Staat en Maatschappij.
Preekenbundels aan boord. (Slot.) De Vrijzinnigheid.
Preekenbundels aan boord. (Slot.)
Hoe het vraagstuk — want een vraagstuk is het geworden — der godsdienstoefeningen aan boord tot eene goede oplossing ware te brengen, daarover hebben wij ten slotte nog iets te zeggen. Dat die oplossing niet zoo heel gemakkelijk is, zal men bij eenig nadenken grif moeten toegeven, vooral als men in aanmerking neemt, dat de bevolking aan boord een zeer gemengde is, en dat het niet aangaat met de verschillende godsdienstige overtuigingen dier bevolking geen rekening te houden.-
Nu zou men er toe kunnen overgaan, om maar kortweg het preeklezen af te schaffen, en er b. v. voor in de plaats te stellen het lezen van enkele hoofdstukken uit de Schrift, of men zou het preeklezen kunnen vervangen door het verschaffen van Christelijke lectuur. Dit zou dan wel een uit den weg ruimen der moeilijkheid zijn, maar niet tot een oplossing der zaak leiden.
Dat we de bestaande orde van zaken moeten behouden, daarin zijn wij het intusschen op dit punt met „De Nederlander" geheel eens, als zij schrijft:
Evenmin als in andere landen, behoort bij ons de godsdienstoefening aan boord te worden afgeschaft; de verwildering, die daarvan het gevolg zou zijn, zouden wij niet voor onze rekening willen nemen. Kan men haar beperken, door den commandanten voor te schrijven, zoo mogelijk Zondags te ankeren op eene reede, waar aan wal godsdienstoefeningen worden gehouden, dan ware dit wenschelijk. Maar haar te vervangen door de bemanning gelegenheid te verschaffen voor Christelijke lectuur, is voor hem die meent, dat God ook in het openbaar moet worden geëerd en aangebeden, geen voldoende oplossing.
Wij gaan hiermede, gelijk wij zeiden, accoord. Wij zouden er nog aan kunnen toevoegen, dat het ons bekend is, dat als wel eens het houden der godsdienstoefeningen wordt nagelaten, de stemming bij het scheepsvolk hoogst ongunstig is.
Daarom moet de openbare godsdienstoefening aan boord behouden blijven. Maar er worde naar andere preekenbundels omgezien. Ten aanzien daarvan moet er een keuze gedaan worden. En dan onderschrijven wij geheel, wat in dit verband „De Nederlander" als keuze aangeeft, n.l. dat bij het kiezen der bundels de Overheid heeft te rekenen met het feit, dat we een Christelijke natie zijn, " en dat de leider der godsdienstoefeningen in geen geval mag ingaan tegen hetgeen de Christelijke kerk, in algemeenen zin genomen, belijdt. Leed doet het ons intusschen, als „De Nederlander" daarop laat volgen, dat de leider de bespreking van leerstukken, waarover twijfel bestaat, moet vermijden en dan in één adem noemt de Mariadienst, pauselijke onfeilbaarheid en uitverkiezing. Hoe ter wereld, zouden we willen vragen, kan de redactie de uitverkiezing op één lijn stellen met den Mariadienst en de pauselijke onfeilbaarheid? Dit schrijft een Protestantsch blad tot verbreiding van Christelijk-nationale beginselen. Dat de ethischen van de uitverkiezing niet veel moeten hebben, weten we, maar dit geeft toch geen pas, om zoo over het stuk der verkiezing te spreken.
Wel schrijft het blad, naar aanleiding van het noodzakelijke van het vermijden van leerstukken: Niet uit lafheid, maar omdat een andere handelwijze in een land waar de godsdienstvrijheid geëerbiedigd wordt, machtsmisbruik zijn zou. De strekking van deze godsdienstoefeningen is niet, om eene gemeente op te leiden in de rechte leer, maar om den schepelingen gelegenheid te geven gezamenlijk God te eeren.
Maar daarmede maakt het de onkiesche wijze — om geen ander woord te noemen — waarop de uitverkiezing in het geding wordt gebracht, niet ongedaan.
Spraken wij hierover ons leedwezen uit, ook moeten we er tegen opkomen, dat „De Nederlander" het niet gerechtvaardigd zou achten, dat bij de keuze der preeken moderne toespraken zouden moeten worden uitgesloten. Ten eerste niet, zoo zegt het blad, omdat zij, gelijk ieder die vooral in het buitenland godsdienstoefeningen bijwoont, vaak zal hebben opgemerkt, dat die moderne toespraken op zichzelve doodonschuldige aanspraken kunnen zijn, geenszins gericht tegen de heilswaarheden van het Evangelie, zooals die door de kerken aller eeuwen zijn beleden en ten andere niet, omdat hunne vervaardigers in de Ned. Herv. Kerk dezelfde rechten genieten als alle andere leden dier kerk.
We zullen over deze beide motieven niets zeggen. Commentaar lijkt ons overbodig. Ook niet over de pleister, die op de wonde gelegd wordt, als „De Nederlander" verder schrijft:
Natuurlijk nemen wij het voor zulke toespraken niet op; wij hechten' er weinig waarde aan. Het is hier een in-en uitloopen, waaraan wij het zwijgen toedoen. Liever sluiten wij ons aan bij hetgeen het blad laat volgen: .... en zouden wenschen, dat de verschillende kerken gezamenlijk, of' dat elke kerk afzonderlijk eene commissie benoemde met last, om toespraken te vervaardigen.
Deze weg zou de alleszins juiste zijn, ware het, dat de Ned. Herv. Kerk naar de belijdenisschriften leefde. Maar nu dit niet zóo is, vreezen we, dat een preekenbundel door de Synode saamgesteld, verre van bevredigend zoude zijn. Daarom zou het naar onze meening verre de voorkeur genieten, zoo uit de bestaande bundels door rechtzinnige predikanten saamgesteld, een keuze gedaan werd. We zouden dan nog wel niet verkrijgen wat wij wilden, maar er was dan toch iets gedaan. Ook uit Spurgeon's preeken waren er te kiezen.
Hoe dit nu alles zij, de toestand gelijk deze thans is, kan zoo niet blijven. Mogen er daarom meerderen en vooral theologen zich met de zaak gaan bemoeien, opdat eindelijk ook het scheepsvolk eene, prediking van het Woord verkrijge, dat naar de Schriften is.
De Vrijzinnigheid.
Wij-maakten in ons vorig nummer melding van bet kloeke woord, dat de Gouverneur-Generaal, de heer Idenburg, bij de aanvaarding van zijn ambt sprak.
Wijzende op het beginsel, dat de Overheid als Gods dienaresse allereerst geroepen is, om het door Hem gestelde recht te handhaven en gerechtigheid te betrachten, riep hij allen, die in bestuur of administratie met gezag of verantwoordelijkheid bekleed zijn, op, om vandenzelfden geest vervuld en door denzelfden wil geleid hem de vervulling van zijn doel mogelijk te maken.
Tegen dit deel uit de rede van den Gouverneur-Generaal komt de Vrijzinnigheid in verzet. „Land en Volk", het Vrijzinnig-Democratisch dagblad, uit zijn misnoegen in dezer voege:
De heer Idenburg heeft zich dus bij de aanvaarding van zijn hoog ambt uitdrukkelijk gesteld op het standpunt, dat het recht is van goddelijken oorsprong en de overheid als Gods dienaresse tot handhaving van het recht allereerst geroepen is. Dat de nieuw opgetreden landvoogd, als oprecht Calvinist, deze overtuiging is toegedaan, zal niemand bevreemden en dat hij aan de behoefte om daarvan openlijk te getuigen geen weerstand heeft kunnen bieden, kan hem desnoods worden vergeven.
Maar bedenkelijk in hooge mate dunkt het ons, dat de heer Idenburg, na aldus zijn rechtsopvatting met klem te hebben verkondigd, de verwachting uitsprak, dat alle ambtenaren van denzelfden geest zouden zijn vervuld. Het kon hem toch niet onbekend zijn, dat in Indië, evenals in Nederland, onder de ambtenaren velen zijn, die ten aanzien van het recht niet op het door hem ingenomen standpunt staan. Dezulken nu plaatste hij voor de keuze om óf hun opvatting getrouw te blijven, maar dan tevens de verwachtingen van den landvoogd te beschamen, of den huik naar den wind te hangen en het recht als instelling Gods te aanvaarden. Er behoeft niet op te worden gewezen welk een groot gevaar voor onoprechtheid en huichelarij het stellen voor zulk een keuze doet ontstaan.
Het bedenkelijke dat het vrijzinnige blad in de woorden van den heer Idenburg ziet, zien wij er niet in; en we gelooven dat de meeste — zoo niet alle ambtenaren — den Gouverueur-Generaal zullen steunen, daar waar het aankomt op het handhaven van het gestelde recht en het betrachten der gerechtigheid.
Dat „Land en Volk" eenige aandacht aan de woorden van den heer Idenbutg wijdde, lijkt ons meer toe een staaltje van vrijzinnigheid, om nog eens zijn gemoed te luchten over een anti-revolutionair beginsel, dan om. bekommerd te zijn over den ambtenaar in Indië.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's