voor uit, al wist Hij, wat Hem allemaal zou overkomen. En Petrus op zijn beurt? Ik ben niet. Dat betekent: ik hoor er niet bij, ik hoor niet bij Hem. Jullie hebt de verkeerde voor. Ik dacht, dat Petrus de belijder bij uitstek was. Petrus dacht het ook, en . .. zijn belijdenis valt hier in duigen. Christus is de Belijder. Alleen in geloofsgemeenschap met Hem kan er van een goede belijdenis sprake zijn. Denkt daaraan in deze weken van 'belijdenis doen'. Houdt Hem in het oog.
Ik ben niet. Daarmee haalt hij een streep door de meest beslissende gebeurtenis van zijn leven. Had hij niet te vaak gezegd: Ik zal, ik heb. Nu zien wij wat het waard is; zijn ik gaat overstag; het schip schept water, het kapseist. O wee, de wereld en de duivel drijven ons in het nauw: zijt gij ook niet? Wat waren wij er blij mee, en rijk. Nu valt het ons uit handen:
ik ben niet. Hoe ernstig meenden wij het. Wilt gij ook niet weggaan vroeg Christus. Tot wien zullen wij heengaan, Gij hebt de woorden van het eeuwige leven. Wij kunnen niet weggaan, uw woorden namen ons gevangen, we zijn geen vrij man meer. En het was nog waar ook. Vlees en bloed hadden dat niet geleerd, zij namen het niet. Vlees en bloed spreken het tegen: ik. ben niet. Zij komen hier aan het woord, omdat Jezus' woord niet ernstig genomen werd. En zo gaat het nog. Christus wordt verlaten, door vlees en bloed, hoe vroom wij het bedoelen, verraden, verloochend en verkocht. Wie het leest, die vreest: ik ben niet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's