De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Oud en Jong.

6 minuten leestijd

Na de Preek.

2) (Auteursrecht voorbehouden.)

(Slot)

Als eenmaal haar drift geprikkeld is, dan gaat haar verstand over stag en dan gooit ze 'r de woorden uit, bittere, honende woorden, die giftig bijten; dan windt ze zich al sprekend op tot steeds feller aanval, waartegen geen verweer baat

Ze heeft haar man hartelijk lief en vaak worstelt zij om hem, goedig doch onverschillig als hij is, voor Gods troon, maar als die booze bui woedt, is 't of een demon haar drijft.

Vaak laat Evert de bui waaien. Doch ditmaal wordt het hem te erg. Boos staat hij op van tafel.

„Als dat nu de vrucht van je godsdienst is, blijf dan voortaan zéker thuis, " zegt hij bitter. En met 'n harden slag klapt hij de deur achter zich dicht.

Magdalena's toorn was ineens gedoofd.

Haar man was geduldig en verdraagzaam, maar tergensmoe was hij nu grimmig heengegaan en dat was haar schuld.

Den boozen vijand had ze weer macht over zich gegeven en van hem had ze de wapenen geleend, waarmee ze haar man wondde. En de schrijnende wonden had ze verder uitgebeten met haar bitse woorden, tot het haar man te erg werd en hij 't ontvluchtte.

Waar hij nu was, wist ze: Hij was nu gegaan naar hun zwager, den bitteren vijand van God en daar zou men hem spottend het hoofd heet praten over vromen met godsdienstige gelaatsplooi, maar met onverdragelijk karakter en zuur in den omgang.

Daar zou Gods Naam gelasterd worden. En daartoe had zij de aanleiding verschaft!

Door drift en boosheid had ze zich laten verrassen en door dezen dubbelen motor waren haar hartstochten in beweging gebracht. Zou dat dan nooit eindigen? Nooit?

Vroeger had ze 't gehoopt; geloofd.

Toen, niet lang na haar huwelijk, het voor haar was geweest de eerste, zoete tijd der geestelijke minne; toen ze uitging met hoogenjubel op de lippen, houdend in de hand de helder lichtende lamp, waarin de olie niet ontbrak, met vluggen tred gaande den zielebruidegom te gemoet .... ja! toen had ze reeds berekend, dat ze van-kracht-tot-kracht voortgaande 't zoover brengen zou, dat die bittere bron voor altijd zou zijn gestopt!

Toen had ze kloeke daden verricht.

Als de satan haar prikkelde; haar drift aanhitste ; de booze woorden aandroeg en ze haar schoof op de lippen, dan had ze een-en andermaal in de mogendheid des Heeren haar: „Ga weg, satanas!" doen hooren.

En dan was de vijand van haar geweken. Dan had ze gejuicht in den Heere, haar God. Dan had ze met Deborah, die 'n moeder was in Israël, haar zang hoog uitgejubeld, Israels God ter eere, die krachten geeft.

En dan had ze gemeend, als een Jaël den boozen Sisera, den belager van Gods volk zoo te zullen kloppen, dat hij zich krommende boog en zich strekkende neerviel.... maar dat alles was voorbijgegaan !

Die eerste tijden kwamen niet terug. Daarop was verkoeling gevolgd.

De huiselijke zorgen vermeerderden; de dingen dezer aarde omstrengelden haar; 't gebed verflauwde, vervormde min of meer, verkondde en verminderde.

Toen was satan teruggekomen. Die slechts was geweken voor'n tijd.

En de bittere bron der zondige hartstochten was weer krachtig opgeborreld ; opgespoten soms, dat het zilte water als 'n Doode Zee om haar heen spoelde, het leven verstikkend in het rond.

Dan was ze opgeschrikt. Als Mozes, toen Israël tegen Amalek streed, wanneer de staf Gods neerzonk.

Dan had ze den strijd hervat. De goddelijke wapenrusting wederom aangedaan en den vijand ten kamp gedaagd. Maar satan wrong zich in honderd bochten en sloop langs duizend paden, om telkens weer te keeren, als ze even verslapte in haar waakzaamheid. Dan besprong hij haar, grijnzend

Als ook thans weer; op 's Heeren dag! En dat na zulk een preek . ..

Zwijgend wordt het middageten genuttigd; schuw kijken de kinderen naar Vaders leege plek ; de twee jongsten eten stil voort, zich al schransend schadeloos stellende voor 't gemis van koffie en koek, maar Lena, in 't besef dat haar onachtzaamheid van alles de schuld heeft, kan maar moeilijk de spijsbrokken wegslikken ; schuift straks haar bord weg; barst in tranen uit en verlaat de kamer.

Magdalena zegt niets, maar kon óok niet meer eten. De Zondag, de Sabbath, dé dag der ruste en van zielsverheuging is door de bewegingen van haar eigen boos hart tot een kweldag gemaakt, die haar de ziel beklemt.

Anders, 's middags, schikken de kinderen rondom haar stoel en vertelt ze eenvoudig weg van Mozes en David en den Heere Jezus, waarbij Steven dan gewoonlijk in 'n hoek de krant leest, maar die soms neerlegt, om óok te luisteren. Maar thans kan ze niet. Hoe zal de lamp licht verspreiden, als de olie des Geestes ontbreekt !

Ze kleedt de kinders en zendt ze uit. Ze zijn blij, dat ze buiten in 't zonnelicht mogen rondwandelen, vrij van de benauwing, die thuis vandaag om hen heen kroop.

Lena gaat stil naar de middagkerk. En Magdalena blijft alleen achter.

Dan slaat ze de handen voor 't gelaat en tranen droppen tusschen haar vingeten. Ze beschreit haar kwaad, haar zondige geaardheid, haar dagelijksche boosheid.

En dan komt satan wederom tot haar.

„Gij 'n kind des Heeren? " vraagt hij spottend. „Gij 'n gekende van Isrels God? " tergt hij. ÏEn hij wijst er haar op, hoe haar lamp geen licht geeft, noch voor haar man, noch voor haar kinderen. Hij vraagt, waar nu haar vat is. en haar olie. Hij noemt haar 'n „dwaze maagd, " die meent te zullen binnengaan, maar niet zal kunnen.

En hij raadt haar aan, om dan maar, waar de zaak tóch varloren is, geen vergeefsche moeite te doen ; de verduisterde lamp te verbrijzelen en hém te volgen.

Zóo lispelt slangetong aan heur oor...

Maar dan springt ze met 'n schok overeind. 'n Gloeiend rood overvloeit heur gelaat, als dat der bruid, die zich door 'n vreemde met liefdesbetuigingen ziet vervolgd. En in haar hart klinkt als van ouds wederom een krachtig: Ga weg, satanas ! als de reactie op zijn brutalen aanval.

Als bij instinct grijpt ze naar het Woord. Neen — ze hééft olie in haar vat. Dank zij de genade van Jezus Christus.

En de kwijnende lamp zal ze bijvullen, dat ze hóóg wederom opvlamt. Daar houden haar vingeren stil bij de Schriftunrplaats, die ze satan nog na wil sturen: „Vertrouwende ditzelve, dat Hij, die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezvis Christus"

Dan neemt ze hoed en mantel. En gaat naar 't huis van haar zwager.

Daar zullen ze er getuige van zijn, hoe een Christin, door Gods genade schuld weet te belijden, als de olie weer helder brandt in haar lamp ....

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 december 1909

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Voor Oud en Jong.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 december 1909

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's