Verslag
Verslag van de rede van Ds. M. van Grieken van Ameide, Woensdag 19 Jan. '10 gehouden voor «de Vereeniging voot Schoolonderwijs oji Geref. Grondslag» te Barendrecht.
Uitgangspunt der Schoolrede: Lukas 1: 17.
God heeft in de dagen van ouds door Jesaja gesproken «Voor een doorn zal een denneboom opgaan en voor een distel een mirteboom, en het zal den HEERE zijn tot een naam, tot een eeuwig teeken, dat niet uitgeroeid zal worden». (55 : 13) Deze woorden zijn een groote troost voor Gods volk, als we merken op het werk Gods, dat zoo allerwegen wordt tegengesproken, te weten, dat het een werk is van Gods genade. De Heere wil, naar een volk, dat in zichzelven dood is, omzien en tot hen zeggen: Ziet hier ben Ik; Ik ben uw Heelmeester». Dat volk wil Hij bewaren en Zijn werk op aarde onderhouden en zegenen tot op den grooten dag, om dan binnengeleid te worden in den hemel der heerlijkheid! Als dat niet geschreven was, Van Gods wijsheid en barmhartigheid, zou op aarde niets zijn, dan zonde, dood en verderf. Omdat God is een God van trouw en genade, geldt dat woord van toen ook nog voor thans. In de duisternis wil God nog licht geven. Moeten wij'in ons goede Vaderland niet getuigen: als dat woord van Jesaja niet geschreven stond, dat ons land reeds lang ten ondergang ware opgeschreven? Maar hoewel de zonde onzer natie groot is, wil God zich openbaren als de Gods des Verbonds, die van een gansch afgesneden zaak een goede zaak weet te maken, tot roem en prijs van Zijn grooten Naam, en tot zegen van duizenden. Niettegenstaande de zonde van volk en huisgezin, wil hij de God zijn van trouw en waarheid.
In de voorgelezen woorden uit Lukas 1 : 17 wordt ons voorgesteld, dat de engel Gabriel neerdaalt van den hemel, om Zacharias aan te zeggen, dat hem een zoon zou geboren worden, die in Israël heerlijke dingen zal doen, n. l. een volk voor en toe bereiden voor de komste van den Zaligmaker van zondaren. Johannes zal den Messias worden vooruit gezonden, om in de kracht van Elia het zondige volk terug te roepen, opdat het straks waarlijk zal vooruit gaan, met Gods gunst overladen.
God is een groot God; niets kan zich bewegen buiten Zijnen wil. Hij maakte den mensch naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis. Die God moest nu aanschouwen, dat die mensch van Zijn wegen afweek en eigen paden koos. Die groote God moest van Satan aanhooren: die mensch, dien Gij gemaakt hebt, is van U afgevallen, en naar mij overgekomen om onder mijn heerschappij te staan en mij te dienen! Maar God liet dit zoo niet. Hij zeide het den verleider aan, dat Hij vijandschap zou zetten, tusschen den duivel en den mensch waarbij Satan wel de verzenen van Christus, den Verlosser zou vermorzelen, maar Welke hém den kop zou verbrijzelen! De Heere heeft Zijn Woord waargemaakt. Tot roem van Zijn genade heeft Hij uit het zondige menschengeslacht, een volk voortgebracht, dat weer naar Hem vroeg, dat weer lust had in Zijne wegen. Dat volk, dat Hij zich verkiest, keert echter telkens den Heere den rug weer toe. God zal echter doen zien, dat wie Hem verlaat, zijn straf zal treffen. In de dagen van Johannes den Dooper verkeert Israël in stikdonkeren nacht. Het heeft geen lust te wandelen in de wegen van Gods getuigenis; 't zijn enkel doode vormen die ze er nog op na houden, ook al beroemen ze zich er op Abraham tot een vader te hebben.
Nu zendt God Johannes om hen voor te bereiden voor de ontvangst van den Messias. Deze moet wijzen op hun zonde en ongerechtigheid, en hen toeroepen: «Bekeert u.» Hij moet hen aanzeggen, dat als zij zich niet bekeeren, ze buiten zullen staan, omdat er geen vragen is naar God. Johannes in 't boetekleed verschijnend moet hen toeroepen, dat er een breuke is tusschen het volk en God, dat het niet te doen is om het uitwendige, want dat God uit steenen Abraham kinderen kan verwekken. Er was geen ware honger en dorst naar de gerechtigheid. Het was niet als in de dagen van weleer, dat er een bloeiend leven was, een vragen der vaderen naar den levenden God en een onderwijzen hunner kinderen in den weg der zaligheid, een spreken tot hen, wat God gedaan had tot heil van Zijn Sion. De vreeze des Heeren was voor hunne vaderen de fontein alles goeds geweest, en God had getoond rnild Zijn zegen daarover - te willen schenken. Maar dat alles was nu vergeten, 't Ging enkel om stoffelijke dingen. Daarin was het groot. Daarop gingen deFarizeën prat; en God heeft daarin geen lust; Hij vraagt naar een hart, dat Hem liefheeft.
Johannes ging in de kracht van Elia. Zelf was het Elia niet, zooals sommigen dat wilden hebben. Maar met den zelfden Geest was hij bezield, die Elia kenmerkte. Evenals Elia, zoo kwam ook Johannes om het volk terug te roepen tot de oude paden. Dat is de groote en heerlijke taak aan Johannes opgedragen. Daarvoor werd hij vervuld met den Geest Gods, om het leven der kinderen, die nu leven, terug te brengen tot het leven der vaderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen. Daarom moeten zij zich bekeeren; ze moeten belijden, dat zé gerebelleerd hebben tegen den Heere; dat zij Gods woord dwaselijk hebben verworpen.
Door den Geest Gods is Johannes' prediking niet ijdel geweest. Er mocht te midden van dat volk weer een vragen geboren worden naar God, een volk toebereid worden om den Zaligmaker te ontvangen. Tot roem van Gods genade wordt te midden van dood en verderf nog iets goeds opgericht.
God had zulk een heerlijk doel op 't oog. God had dit voor, om voor een doorn een denneboom en voor een distel een mirteboom te doen opgaan; om te midden van dat volk nog een levend volk te maken, dat Hem zou dienen en Zijn deugden zou roemen; dat Zijn Naam zou belijden en Hem zou vreezen in al hun weg. Daarom is de Heere niet veranderd. Hij is de God des eeds en desVerbonds. God heeft lust in zulk een volk, enkel om redenen uit zich zelf genomen. Daarom zendt Hij Johannes uit om het volk aan te zeggen, dat het dood zou gaan, als de kinderen niet gingen vragen naar de wegen hunner vaderen; dat Christus zou komen met de wan in zijn hand, om te , onderzoeken wat koren of kaf was. Het koren zal hij bijeen vergaderen voor de hemelsche schuren, maar het kaf met onuitblusschelijk vuur verbranden. Zoo zal het dood of leven zijn, zoo we Hem verwerpen, of dat we Hem mogen kennen in het dierbaar bloed voor zondaren op Golgotha ter verzoening gestort.
Ook in ons Vaderland, in Nederland, mag er gesproken worden van oude beproefde paden. Onze vaderen hebben die gekend, en geweten, dat alleen uit Gods Woord licht kan opgaan voor hart en huis. Ze hebben het geweten, «Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.» Ze hebben het geweten, dat wie Hem verlaat, straf op straf en ramp op ramp heeft te wachten. Maar onze vaders hebben de wegen onzer vaderen verlaten. Nu had God het tot een gansch afgesneden zaak kunnen maken. Dat heeft God niet gedaan. Hij heeft nog mannen willen verwekken om 't ons volk aan te zeggen: Gij zijt ongehoorzaam geweest en onvoorzichtig om te verlaten de wegen uwer vaderen en zult u moeten bekeeren van uwe zonden om terug te keeren tot den Heere en te wandelen naar Zijn Woord.
Ook te midden van ons Vaderland werd gehoord: «Wij willen niet, dat deze Koning over ons zij. Wij hebben geen lust in Zijne wegen!» De wegen onzer vaderen waren die der gehoorzaamheid en voorzichtigheid, en tot die wegen zullen onze kinderen gebracht moeten worden. Biddend zijn mannen als Groen van Prinsterer, Da Costa, Mackay, Lohman, Kuyper e. a. uitgegaan om ons volk op hun zonde te wijzen, en hen terug te roepen tot de oude beproefde paden. En tot roem van Gods genade is er nog zulk een volk geweest, dat opmerkte, hun zonde beleed, en weer ging vragen naar de wegen der vaderen! Men wilde terug keeren en de Heere deed aanvankelijk vooruit gaan!
Als onze vaderen thans die scholen, waar Gods Woord wordt gebannen, eens binnentraden, zouden ze zeggen: dat is niet de school, zooals wij die hadden, waar we ónze kinderen onderwezen in de vreeze des Heeren naar Zijn Woord. Die zoogenaamde «nieuwe» school zoo als men de «Christelijke» school smalend belieft te noemen, is de oude school — zooals onze vaderen die kenden. Maar de z.g. oude school (de «Openbare") is nieuw, want ze is vrucht van de Revolutie.
Waar de naam van Jezus niet mag worden genoemd, mogen onze kinderen niet komen. Met rekenen, lezen en schrijven kunnen zij de wereld niet door. »De lichamelijke oefening is tot weinig nut, maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de beloften des tegenwoordigen en des toekomenden levens». De vrucht der mannen, die God schonk, is geweest, dat men scholen ging bouwen, waar de Bijbel gebruikt werd, niet om even open te slaan, maar om grondslag en richtsnoer te zijn voor Alle onderwijs, opdat onze kinderen waarlijk worden toegerust voor het leven en gered worden van dood en verderf. God heeft zich niet onbetuigd gelaten. Die mannen zijn verguisd en bespot, maar 'groote dingen heeft Gód door hen tot stand gebracht. Hij is een verrassend God. Reeds bijna 1000 Scholen met den Bijbel staan er, waar meer dan 150.000 kinderen kunnen onderwezen worden, naar den eisch van Gods getuigenis. Wat mag de Heere nu wel bedoelen hiermee. Hij wil zichzelf een toegerust volk maken, dat Hem kent. Hem dient, een volk dat met wijsheid en kennis Zijn Naam zal belijden, en de beginselen zal bepleiten, opdat dat volk een licht op den kandelaar is en getuige zal zijn van Jezus Christus. Om hen te stellen als groenende boomen met glanzende bladeren!
God geve, dat er gezien moge worden een staan als de den en de mirt in de kracht des Heeren! En omdat het gaat om het levend kennen van Jezus Christus, den Zaligmaker, zal er meer gebed moeten opgaan, dat Gods Woord niet ijdel zal bevonden worden op onze scholen; maar dat het zaad des Woords wortel mag schieten nederwaarts en vruchten dragen opwaarts. God geve véél gebed voor 't Christelijk onderwijs, dat dat werk gezegend worde en Gode een volk worde toebereid, dat Zijn Naam belijdt, op Alle terrein des levens. Catechisatie en Zondagsschool is voor het kind niet genoeg; nergens mag de naam van God voor hem verzwegen worden. Daarom willen wij Scholen met den Bijbel! En van den Heere is onze bede, dat onze scholen groeien en bloeien zullen, dat te midden van ons volk een toegerust en toebereid volk zal gevonden worden, dat wenscht te leven uit God, te spreken naar Zijn Woord en dat nu — en eens eeuwig — zal zingen van en roemen in de kruisverdiensten van Christus, Sions Borg en Middelaar, Sions eeuwigen Koning, die eeuwig bekleed is met alle macht in den hemel en op de aarde!
Barendrecht, 19 Jan. 1910.
D. VROON, lid v/d Geref. Bond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's