De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Hopeloosheid en uitzicht

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hopeloosheid en uitzicht

(On)vervulde beloften in Hosea

5 minuten leestijd

De profeet Hosea is vooral bekend vanwege zijn huwelijk met een overspelige vrouw: Gomer. Een verbintenis die de afvalligheid van het tienstammenrijk moest uitbeelden. Zijn boek beweegt tussen uitersten: van totale hopeloosheid tot onverwachte verlossing.

De profeet Hosea leefde in de achtste eeuw voor Christus, vóór de verwoesting van Samaria. Het gelijknamige Bijbelboek bestaat uit twee delen: de verhalende hoofdstukken (1-3) en de profetische redevoeringen (4-14). De profeet krijgt de opdracht een “vrouw van de hoererijen” te trouwen. Dat kan betekenen dat zij van meet af aan zo bekendstond, maar het is ook mogelijk dat zij pas later dat verkeerde gedrag ging vertonen. Die tweede uitleg sluit aan bij de parallel die God trekt: Hij vergelijkt Israël met een overspelige vrouw, vanwege zijn ontrouw na het sluiten van het verbond. De vrouw van Hosea, Gomer, krijgt kinderen met symbolische namen: Jizreël, Lo-Ruchama (‘geen ontferming’) en Lo-Ammi (‘niet Mijn volk’).

Ambtsdragers

Voor ons voelt het vreemd dat een profeet zo’n ingrijpende opdracht krijgt, die zo direct zijn persoonlijke leven raakt. De meeste ambtsdragers van nu proberen hun privéleven en hun kerkelijke taak toch enigszins gescheiden te houden. Belangrijk om te beseffen is dat profeten geen gewone ambtsdragers waren, zoals priesters en Levieten.

Hoe konden profeten de Israëlieten bereiken? Sommigen gebruikten daarvoor symbolische handelingen. Zo lag Ezechiël op zijn zijde op straat (Ezech. 4) en gaf Jesaja zijn kinderen symbolische namen (Jes. 7-8). Zulke opvallende daden riepen vragen op bij de omstanders en boden de profeten de kans hun boodschap uit te leggen.

Op die manier krijgt Hosea de gelegenheid de namen van zijn kinderen toe te lichten. Zijn woorden van kritiek op het volk zijn scherp, maar ook hoopvol: hij kondigt aan dat de Israëlieten opnieuw kinderen van de levende God zullen worden. In de toekomst zal gezegd worden: Ammi (‘Mijn volk’) en Ruchama (‘ontferming’). Dat laat zien dat de verbondsrelatie tussen God en Zijn volk nooit helemaal wordt verbroken. Binnen het kader van dat verbond kunnen zware straffen volgen, maar toch is er daarna weer herstel. Dat blijkt ook uit het slot van Leviticus 26: na de uitvoering van de vervloekingen, is er een mogelijkheid van vergeving en herstel (vgl. Deut. 30:1-10).

Kalverdienst

Toen Jerobeam koning werd over het tienstammenrijk, richtte hij twee heiligdommen in met gouden kalveren: één in Dan in het noorden en één in Bethel in het zuiden. Hosea beschrijft deze kalverdienst in hoofdstuk 8 (zie ook 10:5 en 13:2) als de oorzaak van de val van het noordelijke rijk. De naam Beth-Aven (‘huis van slechtheid’; 4:15; 10:5) geeft treffender weer wat er werkelijk gebeurde dan de oorspronkelijke naam Bethel (‘huis van God’). Daarnaast vereerde het volk ook de Baäls – waarschijnlijk in een mengvorm met hun eigen godsdienst. De Baäldienst had een sterke aantrekkingskracht, omdat Baäl als vruchtbaarheidsgod werd gezien, verantwoordelijk voor de oogst. Blijkbaar vonden de Israëlieten het moeilijk te geloven dat alleen de Heere voedsel schenkt.

Hosea klaagt ook de priesters aan en verwijt hun het geven van slecht onderwijs (4:6). Verkeerd onderricht door priesters is catastrofaal voor het volk: het gaat hierdoor ten onder. In hoofdstuk 4:8 staat het verwijt dat de priesters de zonde van Gods volk eten: zij eten een deel van de offers en schenken het volk altijd vergeving.

Onvoorwaardelijke liefde

Na een periode van straf ontfermt de Heere Zich uiteindelijk weer over Zijn volk. Vooral Hosea 11 legt van dit proces getuigenis af. De grond voor Gods erbarmen ligt in Zijn onvoorwaardelijke liefde. In een toespeling op de beloften aan Abraham wordt gezegd dat het nageslacht van de zonen van Israël zo talrijk zal zijn als het zand van de zee, dat niet te meten en niet te tellen is (Hos. 1:10; Gen. 22:17). De Israëlieten zullen veel dagen leven zonder koning, zonder vorst, zonder offer, en zonder gewijde steen, zonder efod en terafim (3:4). De koning en de vorst vertegenwoordigen de politieke ordening.

Die zal verdwijnen. Ook de offers zullen ophouden, want de ballingschap is aanstaande. Daaraan komt op den duur wel een einde, omdat de Israëlieten zullen terugkeren en de Heere, hun God, en David, hun koning, zullen zoeken (3:5).

Het gaat hier over een toekomstige David uit het oude koningshuis, een leider voor het verenigde koninkrijk van Israël en Juda. Dit herinnert aan het blijvende verbond met David (2 Sam. 7:13-14). Vol vreugde komen de Israëlieten. Na loutering komt er een tijd waarin ze met een toegewijd hart God zullen zoeken. God Zelf grijpt in: “Ik zal hun afkerigheid genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want Mijn toorn heeft zich van hem afgewend” (14:5).

Beloofde David

Tussen alle historische details is het belangrijk te beseffen hoe God Zich in dit Bijbelgedeelte openbaart: rechtvaardig en straffend, maar ook genadig en vol ontferming. Hij laat Zijn karakter zien – iets van blijvend belang. God maakt duidelijk wie wij mensen zijn, en Wie Hij is. Dat kan ons ook in persoonlijke omstandigheden zeer aanspreken: Hij blijft niet eeuwig toornig en blijft trouw aan Zijn beloften. De beloofde David is gekomen in de tijd van het Nieuwe Testament. Hij kwam om verzoening te brengen en maakte Gods ontferming mogelijk voor schuldige mensen. Die genade geldt niet alleen Israël, maar ook de volken.

De beloofde heilstijd is begonnen, maar nog niet alle beloften uit het boek Hosea zijn vervuld. Er wordt gesproken over de bekering van Israëlieten en Judeeërs (1:11; 3:5) en over de zegeningen die daarop zullen volgen. In de tijd van het boek Handelingen kwamen weliswaar duizenden Joden tot geloof in Jezus, maar van een volksbekering was geen sprake. Hoe sterk verlangde de apostel Paulus ernaar om dat mee te maken! Hij was ervan overtuigd dat die dag zou komen (Rom. 11:26). Te midden van alle politieke en geestelijke ontwikkelingen – ook in het Midden-Oosten – mogen we ons vasthouden aan Gods beloften.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 2025

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Hopeloosheid en uitzicht

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 2025

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's