Uit het kerkelijk leven.
Het zingen van Gezangen in de Kerk.
Eeii belangrijk boekske, 32 pag. groot, uitgegeven bij de Hollandia-drukkerij teBaarn (f 0.40), ligt voor ons, behandelende een zaak die velen nog wel eens zullen willen hooren bespreken door twee zoo kundige en bekende piedikanten uit onze N. H. Kerk, nl. Dr. Gunning van Utrecht en Dr. de Lind van Wijngaarden van Putten.
Waarom Ds. Gunning op den omslag van de brochure „doktor" genoemd wordt en Ds. de Lind van Wijngaarden niet, weten wij niet. Misschien denkt men daar in Baarn wel: een man, die zoo bekrompen is, dat hij „niet eens gezangen zingt", kan onmogelijk een geleerde zijn.
't Zij zoo! Zulke redeneering komt meer voor.
Intusschen weten wij, dat Ds. de Lind van Wijngaarden evengoed een „doktor" is als Ds. Gunning en — we moeten het aanstonds verklaren — de uiteenzetting van Dr. de L. v. W. komt ons veel degelijker en nauwkeuriger voor dan de trotsche en winderige verdediging van Ds. Gunning, die doet alsof hij staat te toasten.
Hoe „De Nederlander" dan ook kon verklaren „als het een kwestie was van redeneering? of intellectueel betoog, dan heeft Dr. Gunning het pleit zóo volkomen gewonnen, dat niemand, die nadenkt, aan de zijde van Dr. de Lind zou willen staan" — is ons absoluut een raadsel.
't Is nog al kras uitgedrukt, en dat die „kalme" Nederlander.
Wij zeggen liever juist andersom.
Op pag. 6 wordt door Dr. G. de psalmberijming uitgespeeld tegen de gezangen.
De gebreken in de berijming voorkomend zouden dus wettigen om gezangen naast de psalmen te zingen.
Heeft men ooit dwazer argument gehoord?
De gebreken in de berijming verhelpen — dat zou ten minste een gezonde conclusie zijn.
Maar wat ons het meest hindert en ergert is die smalende toon, waarop Dr. Gunning de Schriftbeschouwing laakt van hen, die het Messiaansch karakter van de Oud-Testamentische openbaring in het algemeen en van de Psalmen in het bizonder willen hoog houden.
Dan blaast Dr. Gunning zich op en met een onbehoorlijke insinuatie „dat het God geklaagd is", dat de goe gemeente in zoo groot kwaad gestijfd wordt door mannen als Dr. de Lind van Wijngaarden, Prof. Dr. H. Visscher en vele anderen — maakt Dr. G. zich er af en belooft een boek te zullen schrijven over deze kwestie met tal van aanhalingen uit het Geref. Weekblad, waarvan „de grootmeester uit Putten" (blz. 15) hoofdredacteur is!
Zakelijk schrijven is anders. Intellectueel en netjes is 't ook niet.
Daartegenover steekt het betoog van Dr. de Lind zeer gunstig af!
Duidelijk en waardig spreekt hij over den rijkdom van de Psalmen en toont het Messiaansch karakter overal aan. Veel „rake" dingen worden er gezegd. En overal wordt de van ouds bekende gereformeerde bewijsvoering gevolgd — waarbij van een „neo" gereformeerde richting geen sprake is!
Onze vaderen hebben van ouds reeds gezegd: de psalmen, lofzangen en geestelijke liedekens (Ef. 5 : 9) schijnen verscheidene namen, uit de verscheidene opschriften der psalmen Davids genomen."
Waarbij Dr. de Lind zegt: „als nu de gemeente van Christus haar psalmen zingt en ze mag inleven, dan werkt diezelfde Geest (als bij Jesaja) in haar en brengt uit het verledene onmiddellijk nabij, wat onder het O. Verbond uit het toekomende onmiddellijk nabij werd gebracht en de gemeente doorleeft het als een heden. Daarom zijn de psalmen niet alleen Oud-Testamentische maar evengoed Nieuw-Testamentische liederen; en die N.-Testamentische liederen wil zingen, hem reik ik een psalmboek toe en zeg: „Vriend, hier zijn er." pag. 24).
Wij zeggen onzen hooggeachten collega van Putten hartelijk dank voor zijn kalm, degelijk, zakelijk pleidooi.
En wij zijn nieuwsgierig naar het boek van Dr. Gunning over de Gezangen, om dan te vernemen of het mogelijk is om op Schriftuurlijke gronden ons oud, doch nog niet verouderd gereformeerd beginsel als „verderfelijk" en „Godgeklaagd" aan te wijzen. 't Is waar, men durft veel. Maar wij hebben hoop, dat het niet wel gelukken zal!
Dat het betoog van beide zeer geleerde predikanten door velen mag gelezen worden. 't Zal misschien menigeen sterken in het niet gezangen-zingen in de kerk.
***
In „de Wekker", orgaan der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland, (Vrijdag 17 Dec. '09) lazen wij met genoegen (een paar woorden uitgezonderd!):
»In de Ned. Herv. kerk raakt het modernisme uitgediend. De orthodoxie wordt steeds meer gewild. Wie had het een kwart eeuw geleden durven denken, dat in sommige groote steden in ons land de meerderheid in de Herv. kerk naar rechtzinnige preeken zou gaan vragen.
Wij Christelijke Gereformeerden verblijden ons daarover, al hebben we niet de minste verwachting van kerkherstel, waar zoovelen op hopen. Als het evangelie maar verkondigd wordt, al is het ook onder een deksel, zegt Paulus, daarover verblijden we ons. Alleen Gods Woord kan de menschen doen ontwaken uit den geestelijken doodslaap. Maar, wanneer en hoe dan ook, als er winst gedaan wordt voor het koninkrijk Gods, wie zou als Christen zich daarover niet verblijden. De leus: alle Gereformeerden één, is een ideaal dat ook ons bekoort. Mag dit nog eens beleefd worden, dan zal zeer zeker daarin veler vromen wensch zijn vervuld. Ziende o zoovele en zoo velerlei hinderpalen, zou men haast zeggen : 't is onmogelijk. Maar als God werkt, wie zal het dan keeren? Alleen met het oog daarop zeggen we dan ook nog niet, dat het onmogelijk is. De geschiedenis heeft meermalen geleerd, dat, als God het wil, er in weinig tijds veel kan gebeuren.
Zeker is het, dat Gods raad zal bestaan en dat Gods wegen en gedachten zooveel hooger zijn dan de onze.
Voorhands te doen, wat onze hand vindt in den door God ons aangewezen weg, is en blijft de roeping van allen, die den Heere Jezus .Christus in onverderfelijkheid liefhebben.«
***
Wij lezen in „de Getuige", hoofdredacteur Ds. Wijers, predikant bij de Geref. Kerk te Batavia over den nieuwen Gouverneur-generaal Idenburg :
»Als adjudant heeft hij in Indië 3 legercommandanten gediend, maar bij elke benoeming telkens den eisch gesteld: 's Zondags vrij. «Indien gij o Generaal mij dan zoudt roepen, moet ik dienst weigeren, wijl ik dan in dienst ben van een ander, mijn Hemelschen Koning!'.
Wanneer het Zondag werd en Kwitang(de Geref.Kerk) die preekte, eens zelfs 6 maanden (Mei—November 1899). Hoe heerlijk is toen het »Onze Vader« uitgelegd, zoodat onze ziel er in wegsmelten kon.
En toen hij tot herstel van de ziekte zijner vrouw naar Holland ging, stelde hij zijn mede-passagiers als eisch voor de conversatie met hem het nalaten van het misbruiken van Gods naam.
Anti-Hervormd Genootsohap.
Wanneer wij de Modernen, de Evangelischen enz. beluisteren, in hetgeen zij beweren aangaande hun verhouding tot de Hervormde Kerk, dan bemerken we keer op keer, dat zij, in eigen oog de echte Hervormden zijn.
De Hervorming is voor hen geweest: het zich los maken van alle knellende banden, om zich dan vrij te kunnen bewegen, zooals men zelf verkiest. En ja, als de hervorming dat ook geweest is, wat de Modernen er van getuigen, dan zijn de meest bandelooze menschen ook de beste Hervormden!
Maar .... de Hervorming bedoelde gansch iets Anders dan: zich los te maken van alle knellende banden, om zich dan vrij te bewegen, zooals men zélf verkoos.
Integendeel! De Hervorming bedoelde: zich te onttrekken aan alle leer, die buiten Gods Woord was en zich eenig en alleen, onvoorwaardelijk en geheel te buigen onder Gods Getuigenis
En daarom : die 't meest zich gebonden voelt in alles aan Gods eeuwig blijvend Woord, die is 't best Hervormd gezind.
Maar die, zooals de Modernen enz. al de beginselen, die naar Gods dierbaar Getuigenis zijn, verwerpen en veroordeelen, die zijn anti-Hervormd en de grootste vijanden van de Geref. Kerk.
Men verstaat blijkbaar onder de Modernen niet, wat de Hervorming gewild heeft.
De Hervorming heeft Gods Woord als hoogsten Rechter weer willen erkennen, om zich naar den eisch van dat Woord te bewegen. En dus, die maar 't meest getuigt van de waarheid, die naar Gods Woord is, die is de beste Protestant, de beste Hervormde.
Maar die Gods Woord niet eeren, die zijn de grootste vijanden van het Protestantisme en van de Hervormde Kerk. De beginselen van de Modernen enz. behooren dan ook in de Hervormde Kerk niet thuis. Ze zijn anti-Hervormd.
Of als we keer op keer b. v. in het „Evangelisch Zondagsblad''' kunnen lezen, dat de leer der Drieeenheid, die van het persoonlijk bestaan van den H. Geest, die van de Godheid van Christus, die van de verzoening door het bloed des kruises enz. enz. niet tot „den geest en de hoofdzaak" van onze Hervormde belijdenis behoort, voelen wij dan niet, dat die lieden alles onderst boven werpen en dat hun beginselen zoo anti-Hervormd mogelijk zijn ?
Bewijst juist héél de historie van onze Hervormde Kerk niet, dat zij, die zulke dingen loochenen niet Hervormd in de leer zijn, maar vierkant tegen de leer van onze Hervormde Kerk overstaan ?
En als Ds. Bakker, Ned. Herv. pred. van Zwolle nog onlangs in „De Hervorming" schreef „Neen, Goddank, wij zijn geen Calvinisten, en we willen het ook niet worden."
Om dan te betuigen:
„Wij modernen — wij schamen ons toch niet voor dien naam? — wij zijn fel anti-supra-naturalistisch. Wij ontkennen het bestaan van den duivel. Wij hebben de hel, waar zijn trawanten pijnigende vuren stoken, naar 't rijk der benauwende fantasterijen verwezen. Wij gelooven niet aan een eeuwige verdoemenis. Wij vinden zelfs de gedachte aan een „decretum horribile" naar Calvijnschen trant absurd. Wij erkennen niet de absolute doemwaardigheid van ieder menschenkind. Wij ontkennen, dat de bijbel Gods Woord zou zijn naar Calvijn's opvatting. Wij verwerpen menig woord als ongoddelijk. Wij loochenen het wonder in supra-natureelen zin. Wij ontkennen de ontvangenis uit den Heiligen Geest. Wij gelooven niet in de schulddelgende kracht van het bloed des kruises, zooals Calvijn dat heeft opgevat. Wij gelooven niet, dat de absolute waarheid ons op bijzondere wijze is geopenbaard."
Wat dunkt u dan, is dat geen bewijs, dat men geheel in anti-Hervormde wateren is verzeild geraakt? Is dat geen bewijs, dat zoo'n modern, socialistisch predikant, woordvoerder op vergaderingen van den Protestantenbond enz. in onze Herv. Kerk in 't geheel niet op zijn plaats is?
Neen, men staat niet op Hervomden grondslag, wanneer men zóo durft schrijven en spreken. Hervormd is: in alles spreken naar Gods Woord en in alles getuigen van de Waarheid, die ons door den Heere in den Bijbel is geopenbaard.
Wanneer zal onze Hervormde Kerk zich weer eens gaan openbaren naar haar beginsel en naar haar karakter?
Dan zullen zij, die, welbewust en vurig van geest, beginselen voorstaan en verdedigen, die anti-Hervormd zijn, ook moeten gaan voelen: ónze beginselen dwingen ons om elders samen te komen — want in de Hervormde Kerk buigt men zich voor den Bijbel, wat wij, vrijzinnigen reeds lang hebben afgeleerd en welbewust als een verouderde en dwaze gewoonte verwerpen!
En ja, die te groot voor Gods Woord is geworden en boven de Waarheid Gods is uitgegroeid, die behoort in onze Hervormde Kerk niet thuis.
Die behoort in een anti-Hervormd genootschap — niet in de Herv. (Geref.) Kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1909
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1909
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's