De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

6 minuten leestijd

Beginselen.

De middelen, waardoor wij den wil van God leeren kennen, zoo door de schepping, onderhouding en regeering der geheele wereld, als door Zijn heilig en Goddelijk Woord, behooren, naar wij de vorige week betoogden, de richting aan te geven, waarnaar het staatsbeleid zich heeft te voegen. Voorop staat daarbij, dat wij op het terrein van staat en maatschappij in de allereerste plaats hebben te rekenen met het eerste middel. En dan hebben wij, uit hetgeen ons de natuur laat zien, en uit hetgeen van het menschelijk wezen tot ons komt, de gegevens te putten, die voor het staatsbeleid van noode zijn. Dit laatste nu hebben wij met de rede te verwerken, maar niet zoo, dat daarbij de rede als de allesbeheerschende factor optreedt, maar die " rede behoort, door de bijzondere Openbaring voorgelicht, ons Gods wil te leeren kennen. Op die bijzondere Openbaring komt het eenig en alleen aan, en het al of niet rekenen daarmede scheidt ons volk in rechter-en linkerpartijen. De middelen hier bovenbedoeld hebben we, in toepassing te brengen. En zoo belijden wij dan, dat ook op staatkundig terrein naar de eeuwige beginselen van Gods Woord behoort te worden geleefd. God Almachtig — en zoo hebben wij het te gelooven — heeft zich op bijzondere wijze, ter keering van de gevolgen der zonde, op velerlei wijze en in velerlei tijd aan ons geopenbaard. In Zijn Woord vinden we het licht en daarnevens de eeuwige beginselen, waarin tot een zeer belangrijke hoogte de ordinantiën Gods voor het menschelijk leven zijn aangeduid. Maar nu dient goed onderscheiden, dat de Heilige Schrift niet op de manier van een wetboek is ingericht, waarin wij zoo maar de verschillende bepalingen hebben op te slaan, die ons precies de tekst voor de wetgeving aan dè hand doen. Zoo is het niet. Het Woord Gods is geen verzameling van wetsbepalingen, maar het is, om de toelichting op het Program van beginselen der antirevolutionaire partij na te zeggen: „de gewaarmerkte oorkonde van één machtige levensopenbaring, die een geschiedenis van eeuwen omvat, en waar de ordinantien Gods, d. i. Zijn eeuwige en onveranderlijke beginselen wel IN zijn, maar meest in vermengden vorm, of, wilt ge, als gouderts verscholen in de mijn." Duidelijkheidshalve zij daarom nog eens het standpunt aangegeven, waarop wij ten opzichte van staat en maatschappij staan. En dan is dit ons standpunt, dat wij belijden, dat uit de Heilige Schrift beginselen af te leiden zijn, die door de Overheid moeten uitgewerkt, geformuleerd en toegepast worden, overeenkomstig de toestanden, waarin wij leven. Die beginselen moeten opgezocht worden en moeten onze wetgeving beheerschen. In God ligt de bron voor het gezag van de Overheid over het volk en uit die bron vloeien krachtens de bijzondere Openbaring de vrijheden van het volk voort.

Drankaccijns.

Ruim 25 millioen gulden is het bedrag, dat jaarlijks in de schatkist vloeit als bate van den accijns op het gedistilleerd. Van de rijksinkomsten, voor het loopende dienstjaar op ruim 185 millioen geraamd, komt alzoo niet minder dan 14 percent als accijns op den sterken drank binnen. Ons budget drijft dus voor een niet onbelangrijk deel op hetgeen ons volk aan sterken drank uitgeeft. Dit nu is aan de eene zijde bedroevend en aan den anderen kant zorgwekkend: want het valt toch niet te ontkennen, dat een groot deel van het Nederlandsche volk gebonden ligt in den ijzeren keten der drankzonde, wat duizenden en nogmaals duizenden demoraliseert en ten gronde richt. En daarvan profiteert dan de Staat, die de millioenen opstrijkt. Dat het zoo niet langer kan en dat daarin verandering behoort te komen, begrijpt een ieder. Maar hoe, dit is de vraag! We hopen, dat de Minister van Financiën de oplossing van het raadsel gevonden heeft. Een door hem ingediend ontwerp, om de accijns van f65.— te brengen op f90.— de H.L., werd dezer dagen in de volksvertegenwoordiging aangenomen. Nu was de opzet van het ontwerp wel, niet om vermindering, doch om nog meer millioenen beschikbaar te krijgen; maar natuurlijk zal deze verhoogde accijns ook op het gebruik van invloed worden. De Minister is ook van die meening. Moge hij echter buiten den waard gerekend hebben en de opbrengt maar tegenvallen, dan zal dit van ongemeen belang voor ons volk in zijn geheel zijn. De inkomsten verminderen dan wel, maar dit komt op den langen duur terecht, doordat de welvaart  zal toenemen; en meerdere welvaart beteekent ook meerdere inkomsten voor het Rijk uit anderen hoofde.

Het eedsvraagstuk.

In den laatsten tijd is het eedsvraagstuk weer tot een onderwerp van bespreking gemaakt; Zoo spoedig dit ons mogelijk is, zullen wij er eenigszins breedvoerig op ingaan. We bepalen ons voor het heden tot de vermelding van wat „de Standaard" in de vorige week er over schreef. „Ook ditmaal is het vraagstuk van den eed bij de algemeene beraadslagingen even opgedoken, maar ook aanstonds weer losgelaten. Tegen het afeischen van den eed is ook nu weer het bekende hoofdargument opgeworpen, dat het doen zweren, waar sprake is van iemand, die niet aan God gelooft, het heilige ontheiligt en toch eiken waarborg mist. Het aloude Doopersche argument is blijven rusten, wijl het uit geheel andere overwegingen opkomt. Nu bestaat, zoover we kunnen nagaan, over deze twee bezwaren tegen den afgepersten eed geen verschil van gevoelen. Reeds in 1878 zijn ze ook door ons opgeworpen, gelijk we insgelijks in het begin van ons verschijnen op mindering van het getal eeden aandrongen. Maar natuurlijk, een zoo gewichtig vraagstuk moet ook van zijn andere zijde worden ingedacht, en de hooge staatsmanskunst zal ten deze hierin moeten bestaan, dat men het doel, dat men van oudsher met den eed voorhad, op wat wijze dan ook, toch bereikt, en tevens mijdt al wat met het heilig karakter van den eed strijdt. We staan hier voor een gebruik, dat van de oudste tijden dagteekent, steeds stand hield, en zoo goed als onder alle volken in zwang was; onder het Heidendom, onder het Evangelie en onder den Islam. Een gebruik, dat werd ingevoerd om de waarheid te bevestigen en trouw te bezegelen. Die bevestiging en bezegeling is noodig. Leugen en ontrouw komen nu eenmaal herhaaldelijk voor. Vooral waar de rechter den een op grond van het getuigenis van den ander veroordeelen zal, moet dit getuigenis vaster waarborg bieden dan een gewone verklaring. En dit te meer, omdat, geeft men het al of niet afleggen van den eed vrij, meer dan een den eed weigeren zal, juist omdat er aan zijn getuigenis iets hapert. De vraag is dus maar, wat biedt ge ter bevestiging van waarheid en ter bezegeling van trouw in de plaats, zoo de eed allengs zoo meer wegvalt? Het brengt niet verder, of men al op de bezwaren tegen den eed den vollen nadruk legt; bij zoo eeuwenoud gebruik dient tegelijk gevraagd, op wat wijs ge, bij het wegvallen van dien eed, bereiken zult wat er mee beoogd werd, en tegen zult gaan wat er door werd tegengehouden."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1909

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1909

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's