De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking

9 minuten leestijd

Kan ook eene vrouw haren zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon van haren schoot? Ofschoon deze vergate, zoo zal Ik toch u niet vergeten! Jes. 49:15.

In ons menschelijk leven is nauw een band denkbaar, teerder dan die tusschen moeder en kind. De moederlijke liefde is een mysterie, een verborgenheid, die God de Heere deed wortelen in onze menschelijke natuur. Daarom vindt men haar overal, waar menschen wonen; bij de wilde volkeren en bij de cultuurvolken, in het hart van onze geëerbiedigde koningin en in het hart der veldarbeidster, die reeds met het eerste ochtendkrieken hare kinderen moet vaarwelkussen, om met noesten arbeid een schamel stukske brood voor hen te verdienen.

Wat onze moeder voor ons is, hoe lief zij ons heeft, en met hoe sterk trekkende banden van bloed en liefde ook wij aan haar door God gebonden werden, gevoelen we zoo, als we voorgoed het ouderlijk tehuis verlaten, om voortaan zelfstandig door de wereld onze levensreize voort te zetten. Dat laatste afscheid van die dierbare, dat nog eens omzien naar haar, als we reeds verre weg zijn, 't kost ons meer dan we zeggen kunnen.

Maar nog beter wordt ge dit gewaar, zoo ge uwe moeder naar het graf moet brengen. Immers toen gij het ouderlijk dak verliet en uwe moeder groettet, toen klopte in uw hart de hoop op een wederzien, toen kondt gij de maanden en dagen reeds uitrekenen, dat gij weer bij haar zoudt zijn, maar aan het graf is hot voor altijd, tenminste wat de bedeeling van dit leven aangaat. En voorheen, als gij haar groettet, die eenmaal u droeg onder het hart en, zoolang zij leefde, u droeg in haar hart, ontvingt gij een vriendelij ken groet terug, nooit zou zij nalaten dit te doen; doch aan haar graf, als gij zegt: „Dag Moeder!" hoort zij u niet en antwoordt u niet.

Als nu de Heere, de eeuwig trouwe Bondsgod van Zijn volk, door middel van Zijn knecht Jesaja ons vraagt: „Kan ook eene vrouw haren zuigeling' vergeten; dat zij zicii niet oniferme over den zoon van haren schoot? ", zoo dient ons antwoord hierop naar waarheid te luiden: „Neen, Heere, wijze Schepper van al wat leeft en ademt, dat kan niet, gij hebt het kind geschapen en voor dat kind hebt gij eene moeder geschapen, zoolang die moeder haar moedernaam niet te schande maakt, zoolang is haar hart vol ontferming voor het kind, dat Gij haar gegeven hebt."

We zouden menig bewijs uit de historie kunnen bijbrengen, dat een rechtgeaarde moeder veel, ja alles voor haar panden over heeft. We bepalen ons slechts tot één geval uit de gewijde historie. We vinden het in 2 Sam. 21. Toen koning David de twee zonen van Rizpa, dochter van Aja, die zij Saul gebaard had, Armoni en Mefiboseth, overgegeven had in de hand der Gibeonieten, en dezen hen ophingen op den berg voor het aangezicht des Heeren, nam Rizpa, Aja's dochter, een zak en spande dien voor zich uit op een rotssteen, van het begin van den oogst totdat er water op hen drupte van den hemel, en liet het gevogelte des hemels op hen niet rusten des daags noch het gedierte van het veld des nachts. Ongetwijfeld een sterk staaltje van wat de hefde vermag!

Zoolang Gods wedergeboren kinderen op deze aarde verkeeren, zijn en blijven zij zondaar. Ze zijn nog niet geheel van de zonde af. Ook na ontvangene genade blijft er nog zulk een groot onwedergeboren deel in hen achter. Er kwam wel een nieuwe mensch in hen, maar ook de oude mensch bleef nog woelen en werken. In den hemel zullen ze van de zonde geheel af wezen, doch op aarde zal de belijdenis wel immer moeten luiden; „Ik weet dat in mij, dat is in mijn vleesch, geen goed woont", en: „'t Kwade, dat ik niet wil, dat doe ik", of: „Er is een wet in mijne leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds." Zoolang ze op aarde zijn, blijven ze ook een strijd houden met een verkeerde wereld en een vijandigeu Vorst der duisternis, - die hen aanvecht en iu verzoeking brengt. Dit is dan ook de reden, waarom er uit de harten van Gods kinderen vaak allerlei gedachten van wantrouwen en ongeloof tegen hun Schepper en Weldoener oprijzen en ze menigmaal in de droeve veronderstelling komen te leven, dat de Heere met hen niet te doen wil hebben, dat Hij van hen niet weten wil, in één woord, dat de Heere Zijn volk vergeet.

Sommige omstandigheden eigenen zich bijzonder voor zulke, ongegronde gedachten, terwijl dan ook d*e vijand het meeste vat op hen heeft. Zoo b.v. als zij zelf zwaar beproefd worden, terwijl schijnbaar de weg der goddeloozen met rozen is begroeid ; als zij in zware overtuiging van hunne groote zonden verkeeren; als zij in groote zonden vervallen zijn; als de donkere wolken van godverlatene toestanden over hunne zielen kwamen trekken; en dergelijke meer.. Ja, dan wordt dat nog al eens gedacht, gezegd, geklaagd, dat de Heere Zijn volk niet kent, zich af keerig van h'en betoont, hun den rug heeft toegedraaid.

Dan zucht David:

'k Zal tot God, mijn Steenrots, spreken:
Waarom, Heer, vergeet Gij mij?
'k Ga in 't zwart, door rouw bezweken,
Om mijns vijands dwinglandij,
Die mij hoont, mij 't hart doorboort.
Dat gestaag deez' lastring hoort:
Waar is God, op Wien gij bouwdet,
En aan Wien ge uw zaak vertrouwdet?

Dan keert Hiskia zijn aangezicht weenende naar den wand.

Dan begeleidt Asaf in Psalm 73 de muziek zijner harp volgender wijs: „Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt, dat zij zeggen: Hoe zou het God weten en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste? Ziet, dezen zijn goddeloos, nochtans hebben zij rust in de wereld, zij vermenigvuldigen het vermogen. Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd en mijne handen in onschuld gewasschen. Dewijl ik den ganschen dag geplaagd ben, en mijne bestraffing is er alle morgens. Indien ik zou zeggen: Ik zal alzoo spreken, ziet, zoo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht uwer kinderen. Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijne oogen."

Dan vermeent het Zion van Jesaja's dagen: De Heere. heeft mij verlaten en de Heere heeft mij vergeten" (Jes. 49 : 14).

Dan vervloekt Job den dag van zijne geboorte, of klaagt: „Och of ik ware als in de vorige maanden, gelijk in de dagen toen God mij bespaarde ! Toen Hij Zijne lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde; gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijne tent was; toen de Almachtige nog met mij was, en mijne jongens rondom mij; toen ik mijne gangen wiesch in boter, en de rots bij mij oliebeken uitgoot; toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijnen stoel op de straat liet bereiden."

Dan ... Maar waartoe verder ? Ieder, die geestelijk leven bezit kent deze opwellingen des harten; doch leerde tegelijk ook ervaren, welk een goeddoend, liefdevol, beschaamdmakend God de Heere in Christus is voor allen, die door de wederbarende kracht des Heiligen Geestes uit den dood werden overgebracht in het leven.

God de Heere vergeet de Zijnen niet. Evenmin als een moeder haar "kind vergeet.

Helaas komt het voor, dat ontaarde ouders hunne kinderen vergeten. Sommige moeders durfden het onderstaan zich fraai aan te kleeden en bal of concert te bezoeken, terwijl zij haar kranke kind ter verzorging overgaven aan hare dienstboden. Andere legden hare kinderen te vondeling. Vergeet ook de dronkaard zijn panden niet, als hij zijn geld uitgeeft om zijn hartstochten te bevredigen, terwijl 't hem niet raakt, of zijn kleeding en voldoende dekt? Ja, de zonde zet haar verwoestend voort in de wijze, waarop de ouders .ne kinderen omgaan. Maken vele ouders annen kinderen niet uiterst moeilijk, om .d gebod: „Eert uwen vader en uwe moeder!" . volbrengen, door zich oneerbaar te gedragen ?

Eenmaal vergeet ook de beste en liefste moeder haar kind; en wel, als de dood komt. Dan ziet haar oog ons niet meer, haar hand streelt ons niet, haar hart herinnert zich onzer niet. Dan rust zij van al haar sloven en slaven, en, als haar ziel gereinigd werd door Jezus' bloed, ging ook haar ziele in in de eeuwige en ongestoorde ruste, die Jezus door Zijn lijden en strijden gekocht heeft voor al het volk van God.

De Wachter Israels echter, die niet sluimert, slaapt, moede wordt of sterft, die gisteren, heden en morgen dezelfde is, vergeet de Zijnen niet; bij dag niet en bij nacht niet, nooit, nergens.

Hij heeft hen in Christus van voor de grondlegging uitverkoren, om Zijn volk te zijn; Hij heeft hen in Christus liefgehad met eene eeuwige liefde; Hij heeft Zijn Zoon voor hen overgegeven in den bitteren dood des kruises; zou Hij hen dan vergeten?

Vergat Hij Abraham, toen deze met zijn zoon Izak tegen Moria's berg optrok? Vergat JHij Jozef in het gevangenhuis? Vergat Hij Job op den aschhoop? Vergat Hij den weenenden Hiskia? Vergat Hij Maria bij het kruis en Maria Magdalena bij het graf?

Hij vergeet hen niet in voorspoed en in tegenspoed, niet als zij halleluja's jubelen en niet als zij zich schuldbelijdend neder buigen, niet als zij zingen en niet als zij .zuchten, nooit, nimmer. Ook niet als zij straks op hun sterfbed komen te liggen, want in den Doodsjordaah is de Heere hun staf en stut en brengt hen door zwarten nacht in eeuwig licht.

Hij vergeet hen geen van allen. Den rijke niet en den arme niet, den jonge en den oude niet, den kranke en den gezonde niet; den zeeman niet op de baren, den mijnwerker niet in's aardrijks ingewand; den koopman niet op het kantoor.

Hoe menigmaal bewees Hij dit! Hij bewijst het heden. Hij zal 't blijven doen tot aan de voleinding der wereld, ja eeuwig en altoos.

„Ik kenne de Mijnen", zegt onze Heiland, „en worde van de Mijnen gekend." „Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon van haren schoot? " vraagt Jehova, de Almachtige, voor wien er niets te groot en te wonderlijk is, en geeft zelf 't antwoord aldus: „Ofschoon dezen vergaten, zoo zal Ik tóch u niet vergeten."

Welgelukzalig is de mensch, die dit door de overtuigende kracht des Heiligen Geestes mag leeren verstaan en gaan gelooven. Die zal zijn vertrouwen van alle schepselen aftrekken en op den Heere alleen stellen. Die reist met God door dit moeilijke leven naar een volzalige eeuwigheid.

O mijn ziel, wat buigt g'u neder?
Waartoe zijt g'in mij ontrust?
Voed het oud vertrouwen weder;
Zoek in 's Hoogsten lof uw lust;
Menigwerf heeft Hij uw druk'
Doen verandren in geluk;
Hoop op Hem, sla 't oog naar boven;
Ik zal God, mijn God, nog loven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1909

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Stichtelijke overdenking

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1909

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's