Staat en Maatschappij
De openbare school. Droeve toestanden.Vrouwenarbeid.
Staat en Maatschappij.
De openbare school. De openbare school boet gaandeweg van haren invloed op het openbare volksleven in. lu de eerste plaats heeft in niet geringe mate daartoe medegewerkt de toenemende bloei van het bijzonder onderwijs. Sinds de aanneming van de schoolwet- Mackay toch, klom alleen reeds het aantal Christelijke scholen van 500 in 1891 op een kleine 1000 in 1909 en nam het aantal leerlingen in genoemde jaren van ruim 78000 tot anderhalf honderdduizeiid toe. Het gevolg was, dat in sommige gemeenten tot inkrimping van het aantal openbare scholen werd overgegaan en in weer andere gemeenten door gebrek aan belangstelling zelfs tot algeheele opheffing moest worden besloten. Toch zou de openbare school nog een breede plaats te midden van ons volk zijn blijven innemen, ware 't niet, dat het openbaar onderwijs aan een kwaal is gaan lijden, waarvan het ziekteproces langzaam maar zeker tot algeheele ondergang van het openbaar onderwijs leiden moet. Nu hebbe men de oorzaak van die kwaal niet Ie zoeken in eenige daad van de voorstanders van het bijzonder onderwijs. Integendeel! Wat nog aan invloed van de openbare school overblijft, wordt door het optreden van de openbare onderwijzers zelve vernietigd. In het orgaan van de vereeniging van Hoofden van scholen „De School", wordt over het-optredoia der onderwijzers ernstig geklaagd. In het nummer van 1 Januari schrijft de redactie: „ . . . . sinds onder de openbare onderwijzers zich een geest van ontevredenheid begon te ontwikkelen, ontevredenheid zoowel op onderwijsterrein als op maatschappelijk gebied, sinds de Bond van Ned. Onderwijzers zijn strijd tegen het gezag in de school aanbond en op een wijze voerde, die velen buiten en in de school aanstoot gaf, sinds hij met kracht en klem opkwam voor de befaamde absolute neutraliteit, sinds in zijn organen bij herhaling voor sociaal-democratische beginselen en sociaal-democratische eischen propaganda werd gevoerd, sinds dien zijn duizende ouders, die 't vroeger met de openbare school best konden vinden, zelfs tegenstanders van confessioneel onderwijs, huiverig, " ja ongeneigd geworden, hun kinderen aan de openbare school toe te vertrouwen; aan de leiding van mannen, wier denkbeelden zoo lijnrecht tegen de hunne indruischen. Sindsdien is het ras der „palstaanders" zoo' goed als uitgestorven. Hoort Mr. S. van Houten, omtrent wiens voorkeur voor het openbaar onderwijs wel geen twijfel kan bestaan, hoort men verzuchten, dat hij, ook hij, het zwaard maar zal opsteken, omdat hij, de eenzame, tot de erkenning kwam, dat de strijd gevoerd wordt om een verloren zaak." De openbare school, een verloren zaak! En dit zeggen nu niet de voorstanders der Christelijke school, maar dat vonnis wordt geveld door een palstaander, door een strijder voor het openbaar onderwijs als^Mr. van Houten. Of er nu reden is tot ernstige ontstemming tegen de openbare onderwijzers, daarvoor behoeft men slechts de verslagen in te zien, die de couranten ons hebben gebracht van de Jaarvergadering van den „Bond van Ned. Onderwijzers" in de Kerstdagen gehouden. Door den voorzitter van dien bond van 7 0 0 0 onderwijzers werd een openingsrede gehouden, die meer dan ergerlijk was. Sprekende over de feesten, welke bij de geboorte van Prinses Juliana plaats hadden, zeide die voorzitter o. a.: „Wij kunnen de kinderen niet leeren, wat boven hun bevattingsvermogen ligt. Wij mogen hen geen liedéren laten zingen, welke zij niet begrijpen kunnen. Wij kunnen hun niet duidelijk maken, welke staatkundige beteekenis, volgens velen, de geboorte van het Prinsesje voor ons volksbestaan heeft. Wij kunnen hen niet doen gevoelen, waarom zij moeten juichen en jubelen bij de geboorte van een koningskind, en niet bij de geboorte van een ander kind. Wij kupnen hun niet doen inzien, dat het koningschap de voorkeur verdient boven den republikeinschen staatsvorm." Wij volstaan met het neerschrijven van deze korte tirade uit de openingsrede, die, gelijk de bladen vermelden, telkens door krachtig applaus werd onderbroken, omdat uit die enkele woorden reeds voldoende blijkt, welke geest in den „Bond van Nederlandsche Onderwijzersers" leeft. Den kinderen mag op de school geen liefde voor het Oranjehuis worden ingeprent. Er mag daar niet gejubeld worden bij de geboorte van een koningskind. Zoo iets is uit den booze. Het is een propaganda maken voor staatkundige dogma's, dat de neutraliteit van het onderwijs in den weg komt. Immers dient rekening te worden gehouden met de republikeinsche gezindheid van andersdenkenden. En van deze republikeinen zijn er nog al wat onder de onderwijzers te vinden. Hoe men 't nu maakt met het aanleeren bij de kinderen van Christelijke en maatschappelijke deugden, tot welke laatsten zekerlijk wel zullen behooren het aankweeken van liefde tot vorstenhuis en vaderland, is niet duidelijk. Intusschen is het wel te begrijpen, dat steeds meerdere ouders gaan inzien, dat voor hunne kinderen het openbare onderwijs niet deugt. En krijgen zij niet gelijk, die den bouw van Christelijke scholen hebben bevorderd en ter hand genomen? De openbare school is veroordeeld, of om Mr. van Houten na te zeggen, de strijd voor het openbare onderwijs is een verloren zaak. Het mag voor de velen, die in de verdraagzame, onverdeelde school nog de grootste zegen voor ons volk blijven zien, spijtig zijn dit te moeten hooren, maar wie, die de ontwikkeling van de openbare school in de laatste kwarteeuw met onbevangen, blik heeft nagegaan, had anders over hare toekomst kunnen denken? Immers de geest des ongeloofs en der revolutiezin komt steeds tot sterker openbaring; de vijandschap tegen de gestelde machten neemt onder de onderwijzers toe. En daarin ligt de kiem der ontbinding. Dit proces kan niet meer worden gestuit. Doch men zegge dan daarbij niet, dat de voorstanders van de bijzondere school dit hebben bewerkt. Neen! de steeds minder wordende invloed heeft de openbare school aan zichzelf te wijten.
Droeve toestanden.
Bij de behandeling der vraag in de Tweede Kamer, of de gemeente te Nieuw-Nickerie in onze kolonie Suriname een subsidie zal ontvangen voor een predikant of voor een hulpprediker, kwam weer. eens aan den dag, hoe droevig 't daar in die kolonie met de geestelijke verzorging der bewoners staat. De kerkelijke gemeente te Nieuw-Nickerie telt 495 lidmaten, van welke des Zondags niet meer dan 20 personen de kerk bezoeken. In 1908 werden 15 kinderen gedoopt en deden 6 personen belijdenis des geloofs. Huwelijken werden niet gesloten. Oorzaak nu van deze zoo geringe belangstelling moet gezocht worden in de moderne prediking. De kerkeraad is liberaal, de gemeente orthodox. De laatste predikant (er is thans eene vacature) ging volgens eigen verklaring naar Nieuw-Nickerie om daar zijn pensioen te verdienen. Hij was van zeer verlichte 'denkbeelden, en naar iemand, die de kerk daar bezocht, mededeelde, moet hij in een preek verklaard hebben: dat er wel een groot man kan geleefd hebben, die eigenschappen had als men aan Jezus toedacht, maar een Jezus, als Zoon Gods, behoorde tot de ongerijmdheden. In Paramaribo, de hoofdplaats van Suriname, is het niet veel beter. Ook daar staan uitsluitend moderne predikanten. En de twee, die daar geplaatst zijn, benevens de dominee uit Nieuw- Nickerie, zijn de eenige leeraars die van Hervormde zijde in Suriname te vinden zijn. Met recht droeve toestanden daar in de West! Is hier geen terrein voor de Zending? Blijkt het niet zonneklaar, hoe noodig 't is, dat eindelijk in de commissie tot de zaken der Protestantsche kerken in Nederl. Oost- en West- Indië (zie het 2e nummer van ons blad) eens meerdere mannen komen, die in den middellijken weg onze Indiën van andere herders en leeraars willen voorzien?
Vrouwenarbeid.
Het leven van den arbeid, dat, sinds de gilden kwamen te vervallen, in een gedésorganiseerden toestand verkeert, roept haast bij den dag om in andere banen geleid te worden. Vooral met den vrouwenarbeid is het droef gesteld! Tal van moeders, vaak van groote gezinnen, moeten dikmaals, ten einde mede in het onderhoud van het gezin te helpen voorzien, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat buiten het gezin in fabriek of werkplaats arbeiden. Dat daaronder het huiselijk geluk en voor een groot deel ook de opvoeding der kinderen lijdt, zal wel geen nader betoog behoeven. Van organisaties van arbeidsters, om tot betere toostanden te geraken, gelijk men in het buitenland veelvuldig aantreft, verwachten wij niet veel. Hoogstens kan men partieële verbeteringen verkrijgen, maar de zaak zelve wordt er niet anders op, en nog minder is er van oplossing van het vraagstuk sprake. Daarin kan alleen een goede arbeidswetgeving de helpende hand bieden. Voor het Kabinet om hier eens een goeden stap te doen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's