De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Poëzie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Poëzie

4 minuten leestijd

Soms ben je op een late avond onderweg, en zie je in de verte in het duister een boerderij liggen. Een paar verlichte raampjes, een enkele lantaarn op het erf. Leven is er niet te zien: dat speelt zich binnen af, in het woonhuis en de stallen. Zo’n boerenbedoening is een wereldje op zichzelf. Wat er gebeurt, gebeurt in het verborgene. Het ligt daar afgezonderd, schijnbaar geïsoleerd van alles eromheen.

De boer in dit gedicht van Aart van der Leeuw beleeft het ook zo. Er hangt een sfeer van eenzaamheid om hem heen. Het gaat even over de knechten, maar die slapen al, of ze zijn naar hun eigen huis. Heeft hij een vrouw? Ze wordt niet genoemd. Het gaat alleen over hem en zijn dieren. Het overige speelt geen rol.

In het avonduur gaat de boer zijn hoeve nog eens rond, hij kijkt of de knechten hun werk goed hebben gedaan. Alleen een zwijgende hond houdt hem gezelschap. Van der Leeuw zegt het prachtig, in een regel die iets spreekwoordelijks heeft: “En als zijn schaduw volgt hem trouw de hond”.

Dan komt hij bij de dieren. Hij heeft de tijd, rustig staat hij te luisteren naar hoe ze ademen. Het roept de tekst uit Spreuken 12 in gedachten: “De rechtvaardige kent het leven van zijn vee”. Bijzonder dat het Hebreeuwse woord dat hier met ‘leven’ vertaald is, ook ‘levensadem’ kan betekenen. Luisteren naar de adem is luisteren naar het leven! De damp nevelt “als een nimbus” om de lamp (een nimbus is de stralenkrans om het hoofd van heiligen). Zo licht er iets van heiligheid op in dit alledaagse, intieme tafereel.

Als hij bij de paarden komt, luistert de boer niet alleen, maar spreekt hij ook. Hij spreekt de paarden zelfs aan: daar zit iets persoonlijks in, op echt contact gericht. De paarden spreken hem op hun manier trouwens ook aan: ze verwelkomen hem door met hun hoeven te stampen. Speels steken ze hem de koppen toe, die hij rustig streelt.

Eenmaal weer binnen zit hij peinzend bij het vuur, vervuld van de gedachte aan zijn dieren. Dan leest hij uit de Bijbel het hoofdstuk over de zondvloed, hoe Noach met zijn tochtgenoten lang over het “oeverloze” water dreef.

En terwijl hij daarover zit te mijmeren, valt de afstand ineens weg: dan is het opeens alsof hijzelf Noach is, die met zijn dieren over het water gaat: een door God verkorene, geheel en al afhankelijk van de Schepper – maar ook degene die verantwoordelijk is voor de dieren, die waakt over hun welzijn, die meewerkt aan hun behoud.

Is dat niet een prachtig beeld van een mens die zijn Maker kent, en zijn taak verstaat?


De Dieren

De landman gaat, nu de avond is gevallen,

En de arbeid slaapt, voor ’t laatst zijn hoeve rond;

Hij keurt het werk der knechts in schuur en stallen,

En als zijn schaduw volgt hem trouw de hond.

Hij toeft bij ’t vee, en luistert hoe het ademt;

Rond schoft en horen hangt een warme damp,

Die met een geur van zomer hem bewademt,

En in een nimbus nevelt om de lamp.

Dan loopt hij tastend langs de ruif der paarden,

Verwelkomd door een dreunend hoefgeklop;

Hij spreekt hen aan, en streelt een ruig behaarde,

Een speels hem toegestoken manenkop.

En als hij eindlijk, rustig na ’t volbrachte,

De handen boven ’t vlammend houtvuur heft,

Vervult hem nog de ontroerende gedachte

Aan wat rondom hem leeft en ’t niet beseft.

Hij peinst, en leest in ’t boek met koopren sloten

Het hoofdstuk uit, dat Noachs tocht beschrijft,

Hoe de arke met haar simple reisgenoten

Lang op den oeverlozen zondvloed drijft.

Gans in het wonderbaar verhaal verloren,

Terwijl hij mijmrend in den haardgloed staart,

Lijkt het hem of, door God daartoe verkoren,

Hij met zijn dieren over ’t water vaart.

Aart van der Leeuw

(1876-1931)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 19 januari 2026

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Poëzie

Bekijk de hele uitgave van maandag 19 januari 2026

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's