De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

13 minuten leestijd

Op den dorschvloer.

2 Sam. 24 : 16a, 17a.

't Is een half jaar geweest dezer dagen dat de groote wereldoorlog werd ontketend. Zes lange schrikkelijke maanden gingen voorbij en niemand kan er nog een eind aan zien. Wat schier nooit plaats grgpt, is hier feit geworden: het eindpunt schijnt zoek. Met de grootste vindingskracht kunt ge niet aanwijzen: , als dit of dat is gekomen is het uit."

Daar worden zelfs geene pogingen in het werk gesteld om den een of anderen staat op te roepen: doe gij een vredesvoorstel, want men weet niet wat te zeggen. Daar is niets wat aannemelijk schijnt. Ze moeten uitvechten.

Uitvechten !

Weet ge wat dit inhoudt?

Hebt ge dezen oceaan van leed gepeild?

O God, als dat het oordeel zijn moet: de oorlogsfakkel gaat uit omdat er geen kracht meer is om te branden, de volken zijn op.

't Is thans wel een oogenblik om tot ons zelf in te keeren.

Wat is de oorzaak?

Waar ligt de wortel van deze reuzenworsteling?

Ge zegt: dat is in één woord niet saam te vatten.

Ge hebt gelijk en ook niet.

Wanneer ge al de motieven naar voren brengt, dan heeft de een dit en de ander dat. Ze spreken allen van recht en van verdediging der vrijheid en duizend andere dingen.

Eén ding staat daarachter, in één woord kan 't saamgevat: het is een oordeel Gods, het is een tuchtiging des Heeren. De volkeren weken van Hem. Alle volkeren. Daarom is de tuchtroede opgeheven.

Alle volkeren? zegt ge.

Dus Nederland ook?

Probeer het, om één punt aan te voeren waarin het bij andere volken ten achter staat om God los te laten, om van de wegen zooals het Woord ze aanwijst zich af te keeren.

En dat is nu het wonder, een bewijs dat de Heere de zonde hier nooit vergeldt naar de mate harer grootte: Nederland bleef nog gespaard.

Zeker, alle gevaren zijn niet geweken. Wie dit meent, doolt. Eén vonk is genoeg en ook hier springt alles in lichtelaaie. Daar is maar één God, Die dat kan weren, en dit is Israels God, de God, Die in de dagen van ouds tot nu toe ons Nederland op de vleugelen van ontferming heeft gedragen.

't Kan niet tegengesproken, dat ook naar hier vanaf de bergen van leed, waardoor we van alle kanten zijn omringd, rivieren van jammer en ellende afvloeien.

Een druk op alle standen — vele takken van nijverheid liggen als gebroken. Daar is op menige plaats, waar ge 't niet zoudt zoeken, een stil hongerlijden, om van het vele, dat schreeuwt, niet te spreken.

Is daar geen reden te over, dat we ons zouden nederbuigen voor de aanspraakplaats van Gods heiligheid? Zouden we den Heere niet aanroepen?

Of we 't durven?

Bij den God van barmhartigheid durf ik te pleiten op grond van Zijn Woord, dat voor ons ligt opengeslagen.

Mogen we 't u voorlezen? „En de Heere zeide tot den Engel, die het verderf onder den volke maakte, het is genoeg, trek uwe hand nu af. En de Engel des Heeren nu was bij den dorschvloer van Arauna den Jebusiet. En David, als hij den Engel zag, die het volk sloeg, sprak tot den Heere en zeide: Zie, ik heb gezondigd en ik, ik heb onrecht gehandeld."

Wat ons op elke bladzijde van Gods Woord geleerd wordt is, dat we een God in den hemel hebben. Die de zonde geenszins ongestraft kan laten. Als een heilig God toornt Hij over alles wat ongerechtigheid heet.

Hier op deze bladzijde, waar 't Woord voor ons openviel, spreekt dit wel zeer duidelijk.

Israels rijkbegunstigde koning is onder de zegeningen Gods niet klein gebleven.

Hoewel een die genade kent zooals weinigen, is zijn voet weggeglibberd op de paden van hoogmoed.

Wat ben ik toch hoog geklommen!

Wat is mijn positie toch luisterrijk!

'k Heb 'n leger zooals geen van m'n naburen.

Mijne vestingen zijn onneembaar.

Joab, zijn krijgsoverste, zelf een goddeloos man, waarschuwt hem, als hij 't bevel hem opdraagt: ga heen en tel mijn volk.

Waarom heeft mijn heer de koning lust tot deze zaak?

Ik weet niet hoe ge hiertoe komt.

Joab voelde 't kwaad, terwijl het David ontging. Of, zoo hij 't wel gevoelde, hij ging er over heen.

Des konings gebod wordt ingewilligd. De rekensommen worden hem voorgelegd: zooveel mannen hier en zooveel mannen daar.

Maar zie — nog maar even is 't werk beëindigd of Davids harte begint met aanklagen: wat hebt gij gedaan?

Tegen Wien is uw overtreden?

Wie heeft u over zoovelen gesteld?

Ben Ik het niet, de Heere?

David komt in de schuld, op de plaats waar we hem allen zullen verwachten.

Op zijn knieën wordt het pleit gevoerd: , ik heb gezondigd in hetgeen ik gedaan heb, maar nu, o Heere, neem toch de misdaad Uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan".

Zal 't nu weer overgaan?

Geen oordeelen Gods?

Ge weet het: daar is geen zonde, die zoo wordt getuchtigd als van hen, die weten, wat zondigen inheeft.

Uit drie kwaden heeft David de keus.

Zeven jaren honger, drie maanden door 't zwaard, vervolgd, of drie dagen pestilentie.

Merkt er op, daar is nooit een treffen van het kwaad, of 't bestrijkt een ganschen kring. Ge kunt dit gewaar worden uit eigen ervaring: Daar is een vader, die misdrijft. Wanneer de zonde openbaar wordt, zoo valt het oordeel op heel het gezin, waarin hij leeft.

David wordt getroffen in heel zijn volk. De keuze weet ge.

Tot den Profeet, die hem de tuchtiging voorhoudt, spreekt hij: mij is zeer bange; laat mij in de hand van menschen niet vallen, dan nog duizendmaal liever in de hand des Heeren. Bij Hem toch zijn de barmhartigheden vele.

Is dat niet veelzeggend? Waarvoor David terughuiverde, daartusschen zijn wij geplaatst.

De christenlanden — want de onheilen hebben juist Europa getroffen - — zijn overgegeven in de handen van menschenkinderen. Mag gesproken worden van den Allerhoogste: bij Hem zijn barmhartigheden, van het menschenkind is geen heil te wachten. Hij tuchtigt tot zoo lange dat er niet meer getuchtigd kan worden.

Als dan één geschrei gaat door de landen: houdt toch op! — zoo luidt het antwoord: barmhartigheid wordt onder ons niet beoefend. Het zwaard zal beslissen.

Schrikkelijk dat men dan van menschenkinderen nog heil wacht. , ,

David wist het: liever in Uw hand, o God. Het oordeel komt, Gods hand laat den slaanden Engel uittreden.

't Is wel typeerend dat ook dit kwaad komt in den vorm van een Engel met een zwaard. De Allerhoogste treedt uit. Ze vallen bij duizenden tegelijk.

Hoe zal dit kind des Heeren, hoe zal David nu te moede zijn?

Zal hij 't maar lijdelijk afwachten?

Den Heere maar 't werk laten doen, zonder dat zijnerzijds een bede wordt opgezonden?

Dan kent ge 't werk niet.

Dan zijn de gangen van een beminde Gods u vreemd. Zoodra de eerste nedervalt, klimmen zijn verzuchtingen hemelwaarts:

Och, Heere, spaar!

Och, Heere, wees ons genadig!

Maar daarom hield het nog niet op.

Ieder, die dit zou meenen, weet niet, hoe Godes gangen zich richten en weet ook niet, dat een kind des Heeren dit niet vraagt.

Heere, als 't U mag believen. Wat ik misdreef, roept om bestraffing, maar, als 't zijn kon, straf ons niet tot het einde toe."

Zie, dit punt ontglipt aan velen in onzen tijd.

God bidden?

Meent ge nu, dat in zoo'n oorlog nog de hand des Heeren is?

Dit is een oorlog uit de diepte.

Dit zijn de gewrochtselen van de hel.

Alsof het een het andere uitsloot.

'k Lees van Davids zonde ook dit schijnbaar tegenstrijdige: de Heere liet David in deze zonde vallen en Satan porde hem aan.

Wanneer de volkeren op elkander zijn geworpen in een kluwen om elkaar te verteren, zoo is hier een ademtocht uit de hei te merken. Die er in gewikkeld werden en ontkwamen, geven dit als hun persoonlijk oordeel weder: 't was een hel. Maar — achter dit alles is de Hand des Heeren. Hij heeft den krijg losgemaakt, Hij en niemand anders kan dezen weer binden. Als de Allerhoogste niet ingrijpt, verteert Europa zich tot den laatsten man. Dan zal het van het eene land op het andere overspringen tot er ten slotte niets meer overblijft om te verwoesten.

David wist het: het komt uit de hand des Heeren, maar ik draag de schuld. Ik, ik heb gezondigd, ik heb onrecht gehandeld.

Zie daar zullen de christenlanden moeten beginnen, en eindigen.

Heel het pad waar het volk des Heeren langs gaat zal als met bidders moeten zijn betuind.

Men mag er zich niet afmaken.

Het is de tijd nog niet, de oordeelen kunnen niet beëindigd. Dat wordt in de hand des Heeren gelegd.

't Gebed is ook niet: zeggen zoo als ik meen moet de uitkomst wezen, precies het tegendeel: niet mijn wil maar uw wil geschiede.

Wat het harte drukt en de ziel bezwaart wordt den Heere voorgelegd, pleitende op ontferming.

David stortte zijn hart uit voor God voortdurend. Hij kon er niet afblijven, 't Recht heb ik ten eenenmale verbeurd, ik heb niet dan onrecht gehandeld, maar och, Heere, Uwe barmhartigheden zijn vele.

Zou Nederland daar ook niet mogen beginnen? Men schrijft ons toe en men zegt het ons voor, dat op ons landeke, vanwege zijn gunstige ligging en positie, op dit moment de taak rust, met vredesvoorstellen te moeten beginnen. Ik zou zeggen: ik ben 't gedeeltelijk met die dit beweren, eens, alleen wilde ik een heel anderen weg inslaan. Niet naar vorsten het oog of van Prinsen 't verwacht, doch de knie gebogen voor den Allerhoogste met belijdenis van onze schuld. Dit vredesvoorstel zou ik willen doen: 'pleiten op genade.'

Wij vorsten en volken hebben misdreven, is dit: ze hebben God vergeten, met den Allerhoogste niet meer gerekend, 't Is een waan geworden, die de natiën heeft aangegrepen : wij tellen onze mannen en daarmee uit.

Hoogmoed is de groote zonde onzer dagen. Voor niemand wilde men meer buigen, 't allerminste voor God.

Zeg het mij of hiervan de werkelijkheid afwijkt éen haarbreed.

Binnen den kring onzer grenzen, en daarbuiten niet minder, stond alles op. Wij zullen heer zijn en meester. Met God rekenen, we denken er niet aan.

Wie dit straffeloos doet. geen die onder het licht werd geboren, dat uitsprankelt van het Goddelijk woord. Zie daarom zijn opgeroepen de heidenen van het Oosten - en daarom springen zij de christenvolken naar de keel — omdat de Heere het nooit gedoogen zal dat Zijn hoogheid wordt overtreden.

Ach de diepte van vernedering is wel groot. Het moet wel opvallen aan ieder die voorbijgaat, dat hier een bijzondere strijd wordt gestreden.

De volken, die naast elkander moesten staan, omdat ze de diepste levenswortelen nog gemeen hebben, haten elkander met een doodelijken haat en hebben gezworen, dat niet éer kan gerust, voor alle weerstand is gebroken.

't Is wel vernederend voor de kerk des Heeren, dat het heidendom zijn lust in het moorden mag bot vieren op de volken, die bij Gods Woord zijn opgevoed. In de schaduw van den tempel is het heidendom gekomen om de straffen aan het volk te voltrekken.

Och Heere, geef daar oogen voor, om te zien, opdat het in oprechtheid gelde:

Ik, ik heb gezondigd. Ik, ik heb zottelijk gedaan.

De Heere hield Zijn straffende hand niet in, bij het eerste pleit, dat David voerde. 't Was maar niet: als de zonde wordt beleden, is het uit. Daar kwam een bezoeken. Uit dat drietal moest David kiezen. Hij koos en het zwaard Gods werd losgemaakt. Vreeselijk was het oordeel.

Nu de vraag: hoe kwam het tot stilstaan? Ge bedoelt: wiens hand dit deed ?

Natuurlijk de Hand des Heeren.

Hij beweegt de dingen en doet ze ook weer stilstaan.

Als de Engel nadert tot Jeruzalem, als hij zijn hand uitstrekt om het te verderven, zoo staat daar met een teekenend woord — berouwde het den Heere over dat kwaad.

Och, meen toch nooit, dat daar een lust

is Zijnerzijds tot tuchtiging, daar is immers een uitgaan met ingehouden tred, wanneer het geldt der kinderen kastijding.

't Is nimmer uit lust tot plagen. Hij .doet het enkel uit liefde om hun bestwil. Op deze wijze brengt Hij ze weer terug op de plaats, waar ze hooren. Of, wanneer dit laatste uitblijft, zoo blijft ook het remmende woord tot den slaanden Engel uit en Hij verderft tot het einde.

O volk, dat waarachtig leeft bij het Woord uws Heeren, die 't in deze dagen zoo goed zult gevoelen, waar het recht schuilt, och, laat toch niet af.

Daar vlak bij het heiligdom — want van den dorschvloer, waar de Engel werd staande gehouden, gaat ook nog een levende sprake uit — daar werd straks het altaar gebouwd, 'daar werd het bloed der verzoening gesprenkeld, daar verrees de Tempel des Heeren.

Daar te Jeruzalem kreeg de Engel het te hooren: het is genoeg, trek Uwe hand nu af.

Is daar geen dorschvloer in ons midden? geen plaats, vanwaar de gebeden der heiligen opgaan ?

Volk, dat God vreest, versta in dezen uwe roeping.

Heere, wikkel de lijn met de volken nog niet af. Wil nog eenmaal Uwe barmhartigheden toonen.

Ze zijn toch zoo vele.

Och, ons pleiten is niet op de offerande onzer gebeden, of op hetgeen wij gedaan hebben of willen doen, maar enkel op de verzoening, door U aangebracht. Doe 't om Christus' wil.

Men hoort in onze dagen wat verzuchtingen: Wanneer zal dat moorden ophouden, wanneer zal het uit zijn?

Ach ja, het kind, dat de roede voelt, schreeuwt zoo lichtelijk: Vader, houd op, het doet zoo zeer; maar wat de roede doet ophouden met slaan is: Vader, ik heb zottelijk gedaan. Als de straf is geleden, zoo houdt de tuchtiging op.

Roepen van des menschen zijde: het is genoeg — wanneer 't afvloeit van der stervelingen lip: trek toch Uwe hand nu af — 't zal niets uitwerken.

Alleen wanneer God spreekt, als Hij zegt tot den Engel, die het verderf onder de volken maakt: het is genoeg — zie, dan is het uit.

Op dat Woord wachte heel Zijn Kerk, biddende, pleitende.

Rondom den dorschvloer van Arauna, rondom het kruis der verzoening vereenige zich alles wat bidden heeft geleerd.

Heere, Uwe barmhartigheden zijn vele; spreek tot den Engel: trek nu Uwe hand af.

Dan zal 't vrede zijn, vrede — een voorbode van den eeuwigen vrede; die na de reuzenworsteling der eeuwen zal inluiden, als Gij spreekt: „het is genoeg, trek nu Uwe hand af." Dan zal in het hemelsch Jeruzalem, rondom het Lam, dat geslacht is, alles vereenigd worden, dat God vreest.

Dan zal 't gelden:

De bergen zullen vrede dragen

De heuvlen heilig recht. Hij zal hun vroolijk op doen dagen

Het heil, hun toegezegd, 't Ellendig volk wordt dan uit lijden

Door Zijnen arm gerukt. Hij zal nooddruftigen bevrijden.

Verbrij zien, wie verdrukt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 februari 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 februari 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's