Erken je onkunde
Problemen bij de interpretatie van het boek Esther
In de theologische doordenking van de verhouding tussen Oude en Nieuwe Testament wordt het Bijbelboek Esther niet vaak als uitgangspunt genomen. Toch biedt juist dit boek waardevolle inzichten, zeker wanneer we het lezen met oog voor zowel de tekst zelf als de oudste interpretaties ervan.
In deze bijdrage — geschreven ter gelegenheid van het emeritaat van prof. dr. Mart-Jan Paul — richt ik me op drie aspecten: eerst geef ik mijn uitgangspunten bij de lectuur van Esther, vervolgens schets ik enkele hoofdlijnen van de exegese, en ten slotte bespreek ik hoe in de vroegste interpretaties van het Oude Testament is omgegaan met elementen die als problematisch werden ervaren.
Opvallend is dat in onze kring, met een benadering zoals die zichtbaar wordt in de Einleitung in das Alte Testament (Brunnen, 2023), de aandacht vaak ligt bij de latere uitlegtradities binnen de Kerk. De oudste interpretatiefase blijft daarentegen relatief onderbelicht.
Uitgangspunten
Bij de lectuur van Esther gelden de volgende uitgangspunten:
• God heeft gehandeld in de geschiedenis en het is (daarom) zinvol om daarop terug te blikken. Er ís een historische werkelijkheid, al kennen wij die niet volledig.
• Die geschiedenis heeft een schriftelijke neerslag gekregen: de canonieke tekst, voor het Oude Testament: de zogeheten proto-Masoretische Tekst, bekend vanaf de periode van Qumran.
• We moeten de Bijbel lezen zoals hij zichzelf presenteert. Daarbij zijn wel degelijk een aantal regels van toepassing rond context, genre, stijlkenmerken, maar de tekst is historisch betrouwbaar als hij historisch bedoeld is. (Het woord ‘historisch’ betekent niet ‘onpartijdig’ of ‘nietinterpreterend’.)
• De principes die vervat liggen in de Bijbel en die moeten worden ontdekt door gelovigen – in het bijzonder door theologen –, blijven bestaan door alle tijden heen.
• Zolang de Bijbel bestaat, hebben gelovigen zich tot die tekst gewend om te weten wat ze moesten doen, hoe ze moesten leven. De Bijbelse principes moeten we toepassen in onze eigen tijd. Elke tijd heeft nieuwe vragen vanuit archeologische vondsten, literaire inzichten, sociologische ontwikkelingen, exact-wetenschappelijke ontdekkingen. Daarover moet grondig worden nagedacht, op zoek naar nieuwe antwoorden op nieuwe vragen. Met een open geest, maar zonder zomaar achter de tijdgeest aan te gaan. In dat proces kunnen binnen de christelijke kerk meningsverschillen ontstaan.
Dicht bij West-Europa
De omstandigheden van het Estherboek staan eigenlijk dicht bij die van ons in West-Europa. We leven niet onder vervolging, maar evenmin in een maatschappij die door christenen wordt geregeerd, al gelden er zeker een aantal christelijke principes. Denk aan gelijkwaardigheid van alle mensen, steun aan de zwakken, en het belang van onderwijs. Evenmin leven we in een stelsel waarbij profeten concreet maken wat Gods wil is. Dat komt dus driemaal overeen met Esthers situatie, althans in het begin van het verhaal.
God wordt niet vermeld in het Estherboek, Hij lijkt afwezig te zijn. En toch: de gelovige lezer ziet in het literaire middelpunt (Esther 6:1-3) de hand van God. Dat vertrouwend geloof kunnen we ook hebben voor onze eigen situatie, terwijl we tegelijk onze verantwoordelijkheid hebben.
Betrokkenheid
Die verantwoordelijkheid lijkt behoorlijk vér te gaan. Gelovigen zijn geroepen om de wetten van het land zo lang mogelijk te gehoorzamen. De kans is reëel dat er een punt komt waarop de gelovige, uit principe, de overheid niet meer kan volgen. Maar uiteindelijk blijkt de Perzische koning beter gediend door Esther en Mordechai dan door Haman. Overigens ga ik uit van een omslag bij Esther: na in beslag te zijn genomen door het Perzische hof, maakt ze in Esther 4 een beweging terug naar haar Jood-zijn. Tegelijk is die fase van betrokkenheid op de Perzische maatschappij voorwaarde geweest voor haar latere betrokkenheid op het Joodse volk.
Ethische bezwaren
Onze positieve houding ten opzichte van de Bijbeltekst ontslaat ons er niet van kritische opmerkingen te overwegen die worden gemaakt bij ethische aspecten van het Estherboek. Zelfs als deze opmerkingen hun oorsprong vinden in een gebrek aan begrip voor de concrete omstandigheden, voor een typisch oudtestamentische benadering of voor een algemeen-Bijbelse benadering.
De Versiones, de oudste Bijbelvertalingen, zijn vaak op een bijzondere wijze omgesprongen met die ethische bezwaren. Voor theologen en liefhebbers: het gaat hierbij om het Griekse cluster (uit de eeuwen rond de tijdperkwisseling) van de Septuagint, de Vetus Latina (Latijnse vertaling van een Griekse vertaling) en de Alphatekst en om het Aramese cluster van Targum I en Targum II (begin middeleeuwen).
Zo heeft de Vetus Latina moeite met de ongehoorzaamheid aan het gezag en benadrukt ze daarom in Esther 1:19 de slechtheid van koningin Vasthi door een toevoeging in de vertaling (‘en over de slechtheid van koningin Vasthi, hoe ze misbruik van u heeft gemaakt’). In Esther 3:8 heeft Targum II een toevoeging van zelfs twee bladzijden, waarin duidelijk wordt gemaakt dat de Joodse vertaler goed op de hoogte was van alle verschillen met de heidenen die bij de Joden werden opgemerkt.
Esther zet in op karakter
Esthers leven aan het Perzische hof brengt haar in conflict met onze (joods-christelijke) ethiek op het gebied van relaties en seksualiteit. Daarbij moeten we beseffen dat ‘zij werd meegenomen’ (Esther 2:8). Hiërarchische verhoudingen lagen in het Oude Nabije Oosten strakker dan in onze maatschappij. Daarnaast wordt terecht opgemerkt dat Esther vooral op karakter inzet en niet op uiterlijkheden. Terwijl in de canonieke tekst veel aan het denkvermogen van de lezers wordt overgelaten, pakken de Versiones het probleem expliciet aan. Zo lezen we in Esthers gebed, een aanvulling van onder andere de Septuagint tussen de canonieke hoofdstukken 4 en 5: ‘En U weet dat ik de glorie van wettelozen haatte en gruwel van het bed van onbesnedenen en van elke vreemdeling’. De tweede Targum is omfloerster in zijn toevoeging aan Esther 4:11, zodat de vertaling gewoon kan worden voorgelezen tijdens de eredienst: ‘En zie, ik ben dertig dagen aan het bidden dat de koning mij niet zou willen, zodat hij mij niet zou doen zondigen’.
Esther 2:9 doet vermoeden dat Esther zich niet aan de spijswetten hield. Dit wordt in ditzelfde vers door de tweede Targum ontkend door een toevoeging: ‘En de spijzen die ze haar, Esther, gaven, gaf ze in de mond van de dienstmeisjes.’
Hoogmoedige Mordechai?
Blijkbaar hebben lezers het Mordechai kwalijk genomen dat hij weigerde te buigen voor Haman (Esther 3:1-2). Hij bracht zo zijn volk in gevaar, het leverde niets op en dus was het eigenlijk een vorm van arrogantie. Dat wordt niet zo uitgelegd in de tekst zelf, maar de Septuagint houdt hiermee rekening en voegt een verklaring toe: ‘U weet, o Heer, dat ik dit niet heb gedaan in overmoed noch in hoogmoed noch in eerzucht, [namelijk] het niet buigen voor de hoogmoedige Haman, omdat ik ermee zou hebben ingestemd de zolen van zijn voeten te kussen voor de redding van Israël, maar ik deed dit, opdat ik geen eer van een mens zou plaatsen boven de eer van God, en ik zal voor niemand buigen behalve voor U, mijn Heer, en ik zal deze dingen niet in hoogmoed doen.’
Grote aantallen
Terwijl het woord ‘wreken’ (Esther 8:13) in onze maatschappij al snel doet denken aan willekeur en wreedheid, gaat het in het Oude Testament bij de term om redding en rechtvaardiging. Het initiatief hiertoe dient van God uit te gaan. Hij heeft het recht om op te treden tegen zonde. De Septuaginta zag echter al in dat Griekse lezers deze theologische achtergrond niet hadden. Ze vermeed daarom het woord ‘wraak’ en koos in Esther 8:13 voor een alternatieve vertaling: ‘dat zij oorlog zouden voeren tegen hun tegenstanders’. De Alphatekst liet enerzijds heel het vers weg, maar vult het (toegevoegde) gebed van Esther aan met haar vraag om een handelend optreden van God: ‘Wend zijn [’s konings] hart tot haat voor degene die ons bestrijdt met het oog op diens einde en dat van degenen die het met hem eens zijn.’ In een nieuwe fase van de verdedigingsoperatie doet het getal van 75.000 (Esther 9:16) huiveren, al rijst de vraag of we het Hebreeuwse ‘elef’ wiskundig moeten vertalen of als ‘grote eenheid’. De Versiones bieden alvast lagere aantallen. We zien dus dat de Versiones eigen interpretatie toevoegen, evenals uitleg, en heikele punten weglaten. Technieken die we nu niet meer aanvaarden in Bijbelvertalingen. (Bedenk overigens wel dat in de eredienst naast de Targum formeel steeds de Bijbeltekst werd gelezen.)
Problemen onder ogen zien
Commentaren hebben de neiging om de problemen niet te noemen. We moeten echter de problemen onder ogen zien en eventueel onze onkunde erkennen. We moeten aandacht hebben voor de vragen die rijzen vanuit de oudtestamentische context, de geschiedenis van de exegese (bijvoorbeeld de Versiones) en onze eigen context anno 2025. De jonge emeritus, dr. M.J. Paul, heeft hieraan in heel zijn carrière ruim aandacht besteed. Maar de geschiedenis gaat verder en daarom een oproep aan de nieuwe generatie: dit werk blijft noodzakelijk in een steeds verder evoluerende maatschappij.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 2025
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 2025
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's