Staat en Maatschappij.
Onze taak.
Met het verschijnen van het eerste nummer van „De Waarheidsvriend" wenschen wij het zonder eenig voorbehoud en als onze vaste overtuiging uit te spreken, dat ook in de kolommen van ons blad ruimte behoort te zijn voor het bespreken van de belangen van „Staat en Maatschappij."
Wij staan niet op het standpunt en gaan niet van de meening uit, dat in een blad, waarin de Gereformeerde beginselen worden voorgestaan, gelijk wel eens beweerd wordt, alleen maar plaats is voor stichtelijke lectuur, voor zaken het kerkelijk leven betreffende, of voor dergelijke onderwerpen meer, zocdat alles wat niet tot die dingen behoort, of er niet onmiddellijk mede in verband staat, contrabande zou zijn.
Deze beschouwing is niet de onze. Het is niet het beginsel waaruit wij leven, en waarmede wij accoord gaan. En wel eenvoudig hierom, omdat het niet overeenkomstig het Woord Gods is. God de Heere is Koning op alle terrein des levens. Niet alleen op het terrein van kerk, school en gezin; maar ook voor staat en maatschappij hebben wij naar Zijne ordinautien te vragen en naar die ordonnantiën te leven. Dit is de eisch, dien de Heere ons doet hooren.
Ook onze Gereformeerde vaderen hebben steeds zoo gedacht. Zij schreven in artikel 36 der Geloofsbelijdenis :
„Wij gelooven dat onze goede God, uit oorzaak der verdorvenheid des menschelijken geslachts. Koningen, Prinsen en Overheden verordend heeft, willende dat de wereld geregeerd worde door wetten en politiën, opdat de ongebondenheid der menschen bedwongen worde en het alles met goede ordonnantie onder de menschen toega."
Vooral op dit: „dat de wereld geregeerd worde door wetten en politiën" komt het hier aan. Die wetten en politiën hebben ons niet onverschillig te laten. Integendeel, wij hebben ze te prijzen en mede te werken, dat ze in hunnen grondslag overeenkomstig het. Woord zijn en niet tegen de ordinantiën daaruit ingaan.
Maar de opstellers van de Geloofsbelijdenis staan hier in hunne meening niet alleen. Ook Calvijn sprak in denzelfden geest. Zelfs zegt de groote Hervormer 't veel sterker, als hij in zijne „Institutie" opkomt tegen de eerste tegenwerping der wederdoopers, luidende: „dat de burgerlijke regeering een Christenmensch niet past." Calvijn voert daartegen dan aan:
„De uitzinnige menschen, die vermaak en behagen hebben in eene ongebonden vrijheid, roepen en pochen wel aldus: Nademaal wij door Christus den elementen dezer wereld gestorven zijn en in het Rijk Gods overgezet zijnde, zitplaats hebben onder de inwoners des Hemels, zoo betaamt het ons niet, en 't is verre beneden onze waardigheid, onszelven bezig te houden met deze onheilige en onreine bekommeringen, dewelke de handelingen dezer wereld betreffen en van dewelke de Christenen zeer verre vervreemd en afgezonderd zijn moeten."
Daartegen nu voert de groote Hervormer aan:
„Maar gelijk wij kort voor deze geleerd hebben, dat deze wijze van regeering (burgerlijke regeering) onderscheiden is van het geestelijk en inwendig Rijk van Christus, alzoo moeten wij ook weten, dat ze tegen elkander NIET strijden."
Calvijn gaat dan verder met te spreken over de vrucht en nuttigheid dezer burgerlijke regeering, om daarna de taak en roeping der Overheid vast te stellen.
De opstellers der Gereformeerde Geloofsbelijdenis, zoowel als Calvijn, ener ware gemakkelijk nog tal van uitspraken van Gereformeerde schrijvers aan toe te voegen, om van ééne zelfde meening te doen blijken, staan dus zonder eenige reserve op dit beginsel, dat krachtens Gereform.eerd standpunt geen onverschilligheid mag bestaan voor het staatkundige en maatschappelijke leven, dat we in de burgerlijke regeering en in de overheid, inzettingen Gods hebben te zieii en dat het onze roeping is, dat ook op dit publieke terrein overeenkomstig het Woord worde gehandeld.
Wij kunnen en mogen ons daarom niet terugtrekken of ons afkeerig toonen, om in staat en maatschappij voor de eere van Koning Jezus op te komen. Dit doende zouden wij de Schrift ter zijde stellen en op eigen gekozen wegen gaan wandelen. Daaraan doen wij niet mede, en daarom zullen wij, onder beding van Gods gunste, ook op die punten de lezers van „De Waarheidsvriend" blijven voorlichten.
De tegenstelling.
Om ons rekenschap te geven omtrent de vraag: welke positie wij op het staatkundig en maatschappelijk erf innemen, mogen wij die positie niet allereerst afbakenen ten opzichte van wat ons van anderen onderscheidt in de practische toepassing der beginselen bij de wetgeving.
Aan alles moet voorafgaan, hoe 't met die Beginselen zelve staat.
En dan zij deze tegenstelling duidelijk aangegeven, dat het ONZE bedoeling in het staatsbeleid js steeds te vragen naar den wil Gods, en niet het land te laten regeeren naar den wil van den mensch.
Dit is het beginsel van ons en van den tegenstander zoo duidelijk en klaar mogelijk geformuleerd.
En om nu voor. ons mannen van Gereformeerden huize aan te geven wat onder den wil Gods verstaan en hoe die gekend wordt, daar hebben we de belijdenis der Gereforineerde Kerken op te slaan. Als antwoord op de vraag: Hoe kennen we den wil van God ? lezen we in artikel 2: „Wij kennen Hem door twee middelen, ten eerste door de schepping, onderhouding en regeering der geheele wereld, overmits dezelve voor onze oogen is als een schoon boek, in hetwelk alle schepselen, groote en kleine, gelijk als letteren zijn", en ten tweede: „Hij geeftzichzelven ons nog klaarder en volkomenlijker te kennen door Zijn heilig en Goddelijk Woord."
Hoe die middelen nu in toepassing moeten gebracht worden, daarover den volgenden keer.
Een gevaar.
In de rede bij de opening van de zitting der Staten-Generaal, door den Minister van Binnenlandsche Zaken uitgesproken, werd o. m. medegedeeld: dat een plan in overweging is tot meer doeltreffende subsidieering in de kosten van schoolbouw, welke thans het bijzonder lager onderwijs menigmaal al te zwaar drukken.
De toezegging hier door de regeering - gedaan, moét voorzeker de voorstanders der Christelijke school met blijdschap hebben vervuld.
Toch rijst onwillekeurig de vraag, of hier geen gevaar dreigt en wel in dien zin, dat zoolang de regeeringsbelofte niet is ingelost geworden, er stagnatie komen zal in het ter hand nemen van nieuwen schoolbouw.
Allicht zullen schoolbesturen, bij wie plannen bestaan om scholen te stichten, op de indiening en behandeling van het toegezegde wetsontwerp wachten. Men komt immers dan in zooveel gunstiger conditie als op dit oogenblik. Nu zal men geld op hypotheek moeten nemen, maar als men een wijle wacht, helpt de Rijkskas ons, zonder dat dit ons iets kost, aan subsidie.
Daarin zit nu, naar het ons voorkomt, het gevaar waarop wij doelden. En dat dit gevaar niet denkbeeldig zal blijken te zijn, zullen ons de komende jaren wel leeren.
Daarom lijkt het ons toe, dat met de indiening van het wetsontwerp groote spoed zal moeten gemaakt worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 december 1909
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 december 1909
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's