De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vragen mogen open blijven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vragen mogen open blijven

Dr. Wilschut doet diepgaand onderzoek naar Paulus’ uitspraken over Israël

6 minuten leestijd

‘Herkenning bij elkaar in de eerbied voor het Woord van God.’ Dat vond dr. H.J.C.C.J. Wilschut bij zijn meelezers. Ik vind dat bij hem bij het lezen van zijn diepgravende exegese van Paulus’ woorden over Israël in de brief aan de Romeinen.

De titel van deze publicatie, Met twee woorden spreken, is sterk gekozen en krijgt gaandeweg in het boek steeds meer reliëf. Ds. Wilschut, emeritus predikant in de Protestantse Kerk in Nederland, ziet een diversiteit aan standpunten over de godsdienstige betekenis van Israël. Enerzijds wordt voor Israël een toekomst vol heil in het beloofde land verwacht. Anderzijds wordt aan Israël sinds Pinksteren geen bijzondere waarde meer toegekend. Ook leeft de verwachting van een massale volksbekering voor Israël aan het einde van de tijd.

Wilschut pleit ervoor om ten aanzien van Israël terughoudend te zijn met het vastleggen van standpunten in de vorm van een ‘nieuw kerkelijk belijden’. Hij waarschuwt voor een confessionele fixering van een bepaalde visie en benadrukt dat er ruimte moet zijn voor verschil van inzicht over de positie van Israël, zolang dat met de Schrift in de hand beargumenteerd kan worden.

Jood en Jood

De studie van Wilschut kent een heldere opbouw. Het eerste deel richt zich op Romeinen 1 tot 4 en het tweede deel op Romeinen 9 tot 11. Een breed intermezzo onder de titel ‘Status aparte voor Israël?’ vormt een tussenschakel.

In het eerste deel vertolkt Wilschut op exegetische gronden helder dat er coram Deo (voor het aangezicht van God) binnen het Joodse volk onderscheid is tussen Jood en Jood (Rom. 2:28-29) en dat er dus ‘met twee woorden’ gesproken moet worden. Er is onderscheid tussen de algemene verkiezing van Israël en de bijzondere verkiezing van de enkeling. Deze redenering lijkt mij legitiem.

Evenzeer val ik de auteur van harte bij als hij de zogenaamde tweewegenleer (in welke vorm dan ook) op grond van het onderwijs van Paulus in Romeinen 3 afwijst. Buiten Christus is er geen heil en geen behoud. ‘Omdat God één is, geldt de vaste regel van het geloof voor alle mensen, Jood of niet-Jood, zonder onderscheid’, aldus Wilschut. Samenvattend spreekt de auteur over ‘heilshistorisch reliëf en heilsordelijke gelijkheid’.

Vragen

In wat in het boek ‘Intermezzo’ heet, gaat Wilschut in gesprek met dr. W.J. Ouweneel en dr. M.J. Paul. Wilschut acht het een probleem dat bij Paul ‘het verbond met Abraham een eigen zelfstandigheid houdt’. Vervolgens tekent de auteur aan: ‘In nieuwtestamentische vorm leeft de besnijdenis als teken en zegel van het verbond voort in de doop. En de landbelofte in de belofte van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.’

Ik val de auteur bij als het gaat om de doorgaande lijn van Oude naar Nieuwe Testament – zowel wat betreft het teken en zegel van het verbond als het symbolische karakter van de landbelofte. Maar Wilschut overspeelt zijn hand als hij daarmee de blijvende geldigheid van Gods (oudtestamentische) beloften voor het volk van Israël ontkent. Ook zet hij een te direct isgelijkteken tussen besnijdenis en doop. Hij stelt: ‘Er is geen vervulling van het Oude Testament buiten het Nieuwe Testament om.’ Ten principale ervaar ik zijn betoog op dit punt als een miskenning van de blijvende betekenis van het Oude Testament. Het heeft niet slechts betekenis als voorbereiding op het Nieuwe, maar houdt ook blijvende geldigheid voor zover het Nieuwe Testament deze niet expliciet opheft.

De vraag hóe de oudtestamentische beloften in hun gelaagdheid concreet vervuld zullen worden, vereist grote bescheidenheid. Ik houd die vragen echter liever open dan dat ik op een of andere manier de in de Schriften opgeworpen verwachting voor het volk van Gods verbond zou temperen.

Eigen plek

Concreet betekent dit dat Wilschut juist hier met twee woorden had moeten spreken. Er is niet alleen sprake is van verdiepende en verbredende lijnen op grond van het Nieuwe Testament, maar daarnaast behoudt Israël ook na Pinksteren een eigen plek in de heilsgeschiedenis. Onderweg naar Christus’ tweede komst. Het is wat mij betreft evident dat daarmee geen toekomstscenario door ons valt uit te tekenen. Daarin val ik de auteur bij in zijn weerlegging van de positie van Ouweneel. Tegelijkertijd spitsen we wel ogen en oren bij wat zich in de concrete geschiedenis van de twintigste en eenentwintigste eeuw voltrekt.

Afstand

In zijn poging om vanuit het Nieuwe Testament de zelfstandige heilshistorische betekenis van Israël na Pinksteren ongegrond te verklaren, meent de auteur ook dat ‘de Heilige van Israël niet de trekken van een bepaald volk kan dragen’. Op dit punt neem ik nadrukkelijk afstand van zijn betoog. Zou het kunnen zijn dat God in Zijn verkiezende liefde al onze redeneerkunst overstijgt?

Het oudtestamentische spreken over Israël als ‘de knecht des HEEREN’ is veelzeggend. Wij hebben Gods soevereine keuze, dat de Zoon van God in de Jood Jezus Mens werd (en bleef!), te eerbiedigen en uit te dragen. Juist in een tijd waarin het gif van antisemitisme zich in onze samenleving in hevige vormen manifesteert. Het besef dat we in onze Heere en Heiland met een Jood te maken hebben, doet ons het antisemitisme eens te meer in al zijn verschrikking verstaan (C.J. Overeem).

Twijfelachtige benadering

In het tweede hoofddeel besteedt Wilschut uitgebreid aandacht aan de zogenaamde restgedachte (het ‘overblijfsel’). Daarbij passeren waardevolle inzichten de revue. Toch krijg ik juist hier de indruk dat de auteur een te sterke drang voelt om het geheel systematisch kloppend te krijgen. Daarmee lijkt hij af te wijken van zijn eigen uitgangspunt: met twee woorden spreken.

Waarom zo’n twijfelachtige benadering van de vraag of het afvallige Israël nog wel als ‘volk van Gods verbond’ kan worden aangeduid? Wilschut stelt: ‘Voor Israël als verbondsvolk moet je bij de gelovige rest zijn.’ Die formulering doet sterk denken aan wat in de verbondstheologie bij een bepaalde interpretatie van de zogenaamde tweeverbondenleer uit elkaar is getrokken: wel het teken van het verbond, maar toch niet echt deel uitmaken van het verbond.

Het is opvallend dat God, als Hij over Israël spreekt – ook als het gaat om het afvallige Israël –, blijft spreken over ‘Zijn volk’, hoezeer dat in een uiterst spanningsvolle relatie is. Zelfs ‘Lo-Ammi’ hoort toch: ‘U bent Mijn volk’ (Hos. 2:22).

God is blijvend betrokken op het volk waarvoor Hij liefde had opgevat en dat Hij had uitgekozen (Deut. 7:7). Op grond daarvan zie ik verwachtingsvol uit naar de wijze waarop de Messias van Israël Zich aan ‘Zijn oogappel’ (Zach. 2:8) en via hen aan de heidenvolken blijvend openbaart. Inderdaad, zo val ik de schrijver bij, zonder het volk van Israël te idealiseren of idoliseren. ‘Wie nadenkt over de plaats van Israël in de nieuwe bedeling moet niet eindigen in Israël, maar in God, vol bewondering voor Zijn weg met Israël en de volken.’ Ik dank mijn collega voor zijn bijdrage aan een blijvend noodzakelijk gesprek over de weg die de levende God met Israël en de volkeren gaat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 2025

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Vragen mogen open blijven

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 2025

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's