Ingezonden.
UTRECHT, 8 Febr. 1910.
In het nummer van 5 Februarie j.l. van de Utrechtsche Kerkbode lezen wè iets van de hand van Ds. Fernhout, waarin hij streng bestraft en zeer scherp beoordeelt de lijdelijkheidstheorie der Hervormde Broeders.
Wij willen niet pleiten voor eene valsche lijdelijkheid, waarbij wij onze roeping verzaken, zulks zouden wij naar Gods Woord niet kunnen verdedigen. Wij meenen echter toch uit het Woord des Heeren geleerd te worden, dat er een zekere lijdelijkheid kan zijn, die wij om onze eigen zonden moeten dragen, en waaraan wij ons als een rechtvaardig oordeel Gods moeten onderwerpen; wat direct nog niet als een zondige lijdelijkheid genoemd kan worden, omdat wij, wanneer wij tot de wezenlijke Reformatie zullen komen, daartoe in de eerste plaats zullen noodig hebben de invloeden des Heiligen Geestes. Zonder die werking des Geestes, zouden we wel eens uitwendig het huis kunnen bouwen, maar dat God nog niet het huis Zijner woonstede Zelf bouwt. Ps. 127 : 1, Hosea 8 : 14.
Vinden we dat niet duidelijk in het boek Ezra, opdat volbracht moest worden het Woord des Heeren gesproken door den mond van Jeremia, " Ezra 1:1 en insgelijks in Ps. 102 : 14 en 15, en op meer andere plaatsen, waar ons duidelijk geleerd wordt, dat de Hooge God in de eerste plaats zelf gaat reformeeren en daar ook Zijn bepaalden tijd en instrumenten voor gebruikt, gelijk duidelijk te zien is in het geheele boek Ezra. Welk een besef en grondige overtuiging en belijdenis van eigen schuld en zonde spreekt zich daarin niet uit!
Hieruit mogen we besluiten, dat wij voor een tijd onder het oordeel Gods besloten kunnen zijn om onze eigen zonden en naar Gods bepaalden raad, waarom de Heere dan naar Zijn rechtvaardig oordeel den Geest der Reformatie inhoudt. In zoo'n toestand mogen we dan uitwendig het juk afwerpen en tot handelen overgaan, dat daar gelaten, maar, als we dit dan alléén maar doen in het grondige besef van eigen schuld en dat wij alleen daarmede nog niet den geest Gods in Zijne uitgestorte gaven in werking terug hebben, zonder welke een Kerk wel uitwendig kan schijnen, maar niet inwendig geestelijk kan zijn, (Openb. 3 : i en 2) want Christus zegt: «Zonder Mij kunt gij niets doen.»
Wij gelooven niet, dat hier een valsche lijdelijkheid te vinden is, want ook in die dagen van Israels ballingschap zijn er kloeke mannen geweest, die gansch niet lijdelijk waren, maar dat werk mocht zijn aanvang toen nog niet vinden, dan alleen naar Gods bepaalden tijd en raad, volgens de zooeven aangehaalde tekstwoorden Ezra 1 : 1 en Ps. 102 : 14 en 15.
Nu roepen we Ds. Fernhout en allen Gereformeerden Broeders toe:
«Over het gereformeerde heen is erg; maar er nog niet gekomen en te meenen er gekomen te zijn is nog erger.» Wij willen daarover het volgende eens aanstippen.
Reformatie is het kwade te laten, het goede te doen; af te werpen het juk der zonde en aan te doen het, zachte en liefderijke juk van Christus. — «Volkomen juist», zeggen de Gereformeerde Broeders. Maar eilieve, bestaat dit dan enkel bij u alleen in het Verlaten der Hervormde Kerk? eischt Gods Woord niet meer dan dit? We zouden hier zeer veel kunnen noemen met de hand in eigen boezem, maar we willen ons nu alleen eens bepalen bij den predikdienst in de Gereformeerde Kerken.
Hoe, leert ons des Heeren Woord niet wat een prediker en wat de predikdienst moeten zijn?
Is het getal, dat volgens Micha 3:8 uitroept en bewijst vol te zijn van de kracht en geest des Heeren en vol van gericht en dapperheid om Jacob te verkondigen zijne overtredingen en Israel zijne zonden, in uwe kringen nu zoo groot? Schijnt het Licht der Waarheid bij u zoo helder in den Dienst des Woords, dat de mensch gevoelen en bekennen mag de macht Gods in deze Zijne ordonnantie, en doet neervallen op Zijn aangezicht, als de Apostel zegt: Cor. 14:24 en 25, en God aanbidden en doet zeggen: Waarlijk, God is in u», als de toehoorders Hem zelve gevoelen, van allen overtuigd en van allen geoordeeld en de verborgen dingen zijns harten geopenbaard?
Zijn er bij u zoo velen, die volgens 2 Tim 2:15 en Lucas 12 : 42 het Woord recht snijden, zóó, dat ieder zijn bescheiden deel krijgt, dat de treurigen Sions vertroost worden, Jes. 40 : I en 2 en de Dienst een middel in Gods hand is, om een gebroken en verslagen hart te heelen en op te beuren, Jes. 61 : 1 en 2 en Thess. 5 : 14, en dengenen onder Gods volk, die duister zijn omtrent hun aandeel aan den Heere Jezus, op goede Schriftmatige gronden aan te wijzen de dingen, die hun van God geschonken zijn, die de heilige kunst weten om zich verstandig te gedragen jegens een ellendige, en met den moede een woord te rechter tijd te spreken. Zulke mannen waren er nog onder die van '34, maar helaas weinigen onder die van '86, want Christus zelf heeft Zijne Apostelen niet alleen belast Zijne schapen maar ook Zijne lammeren te weiden, Joh. 21 : 15.
Zijn zij zoo talrijk bij u, die volgens 2 Tim. 4: 1 en 2 de zonde bestraffen, de geveinsden en die zich niet van ganscher harte tot God bekeeren, vermanen en hen duidelijk maken, op gewisse gronden, dat zij de genade Gods tot wederbaring nog missen?
Met recht is door een der Ouden gezegd: «Een dienaar, die zijn gaven verloren heeft in het bestraffen, is als een bij, die zijn angel verloren heeft, een horzel nergens toe bekwaam.»
Hebben de ambtsdragers genoeg gedaan als zij de waarheid letterlijk verklaard hebben en niet practisch toepassen ?
Lodesteijn zegt zoo eigenaardig: Een leeraar moet niet alleen bekwaam zijn om te leeren, den tegensprekers den mond te stoppen, tot beide is geleerdheid noodig, maar daar is hij tegen en terecht, dat de woorden «kennis der waarheid» den ganschen predikant uitmaken, daarmede raakt hij zijn proef door, daarmee komt hij op stoel. Zulks is echter nog niet voldoende om het kostelijke van het snoode te kunnen onderscheiden, het gebrokene te heelen, het'zwakke te sterken. Ez. 34:4.
Dringt door de letterkorst en gij zult in den Bloem van het woord, en dieper in 't verschiet Bij 't Hemelsch licht al wat ik zinge, vinden, Of gij en hebt de ware Waarheid niet.
Wij willen liever niet verder gaan maar er dit nog aan toevoegen, dat zelfs op enkele plaatsen in ons land de echte kinderen Sions onder zulk een letterdienst wegloopen en in de Hervormde Kerk nog iets vinden wat hun beter smaakt.
Wij mogen ook niet generaliseeren en wenschen dat ook niet op allen toe te passen, maar het is ons toch niet zeer duidelijk, dat zoo velen zich aldus van hunne roeping kwijten. Wij wenschen hier niets mede te verwerpen, ook niet de zuiver letterlijke verklaring, maar wij zouden dunkt ons een schrede voorwaarts gaan, als de Gereformeerde Broeders de hand eens in eigen boezem staken en met ons wilden erkennen, dat wij nog niet tot de ware en wezenlijke practijk des Geref. Christendoms zijn teruggekeerd. Dan zou Efraim Juda niet benijden en Juda Efraim niet meer benauwen, maar we zouden tezamen met een der opschriften van den Waarheidsvriend uitroepen:
«O, Heere God der heirscharen breng ons weder, laat Uw aanschijn lichten, zoo zullen wij verlost worden.» Ps. 80 : 20.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 februari 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 februari 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's