De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een ongemakkelijk woord van Jezus

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een ongemakkelijk woord van Jezus

‘Laat de doden hun doden begraven’

7 minuten leestijd

In veel gemeenten klinken op de laatste zondag van het kerkelijk jaar de namen van hen die in het voorbije jaar gestorven zijn. Een goede gewoonte. Alhoewel, zegt de Heere Jezus niet: “Volg Mij, en laat de doden hun doden begraven”? Ook al is de dode je vader, laat de begrafenis aan anderen over… Dat klinkt als een gevoelloos bevel. Wat moeten we met deze uitspraak?

Opvallend is dat met name westerse uitleggers zich haasten om deze ongemakkelijke uitspraak van Jezus in Lukas 9:60 te neutraliseren. De Duitse nieuwtestamenticus Martin Hengel stelt in een kleine, maar knappe studie dat dit woord van Jezus weliswaar uniek is in de joodse context, maar voor vandaag niet meer dezelfde zeggingskracht heeft als in de eerste eeuw. Ulrich Luz, gerenommeerd Mattheüs-onderzoeker uit Zwitserland, is dat met hem eens. In zijn grote commentaar op het Mattheüsevangelie schrijft hij dat deze uitspraak geen algemeen voorschrift bevat voor de kerk. Maar waarom staat het dan in de Bijbel?

Geestelijke uitleg

De vroege kerk vergeestelijkte deze oproep van de Heere Jezus vaak. Zo legt Augustinus uit dat het hier om de geestelijk doden, ongelovigen, gaat die de gestorvenen moeten begraven. In een preek zegt hij: “Je zult je verwekker moeten liefhebben, maar je Schepper verkiezen” – om te benadrukken dat Christus voor alles gaat.

Er zijn uitleggers die in dit spoor verdergaan door het woord van Jezus terug te vertalen naar het Aramees. Zo filter je de scherpte eruit: het zijn nu de ‘onbeslisten’ die de doden moeten begraven, terwijl de ware gelovigen (als vanzelf) vol ijver bezig zijn met de dingen van Gods Koninkrijk. Weer anderen suggereren dat de discipel die aan Jezus vraagt om zijn vader te mogen begraven in feite vraagt om te mogen wachten met het volgen van Jezus tot zijn ouders gestorven zijn.

Als de zaak niet zo ernstig was, is het bijna vermakelijk om te zien hoe exegeten de uitspraak van de Heere Jezus onschadelijk proberen te maken. Calvijn komt ons dichter op de huid wanneer hij schrijft dat kinderen weliswaar hun plichten hebben jegens hun ouders, maar dat deze plichten ondergeschikt zijn aan het gebod van Christus.

Waardige begrafenis

Commentaren wijzen vrijwel unaniem op joodse bronnen die het belang van een waardige begrafenis benadrukken, vaak in combinatie met het gebod vader en moeder te eren. Het begraven van je ouders is een dure plicht, een regelrechte schande wanneer dat om welke reden ook geen doorgang kon vinden.

Doorgaans duurde een rouwperiode zeven dagen. Volgens het vijfde gebod is het de verantwoordelijkheid van kleine én volwassen kinderen om ouders de laatste eer te bewijzen.

In het apocriefe boek Tobit staat een verhaal over een zoon die zich zorgen maakt over de vraag wie de laatste zorg aan zijn vader besteedt als hij eerder sterft. Elisa krijgt van Elia wél de gelegenheid om van zijn vader en moeder afscheid te nemen (1 Kon. 19:19-21). Dus wat moeten we met dit schokkende antwoord van Jezus?

Discipel-zijn is een werkwoord

Het is bijzonder dat Mattheüs vermeldt dat een discipel de vraag stelt. Lukas heeft het over “een ander” (Luk. 9:59). Discipelschap is in het eerste Evangeliegeschrift een belangrijk thema, steeds verbonden met gehoorzaamheid. Leerling-zijn is een werkwoord. Herhaaldelijk roept Jezus op Hem te volgen – hoeveel dat ook kost. Iets waar we snel overheen lezen in Mattheüs 8:21 is het kleine woordje ‘eerst’: “Heere, sta mij toe dat ik eerst wegga en mijn vader begraaf.” Legt precies dát niet onze lauwheid en halfheid bloot? Wat komt er, als het puntje bij het paaltje komt, bij ons toch altijd weer eerst? De Heere Jezus moet maar even wachten. Een nieuw begin maken met Jezus is één, maar werkelijk alles uit handen laten vallen is twee. De kleine verbeteringen die wij in ons leven aanbrengen na het horen van het Evangelie, kunnen toch geen werkelijke navolging heten? Dit “kruiswoord” (O. Noordmans) is afsnijdend, maar klinkt dan ook in de context van Jezus’ onderweg-zijn. Het Evangelie kent vaart en gerichtheid; beslissingen moeten vandaag vallen, niet morgen. Wie Jezus volgt, zal leven. Wie achterblijft, is ten dode opgeschreven.

Mensenzoon

In dit verband valt de term Mensenzoon, die de Heere Jezus op Zichzelf toepast, voor het eerst in het Mattheüsevangelie. Ongetwijfeld duidt deze aanduiding op de Heere Jezus als de komende Rechter van de wereld. Groot is het contrast: Hij Die spoedig komt op de wolken, heeft op aarde volstrekt niets in bezit. Geen onderkomen, zelfs niets waarop Hij het hoofd kan neerleggen (Matth. 8:20). Iets later ontbreekt in Mattheüs’ beschrijving van de storm op zee daarom zelfs het hoofdkussen in het schip (Matth. 8:24; vgl. Mark. 4:38). We kunnen het woord van Jezus over de doden die doden moeten begraven alleen begrijpen als we de sfeer van urgentie volledig honoreren. Dit is bepaald geen tekst voor huiselijk gebruik; de kruisbalk ligt door het héle Evangelie.

Wonder

Opvallend is ten slotte dat Mattheüs deze gebeurtenis opneemt in de hoofdstukken (8 en 9) waarin hij precies tien wonderen beschrijft – misschien wel als een contrast met de tien plagen in Egypte. Er is een wonder voor nodig om echt van alles bevrijd te raken, voordat je de Heere Jezus op de eerste plaats wilt zetten. Ik heb de indruk dat zusters en broeders in Nigeria, India en Noord-Korea veel teksten uit de Schrift beter vatten dan wij. Hun levensverhalen brengen ons in grote verlegenheid. Een Iraans gezin vertelde mij eens over de diepe verschrikkingen die ze hadden meegemaakt. Ze lieten álles achter – ook de familie, die ze nooit meer zouden zien. Van het woord hermeneutiek hadden ze niet gehoord. Maar zij begrepen deze tekst meteen. “Het is soms nodig het Evangelie zonder enige reserve, letterlijk, lijfelijk te verstaan. Dan slaat de schrik ons om het hart” (J.M. Hasselaar).

Eeuwigheidszondag

Wat heeft dit alles nu met het gedenken van overleden gemeenteleden op eeuwigheidszondag te maken? We kunnen wat mij betreft in elk geval een vraagteken plaatsen bij twee gebruiken die min of meer gemeengoed zijn geworden.

Als ik het goed zie, zijn we in de gemeenten grotendeels geruisloos overgegaan tot het gedenken van de overledenen op de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Zoals dat met meer dingen gaat, zonder al te veel ophef of bezinning. Nu wil ik de staf niet breken over het moment waarop, maar wanneer dit geen principiële kwestie is, overweeg het dan op eerste paasdag te doen. Hoe mooi zou het zijn wanneer we dan ook die onkerkelijke families uitnodigen van wie de naam van een geliefde klinkt.

We hebben op deze zondag de beste boodschap ooit. Bovendien staan we met het gedenken van de gestorvenen op de paasmorgen meer in contact met hen die verlangend uitzien naar de wederkomst van Christus en de opstanding uit de doden. Met zuster Altynai (niet haar echte naam) uit Centraal-Azië bijvoorbeeld, die haar zoon alleen mocht begraven wanneer ze het geloof opgaf. Of de zusters en broeders uit Bangladesh die een familielid missen, omdat die werd vermoord vanwege de Naam van Jezus.

In memoriam

En dan hebben we nog het in memoriam in de rouwdienst, steeds vaker dankdienst voor het leven genoemd. De gedachtenis aan de geliefde – meer dan eens in tweede persoon enkelvoud – dijt almaar uit. Met grote schrik zie ik soms hoe dochter of zoon een heus stapeltje papieren tevoorschijn haalt, dikker dan het bundeltje aantekeningen dat ik heb meegenomen. “Doe het maar liever aan het begin van de rouwdienst”, had ik nog gezegd. Het kan maar gezegd zijn. Dan kunnen we daarna het echte werk aanvatten. Dat zou je meteen willen terugdraaien. Want hoe voeg je in, na zo veel wierook op de overledene? Moet er nog genade verkondigd worden als we (kennelijk) een heilige gaan begraven? Zouden de verhalen, als we ze toch willen vertellen, niet een beetje eerlijker kunnen? We sterven als zondaren, moeten allemaal van de vreemde vrijspraak leven, al is dat bij de een wat meer zichtbaar dan bij de ander. Te vaak ben ik in een rouwdienst waarbij ik bij alles wat ik hoor tot mijn grote schrik bedenk: zit ik hier wel goed? Laten we in álle erediensten vooral werk maken van het gedenken van de Levende. We sluiten het kerkelijk jaar niet af met de herinnering aan onze doden, maar eindigen in Hem Die leeft in alle eeuwigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 2025

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Een ongemakkelijk woord van Jezus

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 2025

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's