De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

„Dwaalt niet; God laat zich niet bespotten; want zoo wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien. Want die in zijn eigen vleesch zaait, zal uit het vleesch verderfenis maaien; maar die in den Geest zaait, zal niet uit den Geest het eeuwige leven maaien". Galaten 6 : 7 en 8.

Zaaien en maaien.

In ons tekstwoord wordt nauw verband gelegd tusschen zaaien en maaien : „zoo wat de mensch zaait, dat zal hg ook maaien". En ernstig wordt gewaarschuwd dezen algemeenen regel als een heilige, goddelgke ordirsantie, wel in gedachtenis te houden, want wie deze eenvoudige, maar veel beteekenende waarheid il? den wind slaat, die zal ervaren, dat God niet met zich laat spotten en de bittere gevolgen van het verachten van Zgn geboden en inzettingen zal doen ondervinden.

Neen, God laat niet met zich spotten in deze. Wie niet zaait, zal ook niet oogsten. En wie heen gaat, om van eèn doornstruik vijgen te plukken, zal bedrogen uitkomen. Wil men tarwe oogsten, dan moeten tarwekorrels uitgezaaid worden en zaait men wind, dan moet men niet vreemd er van ^0£; ^jigP^ als nien stóriSi oogst straks. 

Dat geeft ernst aan het leven en dat legt den mensch groote verantwoordelijkheid op, voor zichzelf en voor zijne kinderen. De landbouwer heeft hieraan te denken. De boomkweeker en tuinder hebben het ter harte te nemen. En deze dingen bedenkend, wordt het ons duidelqk, dat er dan ook verband ligt tusschen de ellende van onzen tgd en wat er in de voorgaande jaren is uitgezaaid in het midden der volkeren. Dat nu de natiën zich zelf verteeren in oorlogen en revoluties, 't is de vervulling van dat bekende Schriftwoord: „wat baat het den mensch, al gewint hij gansch de wereld, zoo hij schade lijdt aan zijn ziel ? " De zid is niet verzorgd, 't Ging niet om Ae geestelijke dingen, 't Was het bedenken van de dingen die beneden zqu. Macht, eer, geld — en wat baat het nu ? Oorlog en revolutie. Nood en ellende. Schade en schande. Verwarring en verwildering. „Dwaalt niet; God laat zich niet bespotten; want zoo wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien." Bij het leeren der ongeloofs-theorieën, bij het najagen der ijdelheid, het vergaderen van aardsche schatten, is ten slotte wat men in oogst: jammer en ellende voor rijk en arm.

Dat was vroeger zoo en dat is nu zoo. Zie op de eerste wereld. Men verachtte den profeet der gerechtigheid Noach en naen ging lustig en rustig voort met eten en drinken en vroolgk zqn. Totdat de hemel scheurde en de fonteinen der aarde open braken en gansch het goddeloos geslacht in de wateren omkwam. Tusschen het leven der menschen en het oordeel Gods ligt verband en 't geldt ook hier: «Dwaalt niet; God laat zich niet bespotten; want zoo wat de mensch zaait, dat zal hg ook maaien."

De ondergang van Sodom en Gomorra, welke steden vol waren van goddeloosheid en gruwelbedrijf, bewgst hetzelfd^ Ëa als ge ziet op de zoutpilaar, staande tusschen Sodom en Zoar, kunt ge bg vernieuwing aanschouwen, dat het waar is. „Gedenkt de vrouw van Loth"! Vraag het ook den verloren zoon, als hij daar neerzit bg de zwgnentrog en all hg zich, in het veld, op de borst slaat en zegt: „ik zal opstaan en tot mgn vader gaan en ik zal zeggen: Vader ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen u, en ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden, maak mij tot een van uwe leerlingen" — vraag het hem dan, of hij twijfelt, aan het woord van onzen tekst, en zijn antwoord zal zijn, met tranen: „ja, 't is zoo waar wat daar staat: dwaalt niet: God laat zich niet bespotten; want zoo wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien."

O, neen! deze dingen laten zichaltgd niet zoo duidelijk aanzien in den gang van het leven. Des levens gang kan in het midden der mensehenkinderen zoo wonderlijk, zoo vreemd, zoo grillig zijn. En we hebben maar in onze herinnering terug te roepen, wat Asaf eens uitriep in Ps. 73: „Zou God het weten; zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste? " Dan voelen we ook bij ons zelf een dergelgke bange vraag opkomen! Is het wel waar, dat degenea die van God vervreemd door 't leven gaan, zoo te beklagen zgn? Zgn ze niet eer dikwijls te benijden? En is 't wel waar, dat de goddeloozen geen vrede hebben en zullen omkomen? Is het wel waar, dat zij die God vreezen, welgelukzaligzijn te noemen, van kracht tot kracht zullen voortgaan en in Sion zullen verschijnen?

Maar — dan komt toch weer boven in het harte van degenen die God vreezen, dat de Heere alle dingen ziet en weet en dat het op Zijn tijd zal openbaar worden: De HEERE kent den weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddeloozen zal vergaan." (Ps. 1:6.) Dat geeft ernst aan ons leven. Ons leven is de voorbereiding voor de eeuwigheid. Ons leven is de akker, waarop gezaaid wordt, en straks in de eeuwigheid zal het een oogst zijn tot verderfenis óf ten eeuwigen leven. Denk maar aan de gelijkenis vanden rgken man en Lazarus. Teekent daar de Heiland niet roerend schoon het verband tusschen de eeuwigheid en den tijd, voor Lazarus, die op God vertrouwde, maar ook voor den rijken man, die alle dagen vroolijk leefde zonder vreeze Gods in het harte? Is het niet, omdat de rijke man het gezocht heeft in de goederen dezer wereld, dat de eeuwigheid hem smarten brengt en is 't niet, omdat Lazarus God vreesde, dat engelen hem dragen in Abrahams schoot?

Paulus vond bg de Galaten een bizondere oorzaak, om over tweeërlei akker en tweeërlei zaad, to schrgven.

Hg zelf had door Gods genade den akker van Ohristu's gerechtigheid mogen aanprgzen in de gemeenten en hg mocht het weten, dat velen, door Gods Geest geleerd en geleid, in dien vruchtbaren akker mochten zaaien en door het geloof uit Christus' gerechtigheid mochten leven, met vreedzame vruchten der zaligheid.

Uit den natuurIg ken staat, door wederbarende genade, uitgerukt, mochten ze de verzoening hunner zonden kennen door des Middelaars bloed en er mocht een roemen zgn in het kruis van GoliPtha, met een wandel der gerechtigheid voor Gods aangezichte. God kennende en van God gekend (4 : 9.) mochten ze als kinderen Gods wandelen, doelende in het eeuwige leven, dat toch hierin bestaat: en eenigen, waarachtigen God te kennen en Jezus Christus, 'dien Hij gezonden heeft.

Eertijds waren ze kinderen der duisternis, doende de werken der duisternis. Eertijds waren ze vleeschelgk, uit eene vrouw geboren, door den wil des mans, zoekende de dingen die beneden zijn en doende den wil des vleesches.

En die in zgn eigen vleesch zaait, zal verderfenis maaien: Zoo de boom is, zoo zal de vrucht zgn.

Maar de wereld dienende, waren ze tot God bekeerd en mochten in Christus' kruis-en zoanverdiensten vinden de wegneming van den vloek der wet, vrede in de conscientie hebbend, den Heere aanroepend met: Abba, Vader!

Op hen was van toepassing, wat Paulus in Rom. 8 schrijft: gijliedenzijtniet in het vleesch, maar in den Geest; en zoovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zgn kinderen Gods. Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. En indien wg kinderen zijn, zoo zgn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God en mede erfgenamen van Christus; aoö wg anders met Hem lijden, opdat wig ook ^et Hem verheerlijkt worden, enz.

Wat een kostelijke akker is de gerechtigheid van Christus. Wat heerlgke vruchten groeien daar voor de kinderen Gods, die door den Geest wedergeboren zgn en in het geloof mogen leven en wandelen. Hij, Wiens snoeren dé, ar gevallen zgn, mag zingen:

Hoe groot is 't goed, dat Gij zult geven Hem, wiens oprechte geest Op U betrouwt, U vreest 1

Hoe groot is 't heil, dat G' in dit leven Ver boven beed' en wenschen. Reeds wrocht voor 'toog der menschen. (Psalm 31 vers 15).

Voor tgd en eeuwigheid is hij gelukkig, die Jesras Christus tot zgn Borg en Middelaar mag kennen en bezitten, om uit Christus levend, door den Geest Gods in het geloof te wandelen.

Dat is het zalig deel van Gods kinderen.

Maar nu waren er „valsche" broederen „ingekropen" in de Gemeente (2 vers 4) geen kennis hebbend aan de vrijheid der kinderen Gods in Christus Jeiaus. En terwijl de geestelijke kinderen van Paulus mochten leven van de vruchten van den akker des Geestss, kwamen zg met aanbieding van vruchten van den akker des vleesches, bestaande in het onderhouden van de ceremoniëele wet, om daardoor zich zelf gerechtigheid te werken bg God.

En wat gebeurt?

Helaas I vallen er van de kinderen des Geestes, die met den Geest begonnen zijn, tot den dienst der vleesehelgke gerechtigheid terug en laten zich besngden.

Zoo komen zij weder onder het juk der dienstbaarheid tot vreeze. En het is Paulus, die in de gemeenten al zoo dikwgls verdedigd en aangeprezen had, - door het geloof te levea en niet uit de werken rechtvaardigheid te zoeken, — die ook nu het zwaard des Woords opneemt en in het strijdperk treedt, met die „valsche broederen" die , van bezgden ingekropen zgn" en die de geloovigen misleiden, hen er toe brengend, om te leven van de vruchten van eigen akker, in plaats van te leven door het geloof, uit Christus en Zgne gerechtigheid. En dat doet hem OKok voor de gemeente van Christus met ernst verkondigen, dat men wel moet bedenken, dat als men de gerechtigheid ^an Christus en den dienst des geestes gaat inwisselen voor de gerechtigheid door de wet en de vleesehelgke betrachting van 't geen wel een schgn maar geen wezen heeft, dat dan de vrucht van dien akker, en het loon op dien dienst bittere teleurstelling, zonde, ongerechtigheid, verderfenis is.

„Wat een mensch zaait, zal hij ook maaien" — dat geldt ook voor Gods kinderen. En vallen ze in den dienst des vleesches, om te wandelen naar eigen lust en begeerte, dan zullen ze, of ze het goddelooze vleesch tot uitspatting, of het vrome vleesch tot eigen gerechtigheid, voeden, gewisselijk ervaren, dat een iegelijk „die in zgn eigen vleesch zaait, de verderfenis zal maaien".

Voor God kan niets bestaan, dan het werk van Jezus Christus. En die daaruit nu door het geloof mag leven, doende de werken des geestes, die zal ervaren de zaligheid van het heil, dat gelegen is in deze groote verborgenheid der godzaligheid: dat de Heere een goddelooze rechtvaardigt om niet, door de gerechtigheid van Jezus Christus, in den weg des geloofs.

Maar die een ander fundament gaat leggen, naast of tegenover Jezus Christus; die een andere gerechtigheid werken wil; die zaait op eigen akker, om van 'die vruchten te eten — die zal ervaren, dat al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed voor Goden dat aller mond gestopt is voor de wet, welker doem vonnis gaat over alle vleesch;

„Dwaalt niet; God laat zich niet bespotten". Dat wil zeggen; wacht er u voor, dat gij de heilige inzetting Gods in deze niet veracht en met voeten vertreedt, want wie het is, die is het, maar „die in zijn eigen vleesch zaait, zal verderfenis maaien".

Wilt ge nog een voorbeeld?

Abram en Saraï hebben een belofte Gods ontvangen. De Heere zal hun zaad geven en Hg zal ze maken, tot een groot volk, talrijk als het zand aan den oever der zee.

In 't geloof mogen ze deze belofte Gods aannemen en „zaaiend in den geest" mogen ze vrede en vreugd smaken.

Maar de Heere toeft met de vervulling van 't geen Hij heeft toegezegd.

Dan geeft het zaaien in den Geest ook onder die omstandigheden, ten slotte blgdschap. Want toeft de Heere al. Hg zal gewisselijk komen. Daarom: verbeidt Hem!

Edoch — dat zaaien in den Geest, dat leven des geloofs, dat hopen op Zijne beloften, dat vertrouwend wachten, gaat plaats maken, voor een ingaan in eigen wegen, voor een „zaaien in eigen vleesch". Uit den weg des geloofs, uit Gods weg uitgaande, gaan deze kinderen Gods, in ongeloof, in zondige, dwaze, vleesehelgke wegen wandelen. En ja, uit Hagar wordt Israël geboren. Groote vreugd! Verkregen is, wat men hebben wilde.

Zou 't waar zijn?

De Heere komt het afbreken. Hij komt het gdel maken. Vruchten van eigen akker kunnen Gode niet behagen. „Die in zgn eigen vleesch zaait, zal verderfenis maaien".

Zullen Gods kinderen dan, waar ze met den geest begonnen zgn, met het vleesch eindigen? (3:3).

Laten ze het niét doen!

Maar die uit het geloof zgn, worden gezegend met den geloovigen Abraham (3:9). Ze zullen het eeuwige leven beerven en straks aanzitten aan het bruiloftsmaal des Lams, om te eten van de vruchten Zijner gerechtigheid, waarvan hier de voorsmaak mag geproefd w'orden door allen die door genade kinderen Gods zijn en door den Geest, in geloove, mogen wandelen, kennende Jezus Christus en Zgne gerechtigheid.

Maar de weg van de goddeloozen, van de kinderen des vleesches, zal vergaan. Hun vrucht zal niet blijvend zgn, maar verderven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's