Een woord ter bemoediging
Drie dagen voordat de synode bijeenkwam ontving ik een stapel stukken van enkele turven hoog, waarover de synodeleden zich moesten gaan buigen in haar driedaagse zitting, die maandag 1.1. begon en woensdag werd afgesloten.
Onder de stukken was het document, waarnaar menigeen al lang met spanning heeft uitgekeken. Ik bedoel de 'boodschap van voorlichting en bemoediging' die de synode zou zenden aan de gemeenten en waartoe zij een commissie in het leven had geroepen. Nog niet wetend hoe dit stuk in de synode ontvangen zou worden geef ik er mijn indrukken over. Volgende week hoop ik dan op de synodezitting zelf terug te komen.
Enkele opmerkingen vooraf
Voor ik aan het stuk zelf toekom moet ik eerst wat algemene opmerkingen kwijt. In de oorspronkelijke commissie hadden zitting: dr. C. P. van Andel, ds. M. v. d. Bosch, prof. dr. J. M. Hasselaar, prof. dr. A. F. N. Lekkerkerker, drs. A. Noordegraaf en prof dr. K. Strijd.
Prof. Strijd moest op medisch advies afzien van verdere medewerking, zodat hij geen enkele vergadering kon bijwonen en slechts schriftelijk zijn inzichten aan de commissie kon kenbaar maken. Prof. dr. A. J. Rasker werd echter bereid gevonden zijn plaats in te nemen. Ook prof. Lekkerkerker viel door ziekte uit. Met hem werd schriftelijk en telefonisch contact onderhouden. Hij werd niet vervangen. Door dit alles kreeg de commissie een uiterst eenzijdige samenstelling. Prof. Strijd mocht worden vervangen door een geestverwant. Prof. Lekkerkerker niet. Het gevolg is geweest dat ds. Noordegraaf in zijn eentje stem heeft moeten geven aan die kringen in de kerk die zich congeniaal voelden met het Getuigenis. Met nadruk wil ik hier mijn teleurstelling uitspreken over deze procedure. Men heeft door de samenstelling van de commissie de kring van hen, die geestverwant met het Getuigenis waren, voor een groot deel buiten spel gezet. In ieder geval is er bij voorbaat voor gezorgd dat de stem van het Getuigenis zeker geen dominerende zou kunnen zijn.
Dan een tweede opmerking vooraf. De commissie zegt in de begeleidende brief dat de opstellers weliswaar een collectieve verantwoordelijkheid hebben voor het stuk zoals het werd aangeboden, maar dat daarmee niet gezegd wil zijn dat er geen accentsverschillen in de commissie zouden zijn. Ieder van de leden, zo wordt gezegd, behoudt zich het recht voor om op de synode aan de discussie deel te nemen en zijn eigen standpunt of eventuele bezwaren toe te lichten.
Uit deze passage blijkt wel duidelijk, dat de commissieleden niet op één stoel zaten. Anders behoeft een dergelijke opmerking niet gemaakt te worden. Zou het stuk dan echter als boodschap ter bemoediging kunnen dienen? Moest het dan niet zo zijn dat de hele commissie het stuk met vreugde geheel zou hebben onderschreven? Uit het begeleidende schrijven blijkt verder wel dat de commissie dat woord bemoediging toch ook maar liever niet gebruikt. Ze biedt haar stuk aan als 'overweging ter bestudering en discussie'. Uit niets blijkt dat de commissie een stuk heeft willen geven waarvan ze de inhoud ziet als een zaak waarmee de kerk staat of valt. Inmiddels biedt het stuk zich in de eerste alinea wel aan als een 'schrijven tot de gemeenten en ambtsdragers om hen deelgenoot te maken van de zorg en de verwachting die in de synode leeft met betrekking tot de problematiek, die pastoraal en apostalair in het jongste verleden aan de dag getreden is'. Ook hier wordt het woord bemoediging vermeden. Een reden om al vooraf te veronderstellen dat de commissie zover niet kon komen. Maar daarom bezien we eerst de inhoud.
Polarisatie
Het in zes punten onderverdeelde stuk valt duidelijk in twee delen uiteen; delen die qua inhoud en vormgeving nogal uiteenlopen.
Begonnen wordt met op te merken dat er een vervreemdingsproces op gang kwam tussen mensen die tot dezelfde kerk behoren en tot dezelfde dienst worden geroepen. Er zijn reëele verschillen aan de dag getreden, die niet mogen worden toegedekt. Gezegd wordt dan: 'In de wijze van omgang zullen wij in elkaar de medegeroepene moeten aanvaarden, de mens die als voorwerp van Gods liefde daarom mede begrepen is in de roeping tot de opbouw van de gemeente’.
Het stuk van de commissie signaleert een weer opkomen van de oude richtingstegenstellingen in nieuwe vorm, een stuk polarisatie dat zich is gaan baanbreken. Anderzijds staat de kerk zelf — zo wordt gezegd — in een polarisatieverhouding tegenover de wereld. In dat verband wordt dan opgemerkt dat Gods openbaring de enige hoop der wereld is en geenszins vereenzelvigd mag worden met wereld of maatschappijbeschouwingen, waar gedachten van evolutie, revolutie of contrarevolutie een overheersende rol spelen.
De kerk en haar belijden
Als gesproken wordt over het belijden van de kerk wordt eerst geconstateerd dat er een geloofscrisis is door invloeden van buitenaf en van binnenuit. Daardoor zijn velen in de zuigkracht van het activisme gekomen. Voor de geloofscrisis, die aan de gang is, zijn de leidinggevende kerkelijke organen mede verantwoordelijk geweest. Er zijn namelijk een aantal 'niet verwerkte vragen' blijven liggen in de achter ons liggende jaren.
Dan wordt gezegd dat er dingen geweest zijn waarbij de gemeente tevergeefs heeft gewacht op een leidinggevend priesterlijk of profetisch woord. De 'God-is-dood' theologie is b.v. onweersproken gebleven, de vragen van b.v. de eschatologie, de ethiek, de 'almacht' van de wetenschap e.d. kwamen niet aan de orde. De kerk gaf geen wegwijzend antwoord. Gezegd wordt dat de kerk hier priesterlijke bewogenheid heeft te tonen. Kritisch laat het stuk zich vervolgens uit over opvattingen, volgens welke menselijke arbeid verstaan wordt als voortzetting van de heilsgeschiedenis, geïnspireerd door Jezus van Nazareth, die wel nieuwe impulsen schenkt, maar niet het laatste woord spreekt; of ook over een oecumenische houding, waarin de zorg voor de eenheid van belijden versmald wordt tot een gezamenlijke betrokkenheid op de wereld en haar vragen; of ook over uitspraken, waarin de institutaire en liturgische elementen in het leven der kerk worden bekritiseerd (en alras afgeschaft) als zijnde krachten van een verouderd 'establishment', die slechts vrijblijvendheid bevorderen.
Het stuk signaleert in de nieuwe theologie vervolgens een verwaarlozing van de eenheid van het Oude Testament en het Nieuwe Testament. Daardoor wordt de verbondenheid met de aarde tot aardsgezindheid en worden de profeten verstaan als idealisten, die aansporen tot activiteit voor een betere wereld als doel in zichzelf. Het profetische woord moet evenwel worden gehoord in het apostolisch woord en het apostolisch woord in het profetisch woord. Daarmee wil het stuk van de commissie de eenheid tussen oud en nieuw testament onderstrepen.
Tenslotte volgt dan inzake het belijden van de kerk een passage waarin gezegd wordt dat het tot de primaire taak van de kerk in de wereld behoort om de grote daden van God te verkondigen met de oproep aan ieder, die oren heeft om te horen, tot geloof, bekering en gehoorzaamheid. Gezegd wordt: 'Deze God, die de wereld tot aanzijn riep, nam in Zijn barmhartigheid het initiatief tot onze redding. In Zijn liefde gaf Hij ons zijn eniggeboren Zoon. Wij belijden dat het onze enige troost is in leven en in sterven het eigendom te zijn van Jezus Christus, die door Zijn kruis en opstanding onze schuld heeft verzoend en ons bevrijd heeft van de heerschappij der machten, zodat ons de bestemming tot het leven niet kan worden ontnomen. In Hem is het leven gegeven. Zijn opstanding uit de doden is de garantie voor de volle openbaring van Zijn Rijk. Het is Zijn Geest, die door de verkondiging oren en harten opent en die ondanks aanvechting doet volharden en doet vertrouwen op de vervulling van Gods belofte. Op grond van Zijn daden prijzen wij de Here God zelf: Vader, Zoon en Heilige Geest.’
En dan volgt nog een benadrukking van het belang van het pastorale werk, bezinning, gebed, studie, voorbereiding voor catechese en prediking door de predikers.
Wending
Na dit alles neemt het commissierapport echter opeens een duidelijke wending in stijl en inhoud. Dan gaat het onder het hoofd 'Polarisatie binnen de kerk', over het zich inzetten voor gerechtigheid en waarheid in de wereld. En dan moet opeens het vroom conservatisme het ontgelden. 'God is niet een waarborg voor de bestaande orde, maar Hij roept op tot strijd tegen de bestaande wanorde en drijft Zijn eschatologische gemeente, die reeds een nieuwe schepping is, voort naar de toekomst waarin alles anders zal worden. Het Oude Testament is het verhaal van een zich in de geschiedenis van Gods volk voltrekkende bevrijdingsbeweging. God zet zich in voor de mens en roept op tot bevrijdende gerechtigheid... In volle overeenstemming daarmee is het nieuwtestamentische getuigenis; de prediking van hoop voor alle verdrukten en vernederden, van vergeving en bekering voor alle zondaren op weg naar de toekomst, die de grens van de tijd weliswaar overschrijdt, maar juist daarom in deze aardse tijd ons roept en moed geeft in voorlopigheid en gebrekkigheid een maatschappijhervormde kracht te ontwikkelen.’
En dan wordt verder gezegd dat diegenen, die alle nadruk leggen op het ongerept en volledig bewaren van de schat des geloofs in persoonlijk geloof, bekering en heilszekerheid, toch in de verdenking raken dat er iets waar kan zijn van de these dat de religie een 'opium' van het volk is. Ook wordt gezegd dat het feit, dat de meer op persoonlijk gerichte prediking de kerken voller maakt, nog niet noodzakelijk pleit voor de waarheid van deze prediking.
En dan — let wel in het kader van de prediking — wordt gesproken over politiek en maatschappelijk 'omdenken', over het spreken van de kerk in het verleden inzake Nieuw Guinea en Indonesië, over het huidige verzet tegen de oorlog van Amerika in Indo China, de politiek van Portugal in Angola en Mozambique, tegen het starre dogmatisme van het russich communisme.
’Degenen die in dit opzicht actief zijn, en wier activisme bekritiseerd wordt, vragen aan hen, die menen dat het vooral op vroomheid des harten aankomt: heeft Gods werk niet geweldige dimensies, die de persoonlijke sfeer verre te buiten gaan? ’
Een voorlopige indruk
In alle voorlopigheid, vooruitlopend op wat op de synode behandeld zal worden (inmiddels behand is) maak ik puntsgewijs een aantal opmerkingen.
1. Duidelijk is dat de commissie er niet in is geslaagd een woord van bemoediging tot de gemeente te richten. Het kon ook niet. Daarvoor was de commissie te heterogeen, of in merendeel te eenzijdig. Het zou de kerk dan ook bepaald niet sieren als ze dit stuk als een stuk ter bemoediging zou laten uitgaan.
2. Het stuk is innerlijk zwak doordat het met zichzelf in tegenspraak is. Wat in het eerste deel wordt gegeven wordt in het tweede deel weer teruggenomen. Ik heb er niet veel moeite mee in het laatste stuk de inbreng van prof. Rasker te ontdekken. Wie zijn boekje 'Evangelie und Revolution? ' gelezen heeft herkent in dit stuk, wanneer het gaat over de politieke consequenties, allerlei punten, tot in de bewoordingen die gebruikt worden toe, uit het genoemde boekje.
Juist ten aanzien van dit punt echter zet dit stuk zich in voor een zaak, die in het Getuigenis is afgewezen. Het stuk trekt hier lijnen die zeer wel uit kunnen lopen op het politieke wetticisme, dat nu uitgerekend in het Getuigenis werd afgewezen, hartgrondig werd afgewezen. Men moet er het genoemde boekje van Rasker maar op nalezen om te zien hoe hij een en ander daar nader uitwerkt. Begrippen als: bekering, wedergeboorte, gerechtigheid en barmhartigheid zijn daar uitsluitend eschatologisch geladen etische noties, d.w.z.: ze hebben alleen met de onderlinge verhoudingen tussen mensen te maken.
3. Als ik globaal genomen dit stuk van de commissie moet beoordelen, dan is er slechts een zwakke relatie tot het Getuigenis. Wanneer dit stuk aan de kerk zou worden aangeboden en het nageslacht zou er later het Getuigenis naast leggen, dan zijn er vrijwel geen lijnen van het één naar het ander te ontdekken. Als ik een dergelijk stuk lees, dan is het alsof er de laatste maanden niets gebeurd is. Heeft de commissie de signalen dan niet verstaan, die in het Getuigenis gegeven werden en die door de gemeenten zijn opgevangen? Ook nu nog wordt immers in allerlei gemeenten over het Getuigenis, of liever over wat het bedoelde te zeggen, gesproken.
We hadden na het Getuigenis en na alles wat er over los gekomen is een beter stuk dan het Getuigenis mogen verwachten. Maar nu wordt een stuk geboden dat naar zijn inhoud vlak is, vaak gespeend is van de taal en de inhoud van het belijden en met zichzelf in tegenspraak is. Dat zeg ik ondanks goede dingen die met name het eerste deel van het stuk geeft.
4. Teleurstellend acht ik de uitschieters, die verschillende keren gegeven worden naar de kant van de persoonlijke vroomheid. Het Getuigenis wilde juist ook voor de persoonlijke vroomheid opkomen. Het wilde de gemeente van Christus bemoedigen, nu het persoonlijk geloof zo aangevochten wordt. De commissie spreekt echter laatdunkend over 'opium' van het volk. Dat is het wat me in dit stuk het meest heeft pijn gedaan. Ik weet het, in het begin staan enkele goede passages, worden duidelijk enkele ideologieën afgewezen en is er de nadruk op de enige troost in leven en in sterven. Maar wat baat het me dat ik dit alles geloof als het me in het slot van het stuk weer afgenomen wordt? Het stuk zegt eerst ja en later weer even stellig nee. En dan wordt de hele ideologie, die in het eerste deel wordt afgewezen, in het slot weer in principe binnengehaald. Juist op het terrein van de zogenaamde politieke prediking onderkenden we bij de opstelling van het Getuigenis de noodlottige tendenz om het evangelie te verhumaniseren en daarmee in feite te ideologiseren. In het eerste deel van dit commissierapport constateer je dat de opstellers dit gevaar ook onderkennen, maar in het laatste deel wordt een belijnd belijden inzake deze dingen weer haastig onderdrukt. In het laatste stuk worden de politieke activisten broederlijk geplaatst naast diegenen, die het te doen is om (ook) persoonlijke vroomheid. Daarmee dekt in feite dit stuk de geweldige controversen die hier in de kerk liggen, — het stuk spreekt ook zelf immers van richtingen — volkomen toe.
Ik heb na lezing van dit stuk dan ook maar één conclusie: Als de synode dit stuk aanneemt (aangenomen heeft), dan verwerpt ze daarmee de bedoeling van het Getuigenis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's