Afdeelingsverslagen.
Voor de Afdeeling UTRECHT trad 29 December j.l. in openbare bijeenkomst als eerste spreker in dit seizoen op Ds. J. Goslinga van Leerdam, met het onderwerp de gemeenschap der heiligen.'
Na het zingen van Ps. 133 : 1, 3 gedacht spreker in zijn inleidend woord de moeilijke dagen die onze Bond doorgemaakt heeft, en besprak terloops een mededeeling voorkomende in een van de jongste propaganda-geschrifte'n der Conf. Verg., als zoude de Bond thans hetzelfde doel najagen als de Conf, Verg. Op dit laatste wordt door hem geantwoord, dat, al zouden wij éénzelfde doel najagen, wij toch onmogelijk ons met haar kunnen vereenigen, omdat zij optrekt met mannen, waarvan wij in den wortel verschillen, iets wat zij even goed weet als wij en wat wij alleen uitspreken, niet om te verwijderen of te kwetsen, maar omdat wij zoo gaarne zouden zien een nauwere aaneensluiting van alle waarlijk confessioneelen, waartoe dan nu volgens hun eigen getuigenis de weg in onzen Bond openstaat.
Vervolgens ging Z.Ew. over tot behandeling van zijn onderwerp aan de hand van Joh, 17 : 31b: dat ook zij. in ons één zijn; opdat de wereld geloove, dat Gij mij gezonden hebt."
Op vier punten werd de aandacht gevestigd naar aanleiding van bovengenoemd Schriftwoord en wel: 1e. op de breuke die. er bestaat, 2e op het in één Wortel sdamgevoegd zijn, 3e. op het gemeenschappelijk leven, 4e. op onze eenheid in roeping.
Eenigszins uitgewerkt volgen hier deze vier gedachten, met de bede, kon het zijn, dat zij nog dienstbaar mogen zijn tot het brengen van meer éénheid onder — en eene gezonde openbaring van — het volk des Heeren. Te betreuren is het dat er tusschen de Geref. broederen, in de Ned. Herv. Kerk vaak zooveel kloven liggen. Deze kloven mogen er niet zijn. Om onderscheidene redenen niet. Vooreerst komt het Gods eere te na, en vervolgens de zaak des Heeren lijdt er onder. We hebben voor eenige dagen wederom Kerstfeest mogen vieren. De gemeente van Christus ging in gedachte weer op naar Bethlehem. Zij knielden allen tezamen neer voor éne kribbe. Wat moet de wereld daarvan nu denken als diegenen, die bij elkander behooren zoo verdeeld daar voortleven. Legt daar eens naast het Woord des Heeren, zooals 't ons toespreekt uit het Hoogepriesterlijk gebed, dat zij in ons één zijn, opdat de wereld geloove dat Gij Mij gezonden hebt". De eenheid van dat volk is noodzakelijk. Dit blijkt uit het woord "opdat". De splijtzwam van de zonde wringt uiteen wat bij elkander hoort. De H. S. spreekt van hen als "volk' des Heeren. Zij hebben één Koning, ze buigen zich voor één troon, van één Heere en Vorst ontvangen zij hun rijksgeboón.
Nog inniger, nog intiemer band houdt hen samen, ze zijn "kinderen" van één huisgezin. Ze hebben één Vader, en zitten aan rond één disch, ze wachten ééne erfenis. Nu doet zich onder dat volk, onder die kinderen, het-: elfde vdor wat men merkt bij volkeren in natuurlijken jin, en bij kinderen in het dagelijksch leven. Zij zijn het telkens rnet elkander oneens, twisten doen zich voor, meer dan zich verwachten laten, en zeker meer dan geduld mag worden.
In twee gevallen blijven oneenigheden uit. Als de vijand op de grenzen staat, als de koning roept: de belager wacht; en als de vorst en gebieder zich aan zijn volk vertoont in glorie. Dan dringt alles samen en uit één keel stijgt hemelwaarts : de koning leve. Dus de 1e voorwaarde, om de breuke weg te nemen, is strijd van buiten, en de 2e : zich zelf verliezen in de grootheid van hun koning. Zoo is 't in geestelijken zin ook. Als de vijand het volk naar elkander toedrijft en wanneer hun saamvergaderen God den Heere als middelpunt heeft. Om deze waarheid u onder een ander beeld voor te stellen: Kinderen van één huisgezin kunnen kijven alsof ze elkander meer dan vreemd waren. Maar de breuke verdwijnt als een booze tong één van allen aanrandt, of als vader na een tijd van afwezigheid weer het middelpunt vormt. Dan zien de kinderen niet op elkander, niet op zichzelven, dan is op vader alleen het oog. Zoo kan alleen de breuke worden weggenomen.
Deze breuke mag er niet zijn, want het volk is in wortel één; het volk is in leven één; het volk is in roeping één. In wortel één, d. w. z. krachtens het plan Gods; zij zijn uitverkoren in Christus van voor de grondlegging der wereld. Toen zij verkoren werden als volk, was dit niet om los naast elkander te staan maar te zijn onder één koning. Zij waren leden van één lichaam met Christus als hoofd. Hier schuilt de wortel van saamhoorigheid. In het plan Gods, in de vrije keuze van hun Koning, in het eeuwig welbehagen des Heeren ligt de eenheid, de gemeenschap der heiligen. Omdat ze in wortel één zijn is ook hun leven één. De stam waaruit hun de levenssappen toevloeien is Chiistus Jezus. Daaraan botten zij uit ieder op zijnen tijd en ieder op zijne plaats. In dien Christus kan hun leven zich alleen als eenheid openbaren. Zij hebben, zooals de Catechismus in Zond. 21 zegt, aan den Heere Christus en alle Zijne schatten en gaven gemeenschap. Daardoor kan er gesproken worden van een gemeenschap der heiligen. Dat arm, zondig volk, dat in zichzelven niets heeft overgehouden dan een verbroken hart, staat heilig voor Gods aangezicht omdat die heerlijke ruiling plaats had tusschen Christus en hen. Maar nu komt de werkelijkheid zich hier tegenover stellen. In wortel één, in leven één, n.l. in levensader, en toch zoo ieder op zichzelven. Reeds Haggai klaagt: elk loopt voor eigen huis, maar het huis des Heeren ligt woest ter neder. En zoo is het nog. Mag dit? Ganschelijk niet.
Ten 3e de gansche gemeente lijdt schade door deze breuke. Zoo wijzen we op de roeping. Ze zijn één in roeping. Hoe blijkt nu de verregaande geesteloosheid onzer dagen dat men hiervoor bij God niet in de schuld valt. Als we Joh. 17 eens lezen, moeten we ons niet wegschamen voor onzen God. Moeten we ons aangezicht niet naar het stof buigen als we daar de wereld voor ons zien.' Niet wij, maar Christus wordt gelasterd om onzentwille. Waar is die liefde te speuren waarvan gesproken wordt in 't laatste vers van Joh. 17 ? Het volk moet als volk zich weer één voelen. Naar vrede moeten we staan, onder één beding: niet de waarheid knechten. De waarheid is de levensgezellin van den vrede. We moeten op elkanders naam toezien gelijk broeders van één huis dit ook doen. Critiek onder elkander, die uit liefde wordt geboren, schaadt niet, weert zelfs het kwaad. Maar dan ook is nodig dat het broeders zijn, dat ze onder één harte zijn gedragen, dat ze met één levensbloed zijn gevoed. Anders is de eenheid slechts schijn. Evenwel, zijn het broeders, zoo moet de liefde zich uiten. Dit kan niet anders. Mededeelen aan elkander is een genot. Ze zijn schuldig, zegt de Catechismus de gaven onderling te besteden tot bevordering der godzaligheid.
Gevoelen we iets van die schuld? Dat het maar eens tot een schuldbelijden bij ons kwame, dan is de weg open ot herstel. Dat door ons gezamenlijk gebeden worde dat het werkelijkheid zij : de gemeenschap des H. Geestes zij met u allen. Hier in deze bedeeling zullen vanwege onze zonde breuken blijven. Eens is het ééne kudde, onder éénen Herder, dan is het een gemeenschap der heiligen die we zien zullen. Dan zal 't waar zijn: Daar wordt 't liefdevuur niet gedoofd.
Met het zingen van Ps. 119 : 83 en dankzegging werd de goed bezochte vergadering door Ds. Goslinga gesloten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's