De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Schriftbeschouwing.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Schriftbeschouwing.

De openbaring van Jezus Christus.

6 minuten leestijd

De openbaring van Jezus Christus.

Van de toekomst is veel ons verborgen. Wij weten niet of ons morgen vreugd of smarte wacht. Gelukkig maar. Want de smart zou dubbel zwaar zijn, wanneer wij haar van te voren reeds kenden en wanneer wij van de vreugd verzekerd Waren zou ijdelheid ons niet weinig verderven. Daarom is het maar goed, dat er een gordijn hangt voor dè toekomst. Als wij nu door genade maar mogen weten, dat wij, om der zonde wil, ook de minste van des Heeren weldadigheden Verbeurd hebben. Dat kan ons nederig houden; dat kan ons in diepe afhankelijkheid doen leven. En o! als dan door genade onze hope op den Heere mag wezen, om in den name van Sions Borg tot God te vluchten met al onze nooden en behoeften, dan wil de Heere in Zijn Woord zeggen: „wentel uwen weg op Mij en Ik zal het maken", — wat bij alles wat onbekend, onzeker en wisselvallig is, de heerlijkste vertroosting kan schenken voor tijd en eeuwigheid. Dan ligt de levensweg veilig, óok waar het steeds zoo vol engten, hoogten en diepten wezen kan. En dan is de reize door het graf niet onzeker, ook waar de wateren van de doodsrivier niet zelden vol beroering kunnen zijn. Immers heeft de Heere beloofd aan al Zijn volk: „alle dingen zullen medewerken u ten goede", alsook: „Ik ben met ulieden tot,aan de voleinding der wereld." Daarin ligt zoo'n heerlijk voorrecht, vol vertroosting voor een arm zondaarsvolk, dat op Christus mag hopen. De Heere zorgt" voor Zijn volk, de kleinen met de grooten, alle de dagen huns levens, tot in der eeuwigheid. En bij tijden mag dan ook in de tenten van Sion met vroolijk gezang gehoord worden: „de God des heils wil mij ten Herder wezen; 'k Heb geen gebrek, 'k heb geen gevaar te vreezen. Hij zal mij zacht, in liefelijke weiden, Aan d' oevers van zeer stille waat'ren leiden. Hij sterkt mijn ziel; richt, om Zijn Naam, mijn treden, In 't effen spoor van Zijn gerechtigheden." (Ps. 23 :1). Of ook mag soms te midden van veel smart uit het harte, dat tot stil vertrouwen gezet is, oprijzen: „Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het nadren van den dood, volkomen uitkomst geven." (Ps. 68). Neen — zoo spreekt het harte van Gods kind niet altijd. Helaas! lang niet altijd.- O! de ziele wankelt zoo dikwijls, het harte twijfelt zoo dikwijls. Dezelfde man, die in Ps. 23 zoo blij-geloovig spreekt, getuigt zoo dikwijls: „nu zal ik toch te .eeniger tijd omkomen door de hand mijns vijands!" Sion twijfelt zoo dikwijls aan Gods wijsheid, Gods kracht, Gods trouw. Maar daarom juist is het zoo groote en zoo heerlijke genade, wanneer de ziele tot stilheid gezet mag worden en onder de schaduw van Gods vleugelen mag schuilen: om dan te ervaren wat de Psalmdichter belijdt: „'t Is Isrels God, die krachten geeft, van Wien het volk z'n sterkte heeft" — waarbij dan de dichter van Ps. 130 zegt: „Israël hope op den Heere: want bij den Heere is goedertierenheid, en bij Hem is yeel verlossing." (Ps. 130: 7). 

Dit alles wil nu evenwel volstrekt niet zeggen, dat voor ons alles, wat de toekomende dingen aangaat, verborgen is. Want ja, wij weten wel niet of ons morgen vreugd of smart wacht. God weet dat alléén. Maar immers zooveel, zoo heel veel weten wij wél. Of weten wij niet, dat ons leven een handbreed gesteld is en dat de dood ieder uur wenkt? Weten wij niet, dat wij hier geen blijvende plaats hebben en dat wij op reis zijn naar de eeuwigheid ? Staat er niet geschreven: het is den mensch gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel ? En dus — we weten véél, héél veel van de toekomst. We gaan sterven. Er leeft niemand, of hij zal den slaap des doods moeten slapen. En dan zijn er twee wegen: een weg van eeuwige gelukzaligheid èn een weg van eeuwige rampzaligheid. Dan is er een hemel en er is een hel. Dat weten we. En dan is het ons geopenbaard, dat voor allen, die den Heere mogen vreezen en Jezus Christus mogen kennen als hun Borg en Middelaar, een eeuwige vreugd in de hemelen bewaard wordt, terwijl 't voor degenen, die onbekeerd hebben geleefd en gestorven zijn, God hatende en Christus ongehoorzaam zijnde, een eeuwige teleurstelling geven zal, vol nameloos ellend' in den poel van vuur en sulfer, die niet zal worden uitgebluscht. Veel is ons dus geopenbaard. Veel voor den enkelen geloovige, maar ook veel voor de Gemeente Christi in haar geheel; gelijk ook voor de wereld. Neen, hoelang het huis Gods hier op aarde staan zal, weten we niet. Maar we verwachten groote dingen, die welhaast zullen geschieden; waarbij veel angst en moeite zal moeten worden doorgemaakt door alles wat leeft, maar waarbij de Heere beloofd heeft een nieuwen hemel en een nieuwe aarde te zullen schenken aan Zijn gunst- en erfvolk. Déze bedeeling zal eens een eind nemen, Sion tot eeuwige heerlijkheid en het goddelooze volk tot eeuwige verschrikking. En wat vóór het einde geschieden zal is ons niet geheel verborgen. Of heeft de Heiland zelf er niet van gesproken bij Zijn omwandeling op aarde, bizonderlijk in de laatste dagen Zijns levens? Groote, vreeselijke dingen staan te gebeuren. Waarover evenwel nérgens zoo uitvoerig en duidelijk gehandeld wordt dan in het boek „de Openbaring van Jezus Christus." Daar gaat het bizonderlijk over de toekomende dingen, die wel haast geschieden zullen. En het middelpunt van die toekomende dingen is dan Jezus Christus, het Lam Gods, dat door Sion mag worden bemind, maar dat door satan en de wereld wordt gehaat. Waarbij dan wordt verkondigd: „welgelukzalig is het volk, welks God de Heere is, het volk, dat Hij zich tot een erve heeft uitverkoren en dat op Christus zijn hope mag hebben, vreezende God" — maar waarbij ook niet wordt verzwegen': „wee! wee! wee! den mensch, die op satan vertrouwt en zijn harte wegschenkt aan de wereld en de zonde, want hij zal worden neergestooten in de nederste deelen der helle, alwaar eeuwige ellende en smarte hen wacht!" Over dat boek, genaamd „de Openbaring van Jezus Christus" willen wij een en ander mededeelen. Of dat niet wat vermetel is, om over dit boek te schrijven? Hier hebt gij ons antwoord op die vraag: „zalig is hij, die leest, en zijn zij, die hooren de woorden dezer profetie en die bewaren hetgeen in dezelve geschreven is: want de tijd is nabij!" (Openb. 1: 3). Gelijk ook staat in Openb. 22:7: „Ziet, Ik kom haastiglijk: zalig is hij, die de woorden der profetie dezes boeks bewaart." Zij het ons dan maar niet te doen om allerlei vermetele spitsvondigheden. Maar zij het ons begeeren, om, onder de hulpe van Gods genadigen Geest, de woorden van Christus' profetie te beter te mogen verstaan — want „de tijd is nabij" en het is de weg, die ons kan aanwijzen „om ook deel te mogen krijgen aan den boom des levens en te mogen ingaan in de stad Gods" (Openb. 22:14).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1909

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Schriftbeschouwing.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1909

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's