Staat en Maatschappij.
Moeilijke positie.
Terecht wordt door verschillende bladen van rechts op de moeilijkheid gewezen, waarin de schoolbesturen geraken, die hetzij van plan zijn tot schoolbouw over te gaan dan wel bestaande scholen willen uitbreiden.
Er komt stagnatie in het werk.
Nadat in de openingsrede bij het hervatten der werkzaamheden van de Staten-Generaal in September 11 de mededeeling gedaan werd: dat een plan in overweging is tot meer doeltreffende subsidieering in de kosten van schoolbouw, welke thans het bijzonder lager onderwijs menigmaal al te zwaar drukken, is het wachten op de indiening van het ontwerp, dat die meer doeltreffende subsidieering zal brengen.
En dat men dit ontwerp afwacht voor en aleer men plannen voor schoolbouw maakt, is begrijpelijk; immers is de vrees niet ongegrond, dat als men gewoonweg zijn gang ging en deed alsof er geen toezegging van meer subsidie was gedaan, er kans zou bestaan, dat men achter het net vischte.
Stel toch de Regeering komt eerst het volgende jaar met haar voorstel, waarbij de tijd van het inwerkingtreden der wet wordt bepaald op 1 Jan. 1911, dan wordt dit haast zeker een schadepost voor al de scholen, welke in 1910 in aanbouw kwamen.
Hadden de schoolbesturen het anders gedaan en tot 1 Januari gewacht, dan zou de meerdere subsidie ook aan het schoolbestuur, dat thans te voortvarend was, toegekend worden.
Dit alles overwegende, zal men in de gegeven omstandigheden dus met schoolbouw allicht tot de indiening van het wetsontwerp wachten, wat — en men begrijpt dit — aan de actie op schoolgebied verre van bevorderlijk is.
Daarom is het zaak, dat men spoedig uit den rnond der Regeering verneme, wat hare plannen zijn, zoo wat betreft het vermoedelijk tijdstip van de indiening van het voorstel, als het tijdstip, waarop de regeling zal in werking treden en naar welk beginsel de meerdere subsidie zal verleend worden. Kon de Minister dan daarbij nog eene toezegging geven, dat de scholen, die na 1 Januari 1910 gebouwd zijn in de gunstige regeling zullen deelen, dan ware de moeielijkheid weggenomen en behoefde er van stagnatie geen sprake te zijn.
Kwade practijken.
Door den Minister van Justitie is een ontwerp van wet ingediend, strekkende tot aanvulling van de bepalingen betreffende de echtscheiding. De bedoeling van de wetsvoordracht is, om kwade practijken, die ten aanzien van echtscheiding telkens voorkomen, te weren.
Gelijk bekend is past onze rechtspraak sedert het jaar 1883 eveneens, ten aanzien van echtscheidingszaken de gewone regels van het burgerlijk proces omtrent bekentenis en verstek toe, d. w. z. dat wanneer b. v. de vrouw den man beschuldigt overspel gepleegd te hebben, en de man niet voor den rechter verschijnt, de rechter het feit als bewezen aanneemt. Dit nu is het gewone loopje, dat tegenwoordig zeer in de mode is. Terwijl de wet echtscheiding met onderlinge toestemming uitdrukkelijk verbiedt, komt ze toch tot stand als de vrouw den man of omgekeerd de man de vrouw beschuldigt van overspel gepleegd te hebben. Men verschijnt niet voor den rechter en de rechter doet uitspraak zooals men het wenscht.
Aan die practijken nu zal de nieuwe regeling een eind maken, voortaan zal de echtscheiding niet meer mogen uitgesproken worden, indien de rechter niet door wettelijke bewijsmiddelen van de waarheid der feiten overtuigd is.
Wij zijn Minister Nelissen voor die aanvulling dankbaar.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 februari 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 februari 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's