Staat en Maatschappij.
Kerk of Gezin."
Ook „De Standaard" heeft onder het opschrift: „Aan Wal en Buitengaats" eenige beschouwingen gewijd aan de „godsdienstoefeningen aanboord."
„Marine is in last over de Religie", zoo schrijft het blad, en waar van zijn redactie het vlokje opstoof, dat allengs tot deze proportion aanwies, wil zij ook bescheid geven.
Nu treft het zeer, dat hetgeen „ De Standaard" over de zaak schrijft, als een vervolg op onze artikelen zou kunnen dienen. Vandaar, dat we enkele stukken uitknippen, als een welkome aanvulling op die artikelen.
De spil, waarom de godsdienstoefening thans draait, zoo merkt de redactie op, is de vraag, of men te doen heeft met een kerkdijken dienst ja, dan neen. En dan zegt het blad daarvan dit:
Oudtijds was dit zoo. Niet alleen met de oorlogsschepen van den Staat, maar evenzoo met die, welke de Oost-Indische Compagnie uitzond, liet de Kerk zich rechtstreeks in. Eerst deden dit enkele Kerkeraden, met name die van Amsterdam en Middelburg, doch later ging de behartiging van deze belangen op de Classes over, en het zijn met name de Classes van Amsterdam, Walcheren, Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen die er op bedacht waren kerkelijke autoriteit aan boord te doen gelden.
Van welke Classes-Kerken het heet:
Het waren de Kerken die de a. s. predikanten en ziekentroosters voor dezen dienst opleidden, ze diplomeerden en aanwezen en hen voorzagen van de noodige instructiën; een aanwijzing die dan nader door de Kamers der O. I. Compagnie goed werd geheeten. Predicatiën van Bullinger en andere vermaarde Godgeleerden werden aan de ziekentroosters meegegeven, om ze voor te lezen, en heel de dienst en zorge van deze vlootbelangen en Indische belangen, bleef onder het merk der Staatskerk verbonden aan de Gereformeerde Belijdenis.
Maar natuurlijk, met de opheffing der Staatskerk kwam hierin verandering.
Geen Kerk kan op de vloot — zoo wordt geconcludeerd — meer eenig gezag uitoefenen, waarop dan door den schrijver der artikelen op de vraag of de Kerken haar verloren invloed aan boord kunnen herwinnen, in ontkennenden zin geantwoord wordt.
Van de Kerken is hier niets te hopen. Treedt toch elke Kerk afzonderlijk op, dan krijgt men zooveel hoofden zooveel zinnen. Er zou van alles op te vinden zijn, indien de bemanningen op de verschillende schepen van oorlog werden ingedeeld naar de Kerken waartoe zij behooren; maar dit gaat natuurlijk niet. Men zou dan op één schip alle Roomschen, op een ander schip alle modern-hervormden, op een derde alle orthodox-hervormden, op een vierde alle Gereformeerden moeten vereenigen, iets waaraan niet te denken valt.
Evenzoo wordt de vorming van een generale Commissie uit alle Kerken saam onbereikbaar geacht. De verschillende Kerken staan te principieel tegen elkander over, om in geestelijke zaken saam te werken. En ook al zou een drietal Kerken preekbundels aanbieden, dan zou dit nog geen kerkelijk gezag vestigen. Waar het op aankomt is, niet het voorhanden zijn van allerlei preekbundels, maar het gebruik er van, en de regeling van het gebruik ervan kan niet van de Kerken uitgaan, maar alleen van Marine.
De Kerk heeft bovendien kenteekenen, maar alle die kenteekenen, die het blad noemt, o. a. in haar ambtsdragers, ontbreken, en waar deze kenteekenen allen ontbreken, ten eenenmale ontbreken, kan men wel nadoen, wat elders ook in een Kerk plaats grijpt, maar dat geeft aan wat men doet nog allerminst een kerkelijk karakter. Dit is er niet, en kan er niet komen.
Waarop de schrijver der artikelen dan dit laat volgen:
Een Minister van Marine die er de Kerken in wilde halen, zou aanstonds vastzitten, en om de veelheid der Kerken èn om de kerkelijke veelsoortigheid der bemanning, èn om de kosten, want dan zou elke Kerk de gelegenheid moeten ontvangen om zijn gedelegeerden ambtsdrager aan boord te doen meevaren. Ons komt daarom voor, dat heel de idee van de Kerk moet losgelaten, èn dat men tot de heel andere opvatting komen moet, dat de bemanning aan boord een Gezin vormt.
Gelijk men ziet, wordt hier de oplossing van het vraagstuk niet gezocht in den weg van de Kerk maar van het Gezin.
Hoe dit te bereiken is, daarvoor, den volgenden keer.
Nieuwe schrede vooruit.
Om tegemoet te komen aan het verlangen van vele ouders met betrekking tot het ter kerk gaan op Zon-en feestdagen van hunne minderjarige zoons, die in den militairen dienst zijn, heeft de Minister van Oorlog bepaald dat, indien door hen, die de ouderlijke macht of voogdij uitoefenen, bij het indiensttreden van hunne minderjarige zoons of pupillen, het verlangen wordt te kennen gegeven dat dezen geregeld de godsdienstoefeningen hunner gezindte op de hiervoren bedoelde dagen bijwonen, die minderjarigen, voor zoover de belangen van den dienst zulks toelaten, onder geleide daarheen zullen te brengen zijn.
Deze order, door den Minister aan het leger gegeven, juichen wij van harte toe, mits natuurlijk volkomen vrijheid worde verleend, om onder die prediking op te gaan, welke de ouders voor hunne zoons begeeren. Niet dus een naar de kerk gaan onder geleide naar den predikant, dien de militaire autoriteit aanwijst, maar naar den predikant, met wiens prediking de ouders instemmen.
Zóó het ministerieele voorschrift opgevat en uitgevoerd heeft het onze volle sympathie. De overheid toont daardoor, dat zij hare roeping ook ten deze begrijpt. De ouders, die hunne kinderen, hetzij voor korter of langer tijd, aan het leger hebben af te staan en tengevolge daarvan verder toezicht missen, hebben recht, dat het legerbestuur in hunnen geest de verdere leiding overneemt. Vooral geldt dit daar waar het de behartiging der geestelijke en godsdienstige belangen der mihtairen betreft, en zoo ook nu weer hier in zake het naar de kerk gaan.
Met deze bepaling hebben we nogmaals een stap in de goede richting gedaan. Eerst kwam er eene regeling ten aanzien waarvan het reizen op Zondag kwam te vervallen en de terugkeer van verlof op Maandagmorgen mogelijk werd; toen werd de gelegenheid geopend om vóór en na den maaltijd te bidden; en thans wordt aan het verlangen der ouders voldaan, om het kerkgaan te bevorderen. Op deze wijze komen we langzamerhand, waar we wezen moeten. Dat we er bij lange na nog niet zijn, zal een ieder moeten toegeven, die geen vreemdeling in het leger is.
Nu zij men echter op één ding bedacht, nl. dat er ten opzichte van al deze voortreffelijke maatregelen geen verslapping kome. Het gros van de officieren en de onder-officieren staan niet aan onzen kant. Ware dit anders en wel zoo, dat er krachtens het beginsel prijs op wierd gesteld, dat ook in het leger de Christelijke beginselen meer in eere kwamen, dan behoefde er geen vrees te bestaan; maar thans staat dit anders. De uitvoering van voorschriften, waarmede men niet van harte instemt, verslapt zoo gemakkelijk.
En daarom is dubbele waakzaamheid noodig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 februari 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 februari 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's