Uit het kerkelijk leven.
Blijven of gaan? Vooruitgang. Achteruitgang. Een Noodkreet.
Blijven of gaan?
Men kan wondere dingen soms hooren of lezen! En onder die wondere dingen behoort zeker ook, dat er menschen zijn, die zeggen: aan de Herv. Kerk ontbreekt dit en ontbreekt dat en dus we moeten die Herv. Kerk verlaten en een ander kerkje gaan bouwen!
Wij dachten altijd : hoe meer de gebreken van de Herv. Kerk gezien, besproken en gevoeld worden hoe beter, en dan met de nooden tot den Heere en doen wat Hij ons voor de Herv. Kerk op de handen komt leggen! Neen, niet dat verzwijgen van de zonde onzer Kerk. Niet dat blindemannetje spelen. Neen — hoe meer de breuke gezien mag worden en de zonde gevoeld en beleden hoe beter.
Want de zonde is groot, de breuke gaat diep. Maar wie zijt gij, o eigengerechtig en hoogmoedig mensch, dat gij bij de zonde der Herv. Kerk, waartoe gij naar Gods wonderbestel, door uw vader of moeder of door uw grootouders behoort of behoort hebt - wie zijt gij, dat gij u zult afwenden van haar, haar met steenen zult werpen, haar schelden en hoonen - dikwijls als de waarheid in de gemeente nog verkondigd wordt - om rustig een eigen Kerkje te bouwen en daar dan in te dommelen op het oorkussen van zelfvoldaanheid?
Neen, minstens even goed als zij die uitgetreden zijn voelen wij de zonden en de ellende onzer Herv. Kerk.
Men moet ons niet beschouwen, dat wij zóo onnoozel zijn, dat wij in gemoede meenen, dat bij ons alles „in orde"; is.
En óok niet, dat wij van de gedachte zijn : er ontbreekt bij ons veel aan, maar dat is nu eenmaal zoo en daar zullen we maar stil bij gaan neerzitten! Neen, geenszins! Gode zij dank komt er in het midden van de Herv. Kerk meer en meer ontwaking wat deze zaak betreft. Maar verre zij het van ons om onzen rug te keeren naar de Herv. Kerk, om onze handen in onschuld te wasschen en te zeggen : vaarwel! Zouden wij dan vrij zijn ? Zouden wij dan getrouw zijn ? Integendeel. Dan zouden we ganschelijk ontrouw zijn. Dan zouden we schrikkelijk schuldig staan. En de Heere zou daarbij met Zijne oordeelen niet uitblijven.
Waarop wij liever allen die de waarheid liefhebben willen toeroepen : blijft, blijft op de plaats waar de HEERE u stelde en werkt in den kring van die velen, die met u de waarheid liefhebben ; die met u belijden: „Wij en onze vaderen hebben gezondigd" en die met u uitzien naar de verlossing, die de Heere aan Zijn Sion beloofd heeft te zullen zenden op Zijn tijd.
Want de Herv. Kerk-met haar belijdenis en formulieren is de ware Kerke des Heeren in ons Vaderland. De Heere heeft de plantinge Zijner handen bewaard tot op dezen stond. En liggen er' vele, schrikkelijke zonden - de Heere heeft haar den scheidbrief nog niet gegeven. Hij heeft getoond dat Hij haar Koning en Heere is. Hij heeft concilies als in de dagen vóór Luther en na Luther, die de waarheid naar de Schriften vervloekten van onze Herv. Kerk afgehouden. Hij heeft haar belijdenis bewaard. Hij heeft de formulieren van Doop, Avondmaal, bevestiging van predikanten, ouderlingen en diakenen voor hen bewaard.
Hij heeft vrijheid bewaard voor Zijn Woord en Wet, gelijk Hij Zijn dienstknechten nog uitzendt met Zijn getuigenis, die niemand of niets kunnen weren van den kansel, terwijl er alom naar wordt geroepen, zeggende: kom over en help ons. Hij heeft Zijn Sion in de Herv. Kerk nog gelaten. Hij troost en zegent nog. Hij roept nog tot het leven en doet nederliggen in de grazige weide Zijner barmhartigheden, jongen en ouden te zamen. Hij wil nog zeggen: vrees niet, gij wormpje Jacobs, gij volkje Israels! Ik help u, spreekt de Heere en uw Verlosser is de Heilige Israels!" (Jes. 41:14.) O ! de bemoeienissen des Heeren zijn zoo groot en zoo vele!
Want ja, verzondigd, verzondigd is alles! De minste van des Heeren zegeningen is verbeurd. Vloek, oordeel, verderf is het rechtvaardig deel. Om uitgeroeid te worden en te worden weggeworpen, dat is billijk en verdiend. En ziet, nu wil de Heere zoo kennelijk spreken : „Gij dan, mijn knecht Jacob ! Vrees niet, spreekt de Heere, want Ik ben met u; want Ik zal eene voleindiging maken met al de heidenen, waarhenen Ik u gedreven zal hebben, doch met u zal Ik geen voleindiging maken, maar u kastijden met mate en u niet gansch onschuldig houden." (Jer. 46:28.)
O! die zich dan van haar afkeert, die mag wel toezien, dat hij door den Heere niet bezocht worde als zijnde eeri verderver van den wijngaard, door den Heere in ons Vaderland geplant en bewaard. Die mag wel toezien, dat hij van onder de oordeelen Gods niet wegloopt en de zegeningen Gods niet acht als niets. Die mag wel toezien, dat hij niet, wanende getrouw te zijn, ontrouw bevonden worde ! Die mag zichzelf wel eens onderzoeken of hij niet leugen spreekt, waar hij zoo prat gaat om de waarheid lief te hebben. Want ach, om eigen zaak te dekken en eigen handelwijze te rechtvaardigen wordt dikwijls zoo veel gezegd!
Maar de Heere heeft de Herv. Kerk nog niet verlaten en Hij zal als de Heilige Israels, heiliglijk en volmaakt, zoodat er niets aan Zijn werk ontbreekt. Zijn recht in haar midden zoeken en uitvoeren. Hij zal haar „niet gansch onschuldig houden" — vandaar Zijn oordeelen. Maar Hij zal met haar geen voleinding maken — vandaar Zijn hulpe, die Hij tot verlossing toonen zal!
Neen, wij willen de breuke niet ontkennen. Wij willen de zonde van de Herv. Kerk niet voorbij zien. Maar kennende de breuke, belijdende hare zonden willen wij in haar midden blijven, omdat het de plantinge des Heeren is, de ware Kerke Christi in Nederland, die de Heere gespaard en bewaard heeft en bezig is op te richten uit haar zwaren en diepen val.
Alle ander werk' zal toch niet bestaan. En moeten wij oordeelen naar de vruchten van de kleine Kerken, die overal naast de Herv. Kerk uit den grond verrijzen, dan moeten wij in gemoede verklaren, dat wij veelszins noch naar de prediking, noch naar de sacramentsbediening, noch naar de oefening der tucht, noch naar het gemeenschapsleven aldaar met een jaloersch harte heen blikken.
Neen — 't is voor óns 't beloofde land niet! Wij blijven liever, waar de Heere óok wilde blijven. Wij schimpen liever niet op de voorrechten die God ons liet. En de zonden peilende, de breuke belijdende, is het onze hartelijke begeerte om te midden van vele waarheidsvrienden datgene te doen, waartoe de Heere ons nog verwaardigt. Voelende Zijn oordeelen — maar ook kennende Zijn beloften. Waarbij onze bede is: de Herv. Kerk, door God gestraft, maar niet door den Heere nog verlaten, worde door de verlossinge van den Heilige Israels weer spoedig wat zij behoort te zijn: de Geref. Kerk van Nederland!
En die van haar uitgingen moeten dan maar weten wat zij te doen hebben. Gods werk zal bestaan tot in eeuwigheid. Daarom blijven wij — en wij begeeren niet uit te gaan, biddende: Keer weer, o God der legermachten. Tot ons, die op Uw bijstand wachten. Zie uit den hoogen hemel neer; Herstel uw wijnstok als weleer, Den stam, ter liefd' Uws Zoons geplant, Dien Gij gesterkt heb door Uw hand.
Vooruitgang.
In de „Heraut" van 9 Jan. '10 lezen we
„Maar ook in dë Hervormde Kerk is er een wederopleving gekomen, die we trots alle verschil van standpunt dankbaar begroeten. Het aantal predikanten, dat de waarheid verkondigt, neemt toe, vooral in onze groote steden. Twee hoogleeraren te Utrecht staan in beginsel beslist aan ónze zijde (wat bedoelt de Heraut met dat woordje „onze" ? Red. „Waarheidsvriend" en handhaven onverzacht het Goddelijk gezag der H. Schrift. En dank zij hun invloed wordt een geslacht gekweekt, dat in de bediening des Woords weer de oude paden volgt.
Zoo is in héél ons volksleven een kentering gekomen, die hope geeft voor de toekomst."
Achteruitgang.
In „de Amsterdamsche Kerkbode", orgaan van „de Geref. Kerken" in de hoofdstad, deelt de Commissie van Beheer mee (7 Nov. '09), dat de gewone collecten in de Kerken aldus geregeld achteruitgaan.
In 1901 werd gecollecteerd f38123. In 1902 „ „ f36926. In 1903 „ „ f35453. In 1904 „ . „ f34423. In 1905 „ „ f35524. In 1906 „ „ f34981. In 1907 „ „ f34675. In 1908 „ „ f32367.
Er wordt bij aangeteekend: „In 1908 dus bijna f6000 minder dan in 1901, en niet door bijzondere omstandigheden, doch als uitvloeisel van regelmatigen teruggang."
Een Noodkreet.
In „Hollandia", hoofdredacteur Ds. Sikkel, predikant bij „de Geref. Kerken" lezen we onderstaande „Noodkreet", die ons een blik geeft in het kerkelijk leven te Amsterdam.
Wij laten het stukske hier volgen. Een enkel woord onderstreepten wij.
De Gereformeerde Jongelingsvereeniginen in Amsterdam bloeien niet zooals het moest, en zooals ze in kleinere plaatsen wel bloeien. Hiervoor bestaan vele redenen, die zeker niet alle weg te nemen zijn, maar die toch zeker ten deele overwonnen kunnen worden. Ze dienen althans ernstig onder de oogen gezien te worden. Bestond er meer samenbinding in het. Gereformeerde leven in de Hoofdstad, hetzij in één krachtig centrum of in meer locale centra voor de onderscheiden wijken of stadsdeelen, dan bestond er ook meer overleg over wat voor de ontwikkeling en sterking van het leven ook onzer Gereformeerde Jongelingsvereenigingen gedaan kon worden.
Heel de Christelijke arbeid in de Hoofdstad dient door de Gereformeerden onder de oogen gezien te worden. Er is geen organisatie; geen optreden welbewust, frisch en met goed overleg, met samenbinding en goede verdeeling van arbeid. Zóó mag het niet blijven....Alles wordt wel gepoogd. Maar alles breekt bij de hand af. En wie over deze dingen een publiek woord schrijft, die voelt zijn woord wegwaaien. Ons weekblad schrijven we voor volk en kerk reeds tien jaar lang in de Hoofdstad, en niemand schier ziet er eenig belang in, dat de Gereformeerden een Gereformeerd Weekblad, een vrij blad, tot hunne beschikking hebben. Tal van Gereformeerden, die tot de ontwikkelden en meelevenden behooren, en wien wij er zelf naar vroegen, weten niet eens, dat het bestaat.
Waarom we dit zeggen? Omdat ons eigen blad hierin een teeken is, 'hoe alles onder ons in Amsterdam dood gaat, omdat er geen samenbinding én onderlinge steun is. De Gereformeerden zijn zelf de schuld. Ze laten elkaar en eikaars arbeid aan het lot over, en ze laten elkaar zoo dood gaan. We hebben geen reden meer, om dit te verzwijgen. We hebben wel ernstig reden om zoo te spreken. We hebben reden, om het geen week meer uit te stellen. Ons blad gaat dood. ’t Is er haast geweest. Het haalt het nieuwe jaar niet — tenzij deze week nog door Gods believen het licht door de donkere wolken heenbreekt. Of we geen vrienden hebben? Wel zeker. En velen. Maar ze doen niets voor ons blad. Ze laten het doodgaan en hebben er zelfs geen erg in. We zeggen dit daarom thans, eer we den laatsten snik geven. Toch zal het wel niet baten. Men gelooft het niet. Men hoort het niet eens. Zoo gaan in Amsterdam de actie en de energie dood. En de Gereformeerde Jongelingsvereenigingen gaan zoo ook dood, zonder dat de Gereformeerden zich er mee bemoeien. En allerlei Christelijke arbeid van Gereformeerden te Amsterdam gaat zoo dood. Leven kost arbeid. Dood gaan gaat van zelf.
De Gereformeerden in Amsterdam mogen Zondags naar de kerk gaan, om te luisteren, - en daarmee uit. In den kerkeraad kan voor den Christelijken arbeid in de stad niets gedaan worden. Daar wordt dit alles afgestemd, wijl het niet op den weg ligt. En als het particulier initiatief werkt, dan heet het bij velen — "Methodistisch". Thans zeggen wij het nog eens door ons publieke vrije perswoord: er moet tusschen de Gereformeerden in Amsterdam samenbinding en samenwerking komen, eèr het te laat is. En er moet overleg komen in den Christelijken arbeid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's