De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

8 minuten leestijd

John Bunyan
Zijn leven en zijn geschriften. (7)

Wat dat voor hem beteekende verklaart Bunyan in „Genade overvloedig" aldus: die berg was de Kerk, waar Gods volk gevonden wordt; de zon, die daarover scheen, zijn de vertroostende stralen van Gods vriendelijk aangezicht over degenen die Hem vreezen; de muur maakt scheiding tusschen de christenen en de wereld; de opening in den muur was Jezus Christus die de weg, de waarheid en het leven is, zonder Wien niemand tot den Vader komt; de engte van den doorgang beduidde, dat alleen die alles willen achterlaten binnen kunnen gaan, want er is alleen plaats voor lichaam en ziel, maar niet voor lichaam, ziel en zonde.
Bunyan verkeerde toen in een verloren en treurigen toestand, maar was ook gekweeld door een hevigen honger en begeerte om één te mogen zijn van Jezus' kudde en te mogen neerzitten in de warmte van Gods gunst en liefde. En overal waar hij was, thuis of in den vreemde, was zijn voortdurend gebed: „o God, aanschouw mij in mijn smart".
Veelszins dacht hij, dat de dag der zaligheid voorbij was, maar meer en meer werd hij bepaald bij Gods Woord en werd hij gedrongen om dat te onderzoeken zonder ophouden, telkens vastgehouden door de vertroostende gedachte, dat er nog nooit iemand tevergeefs den Heere gezocht heeft. Een woord uit de Apocriefe boeken en wel uit het boek van Jezus Sirach, werd voor hem geheiligd, waar staat: „Wie heeft op den Heere betrouwd en is beschaamd geworden?"
Door velerlei zware verzoekingen werd Bunyan nog geleid. Hij heeft diepe wegen moeten doormaken, waar de duivel op onderscheidene manieren en onder verschillende levensomstandigheden zijn aanvallen herhaalt. En banden des doods en angsten der hel omvangen zijn ziel zoo dikwijls en vervullen zijn hart, waarbij het geloof zoo klein en de hoop zoo zwak is, maar hij mag kennelijk ervaren, dat de Heere Jezus Zelf olie in het vuur druppelt, om zijn geloof te bewaren en zijn hoop te vernieuwen. Moet hij dan ook telkens en altijd weer klagen over zichzelf, hij kan geen woorden vinden om naar waarde te prijzen den Heiland van zondaren, die, zooals hij zegt, maar voortgaat hem vriendelijkheid te bewijzen. Bizonder is hem dan weer tot troost Ezechiël 16 vers 63, waar des Heeren Woord aldus luidt: „Opdat gij het gedachtig zijt en u schaamt, en niet meer uw mond opent vanwege uwe schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen dat gij gedaan hebt, spreekt de HEERE Heere". Dan was hij weer in vrijheid gesteld. Dan kon hij zingen: „D' eenvoudigen wil God steeds gadeslaan; 'k Was uitgeteerd, maar Hij zag op mij neder. Keer, mijne ziel! tot uwe ruste weder; Gij zijt verlost; God heeft u wèl gedaan!"
De moedeloosheid hield niet op, ,,maar die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen, zij zullen op varen met vleugelen gelijk de arenden, zij zullen loopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat worden" (Jes. 40 vers 31).
Gedurende twee en een half jaar heeft Bunyan geen vrede en hij vreesde, dat die toestand eeuwig duren zou. Maar Bunyan zegt: ik wil bidden! En als hij overlegt, dat zijn zonde te groot is, om vergeven te worden, valt het woord van den Heiland hem in de ziel: „Mijne genade is U genoeg". De vrede komt in zijn ziel, maar wel twintig keer per dag is hij weer troosteloos. Zijn ziel hing als in een weegschaal, nu op, dan neer. Maar — zoo schrijft hij op bladz. 93 — „telkens kwam de genoegzaamheid der genade met vrede en vreugde naar voren. De barmhartigheid roemt tegen het oordeel". (Jes. 2 vers 13). En bizonderen troost had hij van deze Schriftuurplaats: „Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen". „O" — zegt hij — „wat heb ik een troost gehad van dat woordje „geenszins", want dat beteekent toch: „in geen geval, wat hij ook gedaan moge hebben". En als satan hem dan aanvalt en zegt: dat Christus nooit bedoeld kan hebben een zoo'n barbaarsch en gruwelijk zondaar als hij was — dan antwoordt hij Satan: dat op dezen regel geen uitzondering bij God is; „wie komt, wie ook, zal Ik geenszins uitwerpen, zegt de Heere!"
Wanneer wij deze dingen zoo lezen, zoo eenvoudig, zoo eerlijk, zoo oprecht verteld, handelend over zonde en genade, over verzoeking en troost, dan denken we onwillekeurig aan Luther, die óók met den duivel praat en door zijn beschuldigingen wordt benauwd, maar hem met de Schrift, als het zwaard des Geestes, wederstaat en hem zelfs, als hij niet wijken wil, een pot met inkt naar 't hoofd slingert, zeggende: „het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden, dat geldt óók voor Maarten Luther, wiens zonden rood zijn als purper en scharlaken, maar die wit gewasschen zijn als sneeuw en witte wol".
Zóó ook wederstaat Bunyan den Satan, die maar met hem blijft twisten over Joh. 6 vers 37: „Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen!", zeggende, dat dit woord niet voor hem is. Maar dan antwoordt de worstelaar Bunyan manmoedig en kordaat: „Satan, ik weet, dat God Zijne woorden nooit in haast en met onberedeneerde drift spreekt, maar met oneindige wijsheid en overleg, in waarheid en getrouwheid".
Dat is de tijd, welken Bunyan later teekent in zijn „Christenreize", als Christen genaderd is bij de Poel Wankelmoedigheid en in het water dreigt weg te zinken, maar dan door Evangelist geholpen wordt en overal steenen, vaste steenen in het moeras ziet liggen, waarop hij zijn voeten kan zetten, om zóó het moeras door te komen, naar de overzijde. Die poel is en blijft er omdat daar de zonden van al Gods kinderen dagelijks in uitloopen — maar die vaste steenen in het modderige moeras zijn de beloften Gods, die onwankelbaar liggen door Zijn trouw en waarheid en voor de ziel, die worstelt met de beschuldigingen van een verdoemelijk zondaar te zijn, een pad ter ontkoming bieden, waarop de voet gaan kan, het licht en het hemelsch Jeruzalem tegemoet.
Zwaar heeft de Heere Bunyan dus beproefd, gelijk Hij weet hoe de diamant 't best geslepen wordt, maar het eind is geweest, dat Bunyan mag leeren roemen in genade aan een van de grootsten der zondaren bewezen, en op bladz. 113 van zijn boek: „Genade overvloedig" beschrijft hij, hoe hij zijn vrouw vertelt, dat hij nu tot de vaste wetenschap gekomen is een kind des Heeren te zijn. „O vrouw" — zoo roept hij uit — „nu weet ik het, ik weet het!" en met het gezegend Schriftwoord uit den Hebreënbrief besluit hij: „Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion en de stad des levenden Gods, tot het hemelsche Jeruzalem en de vele duizenden der engelen, tot de algemeene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn en tot God, den Rechter over allen en de geesten der volmaakte rechtvaardigen, en tot den Middelaar des Nieuwen Testaments Jezus en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel".
Bunyan besluit zijn bekeeringsgeschiedenis aldus: „Deze woorden waren sinds dien tijd dikwijls een groote verfrissching voor mijn geest, dan toonde de Heere mij de heerlijkheid van het ééne, dan de heerlijkheid van het andere. Gezegend zij God, die mij barmhartigheid bewezen heeft".
Het kan van zoo groot nut zijn de bekeeringsgeschiedenis van Bunyan nog weer eens te lezen. Bunyan was niet de man om het zóó voor te stellen aan zijn hoorders en zijn lezers, alsof God met al de Zijnen één en denzelfden weg houdt, zoodat de ziel, die niet alles heeft doorgemaakt wat Bunyan heeft beleefd en ervaren, moet wanhopen en in twijfel moet trekken; wel een kind van God te kunnen zijn. Want als er één is geweest die de vrijmacht Gods in deze geleerd heeft, dan is het Bunyan; terwijl hij juist de ziele niet wil afleiden en bepalen door bij-oorzaken, maar de ziel altijd rechtstreeks wil zetten voor deze twee dingen: de zonde met de verdoemenis én Christus met overvloedige genade Gods. Wat hij schrijft en wat hij predikt is zoo echt Evangelisch, zoo echt Schriftuurlijk. Alle vleesch ligt voor God verdoemelijk en Jezus Christus moet onze gerechtigheid zijn, dan zal het wonder worden beleefd en aanschouwd, dat een goddelooze om niet gerechtvaardigd wordt zonder de werken der Wet.
Als Bunyan dan ook zijn verhaal van zijn bekeering verteld heeft en zelf zegt, welke gevolgtrekking en welke leering de Geest nu aan zijn ziele heeft gegeven, dan zegt hij: 1e. deze dingen doen mij mijzelven verafschuwen; 2e. zij houden mij terug van op mijn hart te vertrouwen; 3e zij overtuigen mij van de ongenoegzaamheid van alle eigene gerechtigheid; 4e. zij toonen mij de noodzakelijkheid om tot Jezus te vluchten; 5e. zij dringen mij om God te bidden; 6e. zij toonen mij dat ik moet waken en nuchteren zijn; 7e. zij sporen mij aan om God te bidden mij door Christus te helpen en door deze wereld te dragen.
Dat zijn de zeven leeringen, waarin Bunyan zelf is onderwezen door zijn God en waarmee hij dienen wil alle christenen, die aangevochten worden en alle zielen, die 't stof liggen neergebogen, opdat ze in mogen worden opgericht.
(Wordt voortgezet),

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 januari 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 januari 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's