Stichtelijke overdenking.
Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn. Ps. 32 : 8b.
Nieuwjaar.
Het is geen toeval, dat wij ons leven indeelen in dagen en weken en maanden en jaren; daarin is het voorzienig bestel onzes Gods.
God geeft die insnigdingen, die rustpunten, opdat wij uit den nevel der gedachteloosheid zullen op waken, ons bezinnen en onze dagen leeren tellen.
Op de hoofdwegen in ons vaderland treft gij op gelijke afstanden van elkander palen aan, waarop de lengte van den afgelegden weg wordt aangegeven; en ze zijn nuttig, die palen, om daaruit af te leiden, waar ge u bevindt.
Zulke mijlpalen heeft God ook op den levensweg der menschenkinderen geplaatst, opdat wij ons rekenschap zullen geven, waar we ons bevinden.
Zulk een mqlpaal ia ook de jaarwisseling, oud-en nieuwjaar, opdat wij ons bezinnen zullen, opdat de sleur vanden tredmolen zal worden verbroken.
Getoetst aan Gods Woord, is het zeker niet recht, als de mensch alleen bij de jaarwisseling bepaald wordt bij den ernst zqner levensdagen, die zich als op snelle vleugelen voortspoeden; het is naar Gods Woord, als wq eiken dag Mozes' bede tot de onze maken: „leer ons alzooonze dagen tellen, dat wg een wijs hart bekomen"; edoch, 't lijdt geen twqfel, dat de jaarwisseling met verhoogden ernst van ons eischt, dat die bede leve in ons hart.
En noopt dan de oudejaarsavond ons meer tot een terugblik op den afgelegden weg, opdat wq met Daniël in oprechtheid zullen uitroepen: „Heere, bg ons is de beschaamdheid der aangezichten, omdat wü tegen U gezondigd hebben, maar bij U zqn de barmhartigheden en de vergevingen"; nieuwjaar roept ons op om den blik vooruit en omhoog te slaan en voorwaarts te treden met de bede, dat des Heeren aangezicht ons moge voorgaan en in 't besef, dat onze tijden zqn in Gods hand! En 't een is zoo goed noodig als 't ander, en 't getuigt nadrukkelijk van de oppervlakkigheid der menschen, wanneer de breede scharen, die op den oudejaarsavond zich in Gods voorhoven verdringen, op den nieuwjaarsmorgen wegslinken tot eenige honderdtallen, omdat zoovelen 't dan te druk hebben met elkander den zegeuwensch voor 't nieuwe jaar aan te bieden, vergetende dat aan Godes zegen alles gelegen is.
Gelukkig zij, die 't oude jaar met den Heere eindigen mogen, want zij zullen begeereu, om 't nieuwe jaar aan de trouwe hand huns Gods te mogen binnentreden. Zg dat ook onze begeerte, dan wordt bovenstaand Schriftwoord ons een bron van rijke bemoediging I
Ik aal raad geven! Voordat wq il den rijken inhoud dezer liefelijke belofte ontvouwen gaan, ziij 't ons vergund een poging te wagen, om u aan de hand van dit woord aan te toonen in welke gestalte en stemming wij den-nieuwen jaarkring moeten ingaan.
Immers de onmiskenbare onderstelling dezer belofte is, dat gij raad van noode hebt; en alleen in dat geval moogt ge haar als tot u gericht beschouwen.
Gij wendt u toch ook niet met uwen goeden raad tot een, die alles zelf veel beter meent te weten; 't verdient aanbeveling daarmede te wachten, tot men er om vraagt, want de ervaring bewgst dat opgedrongen, ongevraagde raadgevingen zelden een dankbaar onthaal vinden.
Pas als Hg de gemeente van Laodicea ernstig heeft ontdekt aan haar doode-Igken staat en haar nadrukkelijk heeft gewezen op de breuke haars levens, richt de getrouwe Getuige tot haar Zijn raadgeving: „Ik raad u, dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur"!
Welnu lezer, opdat deze belofte: Ik zal raad ''geven, voor uns zal zgn een woord van liefelijken klank, moet het licht onzer eigene levenswijsheid zgn uitgebluscht. Wij weten niet, wat de toekomst ons brengen gaat; 't zijnnietverkende gebieden, waar wij den voet gaan zetten; , of blijdschap dan wel druk; voor-dan wel tegenspoed ons wacht, 't is ons onbekend; of êen der dagen van 't nieuwbegonnen jaar ons misschien 't sterfbed zal spreiden voor ons of voor onze dierbaren, niemand die 't ons zeggen kan, maar zooveel is ons wel bekend geworden, dat in een punt des tgds de gedaante der aarde en des hemels kan veranderen; en zware donkere wolken, ze kunnen zich snellijk boven ons saampakken en ons levenspad verdonkeren; en — zonder God in de wereld, dat is zonder hope voor de eeuwigheid, dat is zonder vrede en zonder ruste, zonder toevlucht en zonder schuilplaats.
Nemen wij dat toch ter harte, mijn lezer, opdat Hiskia's bede leve in onze ziel bij het betreden van den nieuwen weg: Heere, wees Gig mijn Borgl
Zoo wordt ons des Heeren toezegging: Ik zal raad geven, tot rijke bemoediging! Denk u toch in, lezer, wie dit zegt: de Heere zdf, de Alwetende, de Alwijze, die ook de Almachtige isl
Hij weet alleen wat goed en heilzaam — nuttig voor u is; Hij overziet heel uw weg; Hg kent alle gevaren, alle vijanden, alle onweder», alle stormen, die u bedreigen ; Hij is machtig om wind en golven 't ewggen op te leggen; met deze belofte neemt Hij u voor Zijne rekening, zoodat geen kwaad u kan genaken, de Heer' zal voor u waken 1
Als gij uw' naaste raad geeft, en hg volgt dien, dan zijt gij voor hem verantwoordelijk; loopt 't hem nochtans tegen, hg kan 't u wijten; slaagt hij, hij heeft 't u dank te weten. In volkomenheid geldt dat voor dpgenen, die zich door den Heere laten raden! En als ik dit zeggen mag, de Heere aanvaardt die verantwoordelgkheid voor Zijn volk, dat Hem raad vraagt, ten volle.
Hg zal Zich daar nooit aan onttrekken; Hij, de Heere, wordt niet veranderd, daarom worden Zijne kinderen nooit verteerd ! God verlaat de Zijnen nooit.
Daarop doelt het volgende woord: Mijn oog zal op u zijn. Zooals een Moeder het oog houdt op haar kind, opdat het geen gevaar zal loopen; en zooals een kloekhen haar kiekens bewaakt, om hen te beschutten met haar veilige moedervleugelen als vijanden dreigen, zóó, maar met oneindig grooter liefde en zorg en trouw waakt God over Zgn volk, 't welk Hg wil hoeden, in tegenspoeden.
En dat raadgeven, mijn lezer, betreft niet alleen de allergrootste en allergewichtigste vragen van ons leven, zoodat wij 't in minder-ingrijpende aangelegenheden zelf maar moeten uitvinden, o neen, Hij, Die de haren van uw hoofd heeft geteld, en de muschkens draagt, die fladderen over de velden; Hij, wiens hand alles leidt en bestiert. Hij wil luisteren naar al uw klacht, ook al zouden de menschen die belachelijk-onbeduidend vinden.
Hij weet, dat wat de menschen misschien beuzelachtig klein achten, voor u van aangelegen belang kan zijn; en bovendien, wat is groot en wat is klein? Hij, die de Schepper is van het groote, is ook de Schepper van het kleine, en nauw is het verband, dat het kleine aan het grote vastschakelt. ,
Als de Heere zegt: Ik zal raad geven, dan is daarvan niets buitengesloten, en dan moogt gij 't er voor houden, dat al uwe wegen, al wat u 't harte deert, gerust mag worden bevolen aan Hem, Die 't al regeert.
En is dat voor menschen, die raad en leiding behoeven, niet van 't grootste gewicht bij de intrede van den nieuwen jaar kring.
En dan. Mijn oog zal op u zijn; mogelijk voert u uw levenspad in dit jaar langs donkere wegen en door diepe afgronden, waar uw vleesch en uw hart zullen versmelten, waar 't u bang te moede zal zijn; maar is het dan niet alles waard, als ge 't moogt weten, dat ook daar het oog des Heeren op u zal zijn. om er voor te waken, dat de wateren u niet overstroomen zullen.
Want, lezer. God verpandt in dit woord Zijn zorgende trouw 'aan Zijn volk, dat zelf moet belijden: wg zijn van gisteren en weten niet, en wij zijn van onszelf zóó zwak, dat wg niet één oogenblik kunnen staande blgven.
Het oog des Heeren kan een brandenden toornegloed over den mensch uitstralen, waartegen hij tevergeefs de bergen zal verbidden hem te beschutten; als het geschonden recht Gods den zondaar vindt, dan is er geen schuilplaats.
Dat goddelgk oog kan ook uwe wegen en uw hart doorzoeken, zóó dat de angst van den uitslag van dat onderzoek u doet beven.
Maar als, o wonder, 't oog des Heeren in Ohristus Jezus vol welgevallen en teedere zorgende gunst op u mag rusten — en dat is hier bedoeld —, maar dan zgt ge toch waarlijk de gelukkigste der menschenkinderen, en als gij dat weten moogt, lezer, dan kunt gij ook met het woord van den psalmist dit nieuwe jaar met al zgn onberekenbare mogelgkheden van blijdschap en druk, van voor-en tegenspoed binnentreden: de Heere is mgn Herder, mg zal niets ontbreken. Zij dat uw biddende begeerte tot God en Gods wondere gave aan u I
Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulp kom«n zal!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's