De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

Verschil van meening. Zondagsarbeid.

7 minuten leestijd

Verschil van meening.

„De Nederlander", het dagblad tot verbreiding van de Christelijk-Nationale beginselen, - heeft in een serie artikelen het alleszins actueele onderwerp van „de godsdienstoefeningen aan boord" behandeld. Het blad laat daaraan voorafgaan eene verdediging van den Minister van Marine tegen de critiek, die bij het laatste marine-debat in de Tweede Kamer van anti-revolutionaire zijde werd vernomen.

Onze lezers zullen zich herinneren — in een der eerste nummers deelden we daarover iets mede — dat bij de behandeling der Marine-begrooting in December in het bijzonder de bevordering der zedelijke en geestelijke belangen van het personeel werden ter sprake gebracht. Naar aanleiding nu van dit debat schreef „ De Nederlander" hare artikelen.

Echter met alle waardeering voor de moeite, welke het orgaan der Christelijk-Historischen zich heeft gegeven om, zoowel het standpunt van Minister Wentholt te billijken, als te bepleiten, dat het met de godsdienstoefeningen aan boord, zooals ze thans worden gehouden, nog zoo kwaad niet is gesteld, moeten wij verklaren, dat onzerzijds met het betoog van „De Nederlander" niet kan worden ingestemd.

Tegen de stelling, die in het eerste artikel wordt gehoord, en welke stelling feitelijk de basis vormt, waarop de geheele verhandeling van het blad rust, moeten wij met nadruk opkomen. „De Nederlander" beweert nl. dat èn de Minister van Marine èn zij die het commando over de zeemacht voeren nooit anders dan op indirecte wijze (de cursiveering is van ons) tot de behartiging der zedelijke en geestelijke belangen kunnen medewerken, en eerst dan acht het blad reden tot klacht, wanneer zij daarin in gebreke blijven, wanneer zij weigeren te steunen, wat door anderen ten bate van de geestelijke belangen van het personeel wordt gedaan. De nadruk moet hier vallen op de woorden „nimmer" en „indirecte wijze."

Wat is nu de bedoeling van „De Nederlander"? Dit, dat naar haar oordeel nimmer rechtstreeksche bemoeiing van de Overheid ten aanzien der geestelijke en zedelijke belangen van het volk, waarover zij te gebieden heeft - in dit geval het Marine-personeel - kan uitgaan. Dit nu ontkennen we ten eenenmale, en het verwondert ons niet weinig, dat in het bijzonder ook van Friesch-Christelijk-Historische zijde geen bezwaren zijn gehoord. Immers het geldt hier een' hoogst gewichtige kwestie, welke in niet geringe mate het beginsel raakt. Heeft de Overheid ten opzichte van de zedelijke en geestelijke belangen van het scheepsvolk bemoeienis, of niet, en dat wel in directen zin?

Wij zouden willen vragen: heeft de Overheid niet als taak om zorg te dragen, dat b.v. de Zondagsdienst van den Marine-man zooveel worde beperkt als maar eenigszins mogelijk is? Of ligt dit soms op den weg van anderen, hier van de Vereeniging tot bevordering van de Zondagsrust? Moet die vereeniging dan een onderzoek instellen naar wat ten aanzien van de Zondagsrust bij de Marine niet goed geregeld is, en wat voor verbetering zou vatbaar zijn? Onze meening is dit niet. Integendeel is het de Overheid, die zelf tot in de kleinste bijzonderheden heeft na te gaan, hoe 't met de diensten op Zondag staat en het is haar taak al het onnoodige - en dat schijnt ons bij de Marine niet weinig - te verbieden.

En dan — om slechts een greep te doen — het in de gelegenheid stellen van het personeel om bij de maaltijden het gebed te doen; te zorgen dat de schepelingen op-een behoorlijk uur van passagieren terugkeeren, en niet den ganschen nacht op verkeerde wegen ronddwalen; en dat er op Zondag niet behoeft gereisd te worden. Heeft de Overheid ten aanzien van alle deze dingen geen rechtstreeksche bemoeienis? Zoo ook niet ten opzichte van het bevorderen van het gezinsleven van den gehuwden schepeling? Wanneer „De Nederlander" nu beweert, dat die bemoeienis niet op den weg van de Overheid ligt, dan begrijpen we van die bewering eenvoudig niets.

Toch erkent het blad — en dit verheugt ons zeer en het rechtvaardigt de critiek, die van antirevolutionaire zijde meermalen wordt gemaakt — dat er ongetwijfeld veel in de Marine is, dat den ernstigen Christen tegen de borst stuit en dat anders moest zijn. Doch op de vraag: aan wien de schuld? ligt volgens „De Nederlander" die schuld niet bij de Overheid, die zich naar het ons voorkomt maar weinig aan het geestelijk welzijn van het scheepsvolk laat gelegen liggen, maar o. a. bij dat deel der bevolking, dat beslist Christelijke gevoelens is toegedaan, doch zich grootendeels aan den dienst bij de Marine onttrekt.

De schuld, dat het bij de Marine niet zoo is, als het moest zijn, behoort dus volgens „De Nederlander'' gezocht te worden bij de ouders, die de Christelijke gevoelens zijn toegedaan, doch hunne zonen geen dienst laten nemen. De Minister van Marine en zij, die het commando over de zeemacht voeren, gaan vrij uit. Maar wat zei Mr. Schokking, destijds als afgevaardigde van Harlingen in de Tweede Kamer? In de zitting van 6 December 1907 sprak die naaste geestverwant van „De Nederlander": Mij is het bekend, dat er meerderen zijn, zoowel onder de breedere klassen van ons volk, als onder de hoogere standen, die hun zonen gaarne bij de Marine zouden willen laten dienen, indien zij niet moesten vreezen, dat hetgeen hun heilig is en daarom ook hun kinderen heilig moet zijn, eenvoudig zonder meer onder den voet wordt geloopen. Het is mij bekend, dat een poging om b. v. ook onder de adelborsten eene vereeniging te stichten, als de Christelijke Studenten-Vereeniging in de studentenwereld onmogelijk is gebleken en afgestuit op krachtigen weerzin. Zoo is 't. Mr. Schokking mocht het in zachte bewoordingen zeggen, maar hij doet 't dan toch uitkomen, dat in de gegeven omstandigheden en onder de bestaande toestanden voor ons Christenvolk, hoe dit ook te betreuren is, moeilijk plaats op de vloot te vinden is. De schuld, dat dit zoo is, ligt dus niet bij de ouders, maar bij de Overheid, die zich van hare roeping ten deze niet bewust is.

Principieel staan wij hier tegenover „De Nederlander." En heeft „De Nederlander" in hare artikelen ten aanzien van het punt in kwestie de Christelijk-Historische gevoelens vertolkt, dan is het hier duidelijk geworden, dat er nog meer verschillen bestaan tusschen Christelijk-Historischen en anti-revolutionairen, dan men  oppervlakkig wel denkt.

Nu ligt het niet in onze bedoeling, dat wij zouden willen aansturen op een propaganda-maken van den Minister van Marine voor zekere richting.-Het dilemma, door „De Nederlander" gesteld: óf op indirecte wijze medewerken of het maken van propaganda voor zekere richting, wordt door ons niet aanvaard. Naar onze overtuiging staat het anders. Wij belijden met het Program van Beginselen van '78, dat de Overheid als dienaresse Gods in een Christelijke natie gehouden is tot verheerlijking van Gods Naam. En dat zoo, dat de Overheid daartoe niet indirectelijc medewerkt, maar dat zij rechtstreeks die maatregelen neemt, die een Christelijk leven ook op de vloot bevorderen.

Dat „De Nederlander" hier een ander standpunt kan innemen, is ons een raadsel. Evenmin als wij haar beschouwingen over „de godsdienstoefeningen aan boord" begrijpen.

Daarover een volgend maal.

Zondagsarbeid.

Vanwege het Departement van Landbouw wordt een onderzoek ingesteld naar den arbeid op Zondag, die in verschillende bedrijven wordt verricht. Omtrent het resultaat van dit onderzoek, dat in Amsterdam door de Kamer van arbeid voor de voedings-en genotmiddelen voor hare bedrijven werd ingesteld, zijn enkele mededeelingën verschenen. En wat blijkt uit die mededeelingën ? Dit, dat in bijna alle gevallen het bedrijf volkomen Zondagsrust toelaat. Patroons en arbeiders verlangen als om strijd naar Zondagsrust. Voor velen is het de concurrentie vrees, die hen er toe brengt de winkels open te houden. Dit laatste is het geval o. a. bij varkensslachterijen, vleeschhouwerijen en paardenslachterijen. De verbeterde ijskasten-techniek maakt het mogelijk het vleesch voor bederf te vrijwaren. Omtrent de banketbakkerijen luidt-het in het rapport der Kamer, dat het de grillen van het publiek zijn, die het arbeiden en den verkoop noodzakelijk maken. Bij de, broodbakkerijen is algeheele Zondagsrust mogelijk, zoo ook de nachtarbeid verboden wordt.

Over het verkregen resultaat verheugen wij ons, en wij zijn Minister Talma er dankbaar voor, dat hij de opdracht tot het onderzoek gaf. Laat de Overheid thans spoedig helpend en regelend optreden, opdat wij een arbeidswet krijgen, die in het bijzonder den arbeid op Zondag tegengaat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 januari 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 januari 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's