Gods hand [3]
'...Laat mij toch in de hand des Heeren uallen; want Zijn barmhartigheden zijn zeer vele...' [1 Kronieken 21 : 13]
Wat staan er toch tegengestelde teksten in de Bijbel. Het lijkt soms alsof ze haaks op elkaar staan. Neem nu de woorden van David. Na zijn zonde, de volkstelling waarin hij zich als een - heidense koning heeft willen verzekeren van de grootheid van zijn volk en leger, ontbrandt de toorn van God tegen David. Hij heeft niet op de Heere alleen willen vertrouwen. Bij monde van de ziener Gad krijgt de koning de keuze uit drie straffen: driejaren honger, drie maanden vervolging door de vijand of drie dagen pest in het land. En dan die wonderlijke woorden van David. Hij heeft nota bene gezondigd tegen de Heere. Hij wordt zelfs gestraft en hij is zeer bang. Maar mét dat hij zegt dat hij zeer bang is volgt daar onmiddellijk op: 'laat mij toch in de hand des Heeren uallen; want Zijn barmhartigheden zijn zeer uele...'.
Het is een tekst die, zo lijkt het, haaks staat op de woorden uit de Hebreeënbrief: 'Vreselijk is het te vallen in de han uan de levende God' (Hebreeën 10 : 30). Toch doen we er goed aan te letten op het verband van deze woorden in Hebreeën 10. Het gaat in dit hoofdstuk over iemand die 'de Zoon uan God uertreden heeft en het bloed uan het testament onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en de Geest der waarheid smaadheid heeft aangedaan'. Het betreft hier dus de aangrijpende mogelijkheid dat iemand bewust de uitgestoken hand van God afwijst. Vooral dat bewuste afwijzen
heeft in dit tekstgedeelte de nadruk. Dat is toch ondenkbaar; eerst de uitgestoken hand van God willen aanvaarden en later in alle duidelijkheid die hand wegduwen. Het offer van Christus niet meer nodig hebben ejj verachten en glashard ontkennen dat de Heere door Zijn Geest met je bezig is geweest. Vreselijk! Het is regelrecht smaad aan de liefde en zorg van God. Het is smaad aan de oprechte trouw en genade van de Heere. Als daar geen verandering in komt gaat het echt volkomen mis. En dan klinkt die tekst: 'Vreselijk is het te uallen in de handen uan de leuende God'. Gods toorn moet wel komen over zulke mensen. Val zo niet in de handen van God. Wie de uitgestoken hand van God moedwillig blijft afwijzen valt alsnog in Zijn handen, maar dat betekent dan veroordeling. Het zijn heel spannende bijbelgedeelten. Want hoe vaak denk ik niet met de discipelen: 'Ben ik het Heere? ' Ben ik den het niet die die uitgestoken hand afwijs? Als ik eigen wegen ga. Als ik leef zonder dat anderen aan mij kunnen merken dat ik de Heere heb leren kennen. Als ik zondig, wijs ik dan niet die hand van God af? Doe ik Gods liefdevolle zorg in mijn bestaan dan niet smaadheid aan? Denkt u daar nooit over na? Of blijven zulke teksten ook bij u hangen? Zijn het misschien wel woorden uit de Bijbel die je vasthouden, verlammen en bang maken? Hoe ontkom je daaraan?
Het antwoord ligt in diezelfde handen. David spreekt ook over Gods handen, maar op een totaal andere manier: 'laat mij toch in de hand des HEEREN uallen; want Zijn barmhartigheden zijn zeer uele...'. Het is kenmerkend dat David spreekt van de hand 'des Heeren'. In de tekst in Hebreeën 10 voel je de afstand: de handen van de levende God. Bij David valt de bijzondere Godsnaam. En in die naam ligt de verklaring van zijn vrijmoedigheid. In die naam wordt de trouw van God aangeduid. De HEERE is de Getrouwe, Die uitziet naar een zondaar die wil terugkeren. Daar heeft David weet van. Een zondaar mag bij de God van Israël opnieuw beginnen. Ondanks terechte straf op de zonden. Ondanks datje terecht bang kunt zijn voor de gevolgen van de zonden, het oordeel. En tóch..., 'Iaat mij toch in de hand des HEEREN uallen; wantZijn barmhartigheden zijn zeer uele'. In handen van de vijand vallen betekent onzekerheid, onbarmhartigheid. Maar bij de Heere is dat fundamenteel anders. Vallen in Zijn handen betekent (ondanks ook straf) uiteindelijk barmhartigheid. David spreekt zelfs van meervoudige barmhartigheden. Hij heeft het kennelijk een en andermaal ervaren. Zo onverdiend goed is de Heere!
Wat een wonderlijk positief Godsbeeld heeft deze koning. Hij weet dat zijn God te vertrouwen is, ook al heeft hij tegen deze God gezondigd. Hij aanvaardt de straf. Maar hij weet ook dat God straft als een vader. En daarom blijft hij bij Hem schuilen; als er gestraft moet worden dan wil hij in Gods handen vallen.
Gods handen, hier beeld van Gods handelen, zijn oneindig barmhartiger dan die van mensen. Dat weet David. Dat mogen ook wij weten. Want het handelen van de God van Israël is in Christus compleet helder geworden. Hoewel het zo niet letterlijk in de onberijmde tekst staat wordt naar mijn gevoel toch in de berijming van Psalm 25 terecht gezongen: 'milde handen, vriend'lijk ogen zijn bij U van eeuwigheid'. Die handen en ogen zijn in Christus getoond op een weergaloze wijze. Zijn doorboorde handen zijn het die een zondaar opvangen.
Vallen in Gods handen; voor wie zich ondanks Gods genadeaanbod verhardt en zich van Hem afkeert is het vreselijk. Maar wie zich geen raad weet zonder redding en genade, die geve zich over in de hand des Heeren. Die zal zo ontdekken dat Zijn barmhartigheden zeer vele zijn. Probeer het maar gerust!
C. H. BAX, EDE
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
![Gods hand [3]](https://dewaarheidsvriend.digibron.nl/images/generated/de-waarheidsvriend/reguliere-editie/2001/11/08/1-thumbnail.jpg)
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's