Uit het kerkelijk leven.
Niet ziende — zien
De dingen die men ziet — die het zullen het ten slotte niet doen.
De dingen die men niet ziet -- die zullen het tenslotte doen.
Abraham zag zijn eigen lichaam en hij was oud ; 't was alreede verstorven, alzoo hij omtrent honderd jaren oud was.
Abraham zag zijn vrouw en wist dat de moeder in Sara verstorven was.
Maar hij zag niet op de dingen die gezien werden en hij geloofde tegen alle hope in, dat hij zou worden een vader van vele volken. Hij twijfelde niet door ongeloof aan de beloftenis Gods, maar is gesterkt geweest in 't geloof. Lees Romeinen 4 vers 19—22 !
Wat hij zag — dat zou het ten slotte niet doen.
Wat hij niet zag —-dat zou het brengen !
Hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof, maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende Gode de eer ; ten volle verzekerd zijnde dat hetgeen beloofd was de Heere ook machtig was te doen.
Daartegenover staat Sara's lachen voor alle eeuwen geboekstaafd als een teeken van kleingeloof. Zij zag 't geen zij zag. En ziende op 't geen voor oogen was, lachte zij ongeloovig, niet geloovende, dat gebeuren zou 't geen zij niet zag. Zij lette op het zichtbare en verwaarloosde Gods beloften.
Het wezen des geloofs bestaat in het zich geheel toevertrouwen aan den Heere en onvoorwaardelijk aanvaarden van wat Hij heeft gesproken ; een zich geloovig toevertrouwen aan den Heere, met verwaarloozing, ja verachting van alles wat de zienlijke dingen zeggen.
Zoodra ons eigen ik, ons eigen vleesch aan 't woord komt, gaat het mis. Zoodra wij gaan rekenen met ons verstand laten we de dingen Gods los. Dan raken wij uit het goede spoor. Dan gaat ons geloof inzinken. Dan gaan wij wankelen. Dan gaan wij onder. Dan is 't verloren.
Een wondere weg, een moeilijke weg is de weg des christens, de weg des geloofs !
Want zeer zeker mag hij niet onverschillig zijn voor de werkelijkheid. Hij moet acht geven op 't geen geschiedt, op de dingen die hem omringen, op de teekenen der tijden.
Maar met prijsgeving van wat de werkelijkheid, de zoogenaamde werkelijkheid, hem predikt, moet hij zich leeren verlaten op den Heere, op Zijn Woord, op Zijn beloften.
Niet in wat onze oogen zien en onze handen tasten ligt de grond voor ons bestaan. Maar in 't geen wij niet zien. In God.
Gelooven schijnt zoo gemakkelijk. 't Is inderdaad zoo moeilijk. Omdat het zoo weinig reëel schijnt.
Daarom meende Sara ook te mogen lachen, ziende op haar ouderdom, op haar lichaam, op de werkelijkheid haars bestaans. Maar Abraham geloofde — want wat God beloofd had was Hij machtig ook te doen.
Nu hebben wij niet zulke particuliere, bizonder omschreven beloften. Daarin stonden de geloovigen van het Oude Testament anders dan wij. 't Schijnt, dat zij er beter aan toe waren. Maar dat is maar schijn. Want alles wat toen bizonder en extra ordinair was, dat is nu geopenbaard in Gods Woord, in de Heilige Schrift, in den Bijbel. Dat is nu geopenbaard in Jezus Christus. Dat is zeer vast onder ons.
Voor de aloude Hervormde (Gereformeerde) Kerk heeft God niet eene speciale belofte, niet een afzonderlijk woord gegeven.
Natuurlijk niet.
Maar dat is ook niet noodig. Want wat wij hebben moeten voor die Kerk onzer Vaderen, voor die Kerk, welke de Heere Zelf in dezen lande geplant heeft, hebben wij in den Bijbel. Dat is. de heerlijkheid van de Nieuw Testamentische openbaring, dat het speciale niet noodig is nu, daar wij het in volheid hebben in Gods getuigenis, door den Heiligen Geest gegeven, in welke waarheid de Heilige Geest ook wil onderwijzen en inleiden allen die Hem vreezen.
En zoo worden wij ook nu geroepen tot een weg des geloofs.
Dat is tot een weg, om niet te zien op wat wij zien. Want wat gezien wordt zal 't ten slotte niet kunnen doen. Maar om te zien op 't geen wij niet zien, daar hetgeen niet gezien wordt 't ten slotte doen zal.
Met de werkelijkheid, die doet wanhopen, zooals het lichaam Sara deed wanhopen, moeten wij tot den Heere, die het beloofd heeft en machtig is om het óók te doen.
In Abrahams weg moeten wij wandelen, „welke tegen hope op hope geloofd heeft" en „niet verzwakt zijnde in 't geloove heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat alreede verstorven was, alzoo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was ; en hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof, maar is gesterkt geweest in 't geloof, gevende Gode de eere , en ten volle verzekerd zijnde dat hetgeen beloofd was, hij ook machtig was te doen."
Of er dan beloften Gods zijn in deze ?
Natuurlijk. Wij hebben Gods Woord, dat zeer vast is en dat nuttig is tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is.
En dat Woord zegt zoo heel veel aan 't adres van Gods Kerk. Dat onderwijst ons aangaande 't geen met de plantinge Gods geschieden kan en geschieden zal. En waar de Heilige Schrift getuigt van Gods oordeelen en straffen, daar betuigt het overal, dat de Heere smarten lijdt om de wille van de verwoestingen Zijns werks, steeds dreigend met gruwelijker oordeelen, als men volhardt in het kwade, maar ook steeds, tot diepe beschaming van Gods volk, met teederheid betuigend, dat Hij genadig wil zijn en Zijn toorn zal doen eindigen, indien er slechts een oprecht begeeren openbaar wordt, om weder te keeren tot den Heere en het kwade weg te doen en het goede te betrachten naar Zijn Woord.
Die belofte ligt er !
Die belofte ligt er voor de Kerk, welke de Heere Zelf in dezen lande geplant heeft; ook als het zwijn uit het woud den wijngaard des Heeren heeft omgewroet. (Psalm 80).
Voor dezen wijnstok des Heeren liggen er beloften. Niet speciale beloften, op extra ordinaire wijze gesproken. Maar wij hebben Gods Woord, dat zeer vast is en schijnt als een licht te midden van de duisternis. Gods Kerk heeft daarin een heerlijken schat !
Zoolang wij dus de Ned. Herv. (Geref.) Kerk beschouwen als een overblijfsel naar de verkiezing Gods ; als gespaard door den Heere in dezen lande ; als de Kerk, waarin het lichaam van Christus nog openbaar wordt en waar Gods Woord en Gods Geest nog gevonden wordt en Gods volk nog vergaderd wordt, — zoolang liggen daar de beloften Gods, ons niet speciaal, op hoorbare wijze, op extra ordinaire manier uit de lucht geopenbaard ; maar beschreven met de vingeren des Heiligen Geestes in dat Boek, dat eeuwig blijft !
En nu gaat het om den weg des geloofs.
Om dien weg, waarin wordt prijsgegeven alles wat de zoogeriaamde werkelijkheid ons predikt en waarin met een geweldige en heilige zelfverloochening alles gelegd wordt in de hand des Heeren, ons op Hem verlatend, die het beloofd heeft en Die machtig is om het óók te vervullen.
Wat heeft Hij dan beloofd?
Wat zal Hij doen ? Wat zal Hij waar maken ?
De Heere, die wonderlijk van raad is en groot van daad (Jesaja 28 vers 29) heeft beloofd, dat in het wederkeeren tot den Heere groot heil ligt ; dat in het houden van Zijn geboden groot loon ligt; dat in het wederkeeren tot Hem het leven en de genezing ligt; dat Hij de God is, die mildelijk vergeeft en niet verwijt.
Dat Hij de God Is die niet afbreekt, als men naar Zijn stem wil luisteren.
Dat Hij de God is, die wonderen doet voor allen die gelooven en dat Hij niet zal laten varen, de werken Zijner handen.
Of dat speciaal geopenbaard is voor de Hervormde Kerk van Nederland?
Neen !
En ja — toch !
Ga voor de Ned. Hervormde Kerk van Nederland.
Gelijk voor alles wat de Heere geplant heeft.
Dit is Zijn beloftenis dat Hij wil behoeden en bewaren, indien men tot Hem leert wederkeeren.
Dit is Zijn bedreiging, dat Hij zal uitroeien, indien men zich verhardt.
En daarom, wij hebben de beloften Gods, die zeer vast zijn.
Zien wij op 't geen voor oogen is, dan is het zonder hope. Maar ziende op den Heere gelooven wij. Waarbij de Heilige Schrift van Abraham getuigt : „welke tegen hope op hope geloofd heeft ; en niet verzwakt zijnde in 't geloove, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt dat alreede verstorven was en hij heeft aan de belofte Gods niet getwijfeld door ongeloof, maar is gesterkt geweest in 't geloof, gevende Gode de eer."
De werkelijkheid dan voor onze Hervormde Kerk ?
Zonder hope en zonder verwachting ! Tenzij zij wederkeert tot den Heere. Dan zal Hij wederkeeren tot haar.
Dat is de beloftenis Gods voor de Kerk, door Hem in dezen lande geplant, gegeven in Zijn Woord.
Zoo is er licht te midden van de duisternis.
En niet het zien op de werkelijkheid geeft hier geloof.
Het zien op den Onzienlijke sterkt alleen.
„Aan de beloftenis Gods niet twijfelende door ongeloof " Niet ziende — zien !
De verkiezing toi het ambt.
I.
Wij hebben de artikelen over het vrouwenstemrecht in de Kerk beëindigd. Men weet nu, boe wij ongeveer over deze zaak denken en wat onze conclusie is geweest met het oog op de practijk van ons huidig kerkelijk leven. Hoewel tegenstander van het vrouwenkiesrecht hopen wij, dat alle vrouwen, die voor de Gereformeerde Waarheid voelen, waar het met het oog op de plaatselijke toestanden noodig is, mèt de mannen naar de stembus zullen gaan straks. Wij laten onze Hervormde Kerk niet los ! De mannen niet en de vrouwen niet. En verder geven wij het dan over aan Hem, Die alle dingen stuurt naar Zijn raad en welbehagen.
Al schrijvende over het vrouwenstemrecht zijn wij telkens bij de kwestie aangeland : hoe moet nu toch eigenlijk de verkiezing tot het ambt (van ouderling en diaken) en de beroeping van predikanten geschieden ? En al snuffelende in allerlei geschriften is het ons duidelijker nog geworden, dat men heel dikwijls maar wat gescharreld heeft in deze, daar men eigenlijk niet goed wist, (vooral ook met het oog op de practijken van het kerkelijk leven) hoe men handelen moest. En niet altijd is de plaats van het ambt en de plaats van de gemeente juist geweest, ook was niet steeds de verhouding van kerkeraad en gemeente goed.
Wij willen, nu wij toch er mee in aanraking gekomen zijn, nog een en ander over deze aangelegenheid schrijven. Vroeger hebben wij dat al eens gedaan mee aan de hand van het boekje van prof. dr. H. H. Kuyper te Amsterdam „De verkiezing voor het ambt" (Leiden, D. Donner, 1900). Dat is en blijft een boekje, dat men niet dan tot schade ongelezen kan laten. Intusschen is er (na 1900) door anderen ook over deze kwestie wel geschreven en juist in deze dagen, nu bij ons, Hervormden, de praat nog al eens gaat over het vrouwenstemrecht, is men ook in „de Geref. Kerken" weer opnieuw aan 't schrijven gegaan over de rechte wijze van verkiezing in het kerkelijke. Laat ons daar ook nu iets over mogen zeggen.
Hoe moet de verkiezing tot het ambt of de beroeping tot predikant plaats hebben ?
Iemand schreef ons, dat, toen Ambrosius gesproken had in de dagen van de Ariaansche twisten, in de vergadering van de gemeente een kind riep : „Ambrosius moet onze bisschop zijn." En hoewel Ambrosius weigerde, liet de gemeente hem niet los en hij is bisschop geworden !
Wat men precies bedoeld heeft met dit schrijven weten wij niet, hoewel wij 't wel zoo'n beetje begrijpen.
Maar dit wijzen op een zeer bizonder geval geeft ons aanleiding om meer naar voren te brengen wat de Schrift ons leert en wat in het midden der Gereformeerde Kerk is voorgestaan. De roeping tot het ambt geschiedt middellijk. Wat de Heere doet aan de ziel laten wij buiten beschouwing. Maar niemand heeft het recht zichzelf als leeraar, of als ouderling of als diaken op te werpen of aan te bieden. Als dat gebeurt is het al mis. Dan is wel het vleesch werkzaam, maar de Geest ontbreekt. En de ellendige gevolgen van dat vleeschelijk, hoogmoedig, eigengerechtig optreden, zijn onberekenbaar.
Men moet dus in den middellijken weg geroepen worden tot het ambt. Daarom ook zegt art. 7 van de Dordtsche Kerkorde: „Het zal niemand, alhoewel hij een Doctor, ouderling of diaken is, geoorloofd zijn den Dienst des Woords en der Sacramenten te betreden, zonder wettelijk daartoe beroepen te zijn." En verder — omdat het in weerwil van deze bepaling toch telkens voorkwam, dat men zichzelf opwierp om te preeken enz. ! ~ bepaalde dat zelfde artikel : „En wanneer iemand daar tegen doet en meermalen vermaand zijnde, niet aflaat, zoo zal de Classe oordeelen, of men hem voor een scheurrnaker verklaren, of op eenige andere wijze straffen zal."
Men moet dus beroepen, benoemd, gekozen worden.
De ambten zijn ook niet een particuliere liefhebberij. De ambten zijn van Christus. „Hij heeft gegeven sommigen tot apostelen en sommigen tot profeten en sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leeraars" (Ef. 4 vers 11). En nu wil Hij, dat in het midden van Zijn Kerk, ook door die Kerk tot de ambten zal worden gekozen, opdat alles in het midden van Christus' Kerk eerlijk en met orde zal toegaan.
Daarom staat in art. 31 van onze Ned. Geloofsbelijdenis : „Wij gelooven, dat de Dienaar des Woords Gods, Ouderlingen en Diakenen tot hunne ambten behooren verkozen te worden door wettige verkiezing der Kerk." En in denzelfden zin wordt in ons Bevestigingsformulier gevraagd : „Of gij gevoelt in uw hart, dat gij wettiglijk van Gods gemeente en mitsdien van God zelven tot dezen heiligen dienst geroepen zijt ? "
Niet zichzelf opwerpen. Niet door Bisschop of Paus aangewezen. Niet door de Overheid beroepen. Niet door een Kiescollege verkozen. Neen, door wettige verkiezing der Gemeente. Waarbij nu in de Kerk van Christus naar de juiste samenwerking tusschen de ambten (de kerkeraad) en de gemeente gezocht moet worden •— waarbij wel eens blijkt, dat in den loop der historie de beginselen naar Gods Woord niet altijd consequent zijn doorgedacht noch ook overal in de practijk zuiver zijn toegepast. Waarbij ook juist voor onzen tegenwoordigen tijd allerlei vragen en allerlei moeilijkheden zich voordoen.
De roeping tot het ambt moet middellijk geschieden.
En die roeping moet geschieden door de gemeente, in naam van Christus.
Dat is naar de Schrift.
Wij hebben dat gezien bij de verkiezing van den opvolger van Judas (Handelingen 1).
En bij de instelling van het ambt der diakenen is de keuze niet anders. De gemeente verkiest. (Hand. 6).
In de bekende plaats (Hand. 14 vers 23) is het niet duidelijk hoe de gemeente medewerkt bij de verkiezing (de H. Schrift zegt hier en elders niet in bizonderheden hoe het verkiezingswerk toegaat). Wij lezen hier : „En als zij hun in elke gemeente, met opsteken der anden, ouderlingen verkozen hadden." volgens Calvijn beteekent dit, dat de gemeente de ambtsdragers koos „door opsteken der handen", onder leiding der apostelen. Dat is door nieuwere uitleggers wel betwijfeld. Die zeggen dan, dat het werkwoord, hier gebruikt, slaat op Paulus en Barnabas. Zij zeggen, dat Paulus en Barnabas alleen het werk der verkiezing deden. Maar anderen houden vol, dat het werkwoord, hier gebruikt, overeenstemt met de staatkundige practijk van dien tijd en wijst op een volksstemming en dus aangeeft, dat de gemeente in haar geheel heeft meegewerkt tot de verkiezing.
Veel is daarover geschreven ; maar met zekerheid is de beteekenis van dezen tekst niet vast te stellen. Maar wanneer Schrift met Schrift vergeleken wordt, is het méér dan duidelijk, dat de apostelen bij de verkiezing der ambtsdragers, welke door de gemeente geschiedde, de leiding hadden.
Van Titus wordt gezegd (2 Cor. 8 vs. 19), dat hij door de gemeenten verkozen werd om met Paulus te reizen. Hoe deze stemming door de gemeente plaats vond weten wij niet. Maar wel blijkt al weer, dat de gemeente een werkzaam aandeel had in de zending van Titus.
Tegen de medewerking van de gemeente bij de verkiezing van de ouderlingen is wel eens aangevoerd Tit. 1 : 5, waar Paulus schrijft : „Om die oorzaak heb ik u in Creta achtergelaten, opdat gij hetgeen, dat nog ontbrak, voorts zoudt terechtbrengen en dat gij van stad tot stad zoudt ouderlingen stellen, gelijk ik u bevolen heb." Rome heeft hieruit afgeleid, dat Titus buiten de gemeente om, de ouderlingen aanstelde. Maar dit wordt hier niet gezegd. Deze tekst doet alleen" duidelijk uitkomen, dat Titus moest zorgen, dat elke gemeente in het bezit moet komen van ouderlingen en dat deze door hem in den dienst moeten worden gesteld.
Paulus bedoelt hier dus te zeggen, dat Titus in de Kerken van Creta al wat aan de rechte ordening der Kerk ontbrak, terecht moet brengen, Maar hij zegt niet, dat Titus zélf de ouderlingen kiezen moet. Ongetwijfeld zal Titus den weg gevolgd hebben, dien de apostelen in Hand. 1 en Hand. 6 hebben gevolgd. Natuurlijk dat Rome er bij is, om Titus 1 vers 5 in Rome's voordeel uit te leggen en er mee te bewijzen, dat de gemeente niets te zeggen heeft en dat de Bisschop of de Paus heeft te benoemen, waarbij de gemeente alles maar goed moet vinden. Maar Calvijn heeft er al de aandacht op gevestigd, dat Rome hier feil gaat door die uitlegging. Want Calvijn merkt tegenover hen, die met Rome uit Paulus' woorden willen afleiden, dat Titus zelf, zonder medewerking der gemeente de ouderlingen aanstelde, op : „Het schijnt wel, alsof Paulus hier een groote macht aan Titus toekent, wanneer hij hem gelast aan het hoofd van elke gemeente ouderlingen aan te stellen. Dit toch zou een bijna Koninklijke macht zijn. Bovendien zou daarmede aan de gemeente haar recht om haar eigen ambtsdragers te kiezen, ontnomen worden. En dat zou een schenden wezen van geheel de heilige inrichting der Kerk. Het antwoord op deze bedenking is niet moeilijk. Paulus geeft hier aan Titus niet de macht om, naar eigen goedvinden, opzieners aan de gemeente op te dringen, maar beveelt hem alleen als leider bij de verkiezing voor te gaan, zooals noodzakelijk is. Het is n.l. een bekende manier van spreken, dat een consul gezegd wordt de andere consuls te verkiezen, wanneer daarmede bedoeld wordt, dat hij de volksvergadering houdt, waarin de verkiezing plaats vindt. Zóó wordt ook in de Handelingen der Apostelen 't zelfde gezegd van Paulus en Barnabas (n, l. dat wij ouderlingen kozen) wat niet zeggen wil, dat zij dit uit eigen machtsbevoegdheid deden, maar dat zij geschikte mannen, die door het volk verkozen werden, aanstelden." Wat Calvijn hier zegt (Calv. Opera LXX, 409) wordt door Calvijn op andere plaatsen herhaald en ook anderen dan Calvijn stemnien hiermee in. Zoo zegt B. Weiss in de inleiding op de Pastoraalbrieven, ' dat volstrekt niet mag worden geconcludeerd dat bij de keuze der ouderlingen de medewerking der gemeente was uitgesloten, omdat in 1 Tim. 5 vers 22 niet over de keuze der ambtsdragers, maar alleen over de inzetting in het ambt gesproken wordt, terwijl in Titus 1 vers 5 „een medewerking der gemeente bij de keuze der betreffende personen niet alleen niet uitgesloten, maar veeleer verondersteld wordt."
Calvijn zelf herhaalt deze dingen in zijn institutie boek IV, hoofdstuk III „Over de leeraars en dienaars der Kerk, hunne verkiezing en hun ambt", waarbij vooral van belang is, wat hij daar schrijft in § 15 : „De vraag is nu of een Dienaar moet verkozen worden door de gansche Gemeente, of door zijne ambtgenooten alleen met de ouderlingen, die tot de bediening der tucht gesteld zijn, dan of hij mag worden aangesteld op het gezag van éénen. Die dit recht aan een eenigen persoon toekennen, brengen bij hetgeen Paulus zegt tot Titus (1 vers 5). Zoo ook Timotheus (1 Tim. 5 vers 22). Maar zij dwalen, zoo zij meenen dat of Timotheus te Efeze of Titus op Kreta eene zoodanige heerschappij hebbe uitgeoefend om alles naar eigen goedvinden te beschikken. Hun gezag bestond alleen daarin, dat zij het volk met goeden en heilzamen raad voorgingen, en niet, dat zij alléén, met uitsluiting van alle anderen, deden wat hun goed dacht. En opdat ik den schijn niet op mij lade iets te verdichten, zoo zal ik dit met een gelijk voorbeeld bewijzen. Lucas toch verhaalt (Hand. 14 vers 23) dat door Paulus en Barnabas ouderlingen in de Gemeenten zijn aangesteld, maar hij wijst tevens ook de wijze of manier aan, wanneer hij zegt, dat zulks is geschied door stemming : verkiezende, zegt hij, in de Gemeenten ouderlingen door keurstemmen. Zij beiden (P. en B.) stelden dus die personen aan, maar de geheele menigte verklaarde met het opsteken der handen, zooals dat bij de verkiezingen onder de Grieken gewoonte was, wien zij begeerde te hebben. Het is inderdaad niet geloofelijk, dat Paulus aan Timotheus en aan Titus méér veroorloofd heeft dan hij zelf heeft gedaan. En wij zien, dat hij zelf gewoon was de opzieners te verkiezen door de stemmen des volks. Zoo moeten dan de straks aangehaalde plaatsen zóó verstaan worden, dat zij aan het gemeene recht der gemeente en aan hare vrijheid geen afbreuk doen. Cyprianus (Liber I epist. ) spreekt dus recht, als hij beweert, dat het van het Goddelijk gezag herkomstig is, dat de bedienaar van het heilige in de tegenwoordigheid des volks voor de oogen van allen verkozen en door het gemeene oordeel en getuigenis waardig en bekwaam geacht wordt. Want wij zien, dat dit naar het bevel des Heeren in de Levietische priesters is onderhouden geworden, dat zij het volk werden voorgesteld, vóór dat zij werden ingewijd (Lev. 8 vers 6 , Num. 20 vers 26). Op geen andere wijze wordt Matthias aan het gezelschap der Apostelen toegevoegd, op geen andere wijze worden ook de zeven diakenen verkozen dan in tegenwoordigheid en met goedkeuring des volks. Deze voorbeelden, zegt Cyprianus, bewijzen ons, dat de ordening van een bedienaar van het heilige behoort te geschieden alleen met medeweten en medewerking des volks, opdat zij recht en wettig zij, als zijnde beproefd door het getuigenis van allen. Zoo zien wij dan, dat deze roeping van een dienaar naar Gods Woord de wettige is, wanneer degenen, die bekwaam bevonden zijn, door de gemeene goedkeuring en toestemming des volks verkozen worden : en dat de andere Herders de verkiezing moeten leiden, opdat daarbij, of door lichtvaardigheid of door kwade practijken óf door verwarring door de menigte geen misslag begaan wordt."
Hieruit blijkt genoegzaam, dat volgens Calvijn, Cyprianus en anderen van 't begin af aan de verkiezing van ambtsdragers, onder leiding van de apostelen, en later van degenen, die in het ambt waren, door de keurstemmen der gemeente geschied is. Wat dan door Calvijn juist zoo breed naar voren wordt gebracht, in aansluiting aan andei'en, om de practijk van de Roomsche Kerk af te keuren. Daar toch werd aan de gemeente alle medezeggenschap ontzegd. De gemeente daar heeft niet te kiezen, maar alleen te volgen en te gehoorzamen. Daar is de Bisschop, de Paus, alles. Maar dat hiërarchisch stelsel is vierkant in strijd met de Heilige chrift. En het Gereformeerd Kerkrecht heeft dan ook andere lijnen getrokken. Geenszins echter, om de volkssouvereiniteit te proclameeren. Want dat zou evengoed in strijd zijn met Gods Woord.
(Wordt voortgezet).
Onze Liturgie.
VI.
Wij gelooven met de Deputaten der Gereformeerde Kerken, dat er volle aandacht moet geschonken worden aan de collecten. „De collecte is een zelfstandig element in de liturgie. Hier oefent de gemeente den dienst der barmhartigheid. Zij brengt den Heere hare offers. Als zelfstandig element in den eeredienst kan zij dus niet gehouden worden na het sluiten van den dienst, maar moet komen na het votum en vóór den slotzegen. In het liturgisch samenstel dient duidelijk uit te komen, dat de collecte een eigen plaats heeft." Dat beamen wij ten volle. Hoewel we reeds lieten uitkomen, dat wij toch niet aanbevelenswaardig vinden om de collecten te laten houden, terwijl het orgel speelt en de dienaar des Woords stil wacht tot „de dienst der barmhartigheid" is geëindigd. Laat men met het gewone collecteeren maar voortgaan, want hoewel er wel bezwaren tegen in te brengen zijn, weten wij tot op heden geen manier die beter is, dan rond te gaan met „den engelstok."
Wanneer de Deputaten zeggen, dat de collecte moet geschieden na het votum en vóór den slotzegen, dan is daarmee veroordeeld het collecteeren met „open schaal" aan de deuren bij het verlaten van het kerkgebouw. Want dat geschiedt na den slotzegen en valt dus na den dienst.
Wij, voor ons, kunnen dat niet zoo onvoorwaardelijk beamen. Want ja, in strikten zin is het na den dienst, maar het collecteeren op die manier bij bizondere gelegenheden veroordeelen wij geenszins. Laat het dan een gave mogen zijn, als vrucht van den dienst des oords en der gebeden !
Ook is wel als bezwaar tegen dat collecteeren met „open schaal" ingebracht dat het den hoogmoed der gevers kan prikkelen. Men geeft allicht méér, dan wanneer een zakje rondgaat. Want het wordt gezien dat men geeft en wat men geeft.
't Is waar. 't Gevaar is groot. Bij de „open schaal" de hoogmoed. Bij 't „gesloten zakje" de gierigheid. Wat is erger ? Zeg 't zelf maar. Zing daarbij Psalm 119 vers 18. Wij blijven dus de voorkeur geven aan de gewone collecten onder het zingen na het „groote" gebed.
En dan komt de preek. Dat is in den Protestantschen eeredienst het voornaamste. Neen, niet het eenige. Men moet niet naar de kerk gaan, alléén om de preek. Als het goed is, zal het gebed, zal het lied, zal de gave óók een plaats, liefst een breede plaats moeten innemen. Wat kan het gemeenschappelijk bidden heerlijk zijn ! Wat kan er kracht uitgaan van het gemeenschappelijk gezang ! Wat kan de dienst der barmhartigheid, met alles wat er bij hoort, van 't grootste gewicht zijn, voor het harte, dat niet onbewogen in Gods huis neerzit.
Jammer, dat veel dikwijls zoo buiten het hart kan omgaan. En gelukkig, als wij van jongsaf maar indrukken mogen hebben van deze dingen, die heilige en heerlijke dingen zijn, die de eere Gods en den welstand der ziel, den welstand der gemeente ook raken.
Maar de preek is en blijft dan toch wel mee het voornaamste ; voor den voorganger èn voor de gemeente.
Voor den dienaar des Woords — die er dagen mee loopen kan, met de vraag: wat zal ik Zondag preeken ? Om dikwijls met de din5> -en te worstelen ; te worstelen met hoofd en hart; waarbij niet zelden tenslotte de weg wordt vlak gemaakt, door Hem, Die zoo goed weet wat de prediker èn wat de gemeente noodig heeft; Die ook zoo goed weet, wat deze of gene ziel noodig heeft.
Waar wij als volgorde van den dienst genoemd hebben : voorzang, votum, zegen, het lezen van de Wet en het lezen van een gedeelte uit de Heilige Schrift, daarna gebed, tweede voorzang met collecte — daar behoeft aan het aflezen van den tekst niet meer het lezen van een Schriftgedeelte vooraf te gaan ; ook niet het houden van een voorafspraak. De gemeente is immers saamgekomen tot den dienst des Woords, waarbij de dienaar des Woords een gedeelte der Schrift voor de gemeente zal uitleggen, met toepassing naar alle kanten. Dan kome men dadelijk met den tekst, die te behandelen is. Om dien tekst te zetten in het verband en dien tekst naar zijn inhoud te ontleden. Waarbij de preek zooveel mogelijk als een eenheid moet uitkomen, waarom zij ook niet meer dan éénmaal door gemeenschappehjk zingen mag worden onderbroken.
Eerst dus het aflezen van den tekst. Dat is inderdaad een der belangrijkste oogenblikken van iederen dienst; èn voor de gemeente èn voor den dienaar des Woords van de grootste beteekenis.
Waar men wel eens gewoon is een hoofddeksel dn de kerk te gebruiken, daar wordt bij het voorlezen van den tekst pet, callotje, hoed afgelicht en het hoofd ontbloot. En in Hessen en Hongarije schijnt het gewoonte te zijn (of geweest te zijn) om allen eerbiedig op te staan bij het voorlezen van den tekst. Wel een bewijs, hoe hier en elders het tekst-aflezen beschouwd wordt als van hooge beteekenis. Waarom men ook goed doet gedurende het voorlezen van den tekst met het collecteeren te wachten ; waarbij de broeders diakenen stil hebben toe te luisteren en de gemeente ongestoord de gelegenheid moet hebben om den Bijbel daar op te slaan, waar het woord der overdenking staat opgeteekend.
De dienaar des Woords moet dan liefst gebruik maken van den Bijbel, die op den kansel ligt. Of ligt die er voor pronk ? En de gemeente moet voorzien zijn van een bijbel; en dan een bijbel met Oud-en Nieuw Testament ; waarbij helaas ! de opmerking moet worden gemaakt, dat velen zonder bijbel in Gods huis zitten.
Hierbij heeft ook de inrichting van 't kerkgebouw wel schuld. Want als er overal banken waren — en dan liefst banken waar de familie, vader, moeder en kinderen bij elkaar zitten —dan kon men gemakkelijk een „kerkbijbel" hebben en men kon er in iederen dienst gebruik van maken. Terwijl nu veelal èn door de stoelen èn door de verstrooide plaatsen in de hand gewerkt wordt, om maar zonder bijbel in de kerk te zitten. Met wat goeden wil is echter ook hier wel wat te verbeteren. Laat men ook in deze doen, wat eenigszins mogelijk is, opdat ieder toch een eigen bijbel hebbe in Gods huis. En dan een fatsoenlijk „kerkboek." Want — wij hebben wel eens een verzameling van kerkboeken gezien, waarvan we liefst maar niet al te veel zeggen. Men weet dat óók wel, dat het niet zelden losgetrokken banden zijn, met vodjes papier er tusschen! ..
De tekst is dan afgelezen. En de „bediening des Woords" heeft een aanvang genomen.
Hierbij doet zich de vraag voor : verdient het aanbeveling, dat de bedienaar des Woords elken Zondag weer een ander gedeelte van Gods Woord behandelt, of dat hij „vervolgstoffen" neemt ?
Er zijn gedeelten van het jaar, dat de tekstkeuze niet vrij is. Althans dat door den gang van het kerkelijk jaar als vanzelf de tekstkeuze bepaald wordt. Zoo in de adventsweken ; in de lijdensweken ; op de feestdagen. Wel is de dienaar des Woords dan óók betrekkelijk vrij, daar hem van hooger hand niet precies de tekst is voorgelegd. Maar door den gang van het kerkelijk jaar wordt dan toch de tekstkeuze bepaald, tenzij men dominé's heeft, — en die zijn er, helaas ! — die zich nergens aan storen en met adventsweken noch met lijdensweken zich ophouden, zelfs zich met de feestdagen niet inlaten met passende feeststoffen ; gelijk ze ook op Oudejaarsavond soms vergeten onder welke omstandigheden gewone menschen leven,
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juli 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juli 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's