Uit het kerkelijk leven.
Opbouwen.
Er wordt veel gesproken over de zonden van de Herv. Kerk., En terecht!
Het is dan ook de hartelijke begeerte van „de Waarheidsvriend" om in den name des Heeren in het midden van de Herv. Kerk niet te roepen: „vrede, vrede, vrede en geen gevaar!" maar wel; „alleenlijk dit eischt de Heere, dat gij bekennen zult tegen Hem gezondigd te hebben."
De breuke is zoo ernstig.
Maar bij het bespreken van de ellende der ' Herv. Kerk wenschen wij zóo te getuigen, dat ieder, die met oordeel des onderscheids leest, moet zeggen: „de Waarheidsvriend" zoekt waarlijk en waardig het goede voor de Herv. Kerk.
Onze Herv. Kerk, die wij als de ware kerke Christi in ons vaderland beschouwen, omdat het wezen van de Herv. Kerk, door Gods sparende genade niet anders is dan naar den Woorde Gods (hoewel er aan haar wel-wezen o! zooveel ontbreekt door onze gruwelijke en dwaze overtreding) onze Herv. Kerk moet opgebouwd worden.
Opgebouwd waar de muren veelszins gescheurd en verbroken zijn.
Dat is een moeilijk werk. Maar omdat de Heere als de waarachtige en eeuwige schat der Kerke Zijn dierbaar Woord voor ons bewaarde en de Geref. Waarheid niet uit ons midden wegnam (waarbij wederrechtelijk en in strijd met de historie de leugenleer óok geleerd wordt) zal de Herv. Kerk met dat Goddelijk talent en dien heerlijken schat moeten leeren woekeren en werken, om zoo opvoedend en opbouwend te werk te gaan.
Dat is trouwens altijd de heilige roeping der Kerke.
De Heere wil, dat Zijn Kerke alles zal doen, opdat de heiligen tot volmaking mogen voortvaren en het lichaam van Christus mag worden opgebouwd.
Kinderen in het geloof moeten jongelingen worden, jongelingen mannen enz.
En al naar de leeftijd is (in geestelijken zin) zal de Kerke voedsel moeten geven, melk en vaste spijs!
Dat de Kerke des Heeren hier op aarde dat toch nooit Vergete.
En dan bizonderlijk in ónze droeve dagen van verval en dwaling.
De Kerk bezit het. Woord der Waarheid.
En de Heere heeft het zoo wónder-genadig bestuurd, dat dat Woord der Waarheid nog overal gebruikt paag worden in den ambtelijken weg en door de leden der Gemeente.
Wie belet dat er overal gepredikt zal worden naar luid van Gods Woord?
Wie verhindert dat er overal gecatechiseerd wordt naar uitwijzen van de Schriften?
Wie zal het keeren, wanneer overal Scholen gebouwd worden waar Gods Woord en de Catechismus als leerboeken aanwezig zijn en waar de Hervormde jeugd liefde wordt ingeprent voor onze Herv. Kerk, niet verbergende wat de Heere Heere in dit Kanaän van het Westen onder Zijn volk gedaan heeft — opwekkende de jeugd, om niet te wandelen in de zondige wegen der vaderen, maar om weder te keeren tot de voorzichtigheid en de wijsheid der rechtvaardigen (Luc. 1 : 17) ?
Wie zal het kunnen afwenden, dat alom Christelijke Hoogere Burgerscholen en Christelijke-Gymnasia komen?
Wie zal het verhinderen, dat er door een Christelijke overheid Christelijke Hoogleeraren worden benoemd, terwijl de Kerk heeft aan te vullen met Gereformeerd-gezinde Professoren voor de theologie, den eersten tijd door middel van de bizondere leerstoelen?
Wie zal het kunnen beletten, dat alomme predikanten, ouderlingen, onderwijzers, gemeenteleden, zich het lot gaan aantrekken van onze jongelingen, dje weldra in het midden van de gemeente zullen leven en optreden ? om hen zooveel mogelijk op de Jongelingsvereeniging toe te rusten met kennis aangaande bijbelsehe geschiedenis, kerkgeschiedenis, vaderl. geschiedenis, maatschappelijke dingen enz. enz.?
O! laat men in het midden van de Herv. Kerk, waar het Woord des Heeren is bewaard gebleven, eens opwaken en leeren uitgaan om te zaaien, leeren bouwen en oprichten, leeren herstellen en sterken.
Of hebben wij het Woord des Heeren niet meer? En daarom vraagt men ons: wat is uw bedoeling? Wat is uw program? Wat is uw plan en voornemen toch?
Dan antwoorden wij: bouwen, herstellen, oprichten, sterken, waar maar eenigszins kan, uitgaande met het Woord des Heeren tot de kinderen op de catechisatie en op de scholen, tot de jongelingen op de vereenigingen, tot de gemeenten in kerk, locaal of schuur, tot de studenten door middel van Gereformeerd-gezinde Hoogleeraren, enz. enz., en zoo hopen wij op te-bouwen, totdat er méér en méér zullen opstaan in het midden van de Gemeenten, ' die leeren vragen naar de oude paden.
De Gemeenten zélf moeten leeren roepen: „laat óns onze wegen doorzoeken en laat ons wederkeeren tot den Heere!"
Wie bang zijn voor het woord „gereformeerd" die moeten bij ons werk maar verre van ons blijven. Die kunnen we niet gebruiken.
De Heere zegt: „hebt de Waarheid en den vrede lief."
Éérst de Waarheid dus, en dan rondom de Waarheid samenwerking!
Maar die den 'naam „Gereformeerd" verkiezen boven een anderen naam, die moeten niet in hokjes en clubjes leven, gescheiden van elkaar, om elkaar helaas! dikwijls tegen te werken — die moeten, naar den eisch des Heeren, bij elkaar komen, om samen de zonde onzer Kerk te belijden met een ootmoedig, harte en samen tot de gemeenten uit te gaan, om overal in den lande de gemeenten zélve op te roepen voor de zaak des Heeren en op te bouwen waar maar eenigszins mogelijk is: onder kinderen, onder jongelingen, onder studenten!
Is er dan nog geen oog bij velen voor dat groote en heerlijke doel?
Waarom zijn allen, die uit éen beginsel wenschen te leven, nog niet éen van zin in spreken en in arbeiden?
Bij al de ellende van ons kerkelijk leven is misschien dit de grootste ellende, dat wij zélf zoo ellendig verdeeld, zoo dwaas halsstarrig, zoo ongevoelig werkeloos zijn!
Neen, het zij verre van ons om te roemen, om te steunen, om te hopen op de kracht van des menschen arbeid.
't Geldt steeds, voor wien ook, „vervloekt is een iegelijk die vleesch tot zijn arm neemt."
Maar laat er toch eens vreeze in het harte mogen nederdalen voor het aangezichte van den heiligen God, die een zoo jaloersch God is, en die zoekt naar een toegerust volk, dat wil wandelen in de wegen der vaderen en in de voorzichtigheid der rechtvaardigen (Luc. 1 : 17).
Naar een volk, dat het met God durft te wagen. Naar een volk, dat ijver en liefde mag kennen voor den Heere en Zijn dienst. Naar een volk dat, sterk in den Heere, kloeke daden weet te doen. „Leid mij in Uw Waarheid, leer ijvrig mij Uw wet betrachten", bidt de dichter van Ps. 25 dan ook.
De afgodsaltaren moeten omvergeworpen worden en de altaren des Heeren moeten weder worden opgebouwd.
Kom, kom toch samen allen gij, die beven voor Gods Woord. (Niet om onzentwil, maar om des Heeren wil en om de wille van kerk en school, land en volk!) En laat er onder ons een liefhebben van de Waarheid en een zoeken van den vrede gevonden mógen worden, om samen in de kerk, in de school, in de vereenigingen, in den. staat .den Name des Heeren te belijden, Zijn Woord te verkondigen en het heil van onze Geref.. Kerk te zoeken, die Kerk, die wij toch allen' liefhebben, niet om stoffelijke oorzaken, maar omdat het is de plantinge des Heeren, die de Heere zwaar heeft bezocht, maar niet wil verderven.
Die, Hij wilde sparen om in onze dagen Zijn harte nog met medelijden tot haar te wenden en haar te zegenen boven bidden en denken.
Er wordt nog een zuchten en bidden gevonden van een levendgemaakt volk. Onze hope ligt daarbij in het woord van den Psalmdichter: „De HEERE is rechtvaardig in al Zijne wegen en goedertieren in al Zijne werken. De HEERE. is nabij allen, die Hem aanroepen, allen, die Hem aanroepen in der waarheid. Hij doet het welbehagen dergenen, die Hem vreezen en" Hij hoort het geroep en verlost hen. De HEERE bewaart al degenen, die Hem liefhebben, maar Hij verdelgt alle goddeloozen.
Mijn. mond zal den prijs des HEEREN uitspreken en alle vleesch zal Zijnen heiligen naam loven in der eeuwigheid en altoos." (Ps. 145.)
Komt, laat ons dan hopen op den Heere. Komt, laat ons dan in alles in gehoorzaamhefd! aan Zijn Woord leeren wandelen, laat ons getuigen tegen de leugen, tegen de zonde en ongerechtigheid ; laat ons toch niet zwijgen. En laat ons daartoe bij elkander komen. Wij, die de Waarheid liefhebben en in de Herv. Kerk mogen leven, wij behooren bij elkander. Wij zijn niet langer verdeeld en verstrooid! En wij getuigen, wij spreken, wij protesteeren. Wij bouwen, sterken, helpen, overal waar 't. mogelijk is!
Er maar op los leven!
In „de Utrechtsche Kerkbode" van 5 Febr. j.l. schrijft Ds. Fernhout een brief aan een vriend (zooals Ds. Fernhout dikwijls doet, om dan op onderhoudende wjjze over allerlei dingen, die alleszins waard zijn om onder de oogen te worden gezien, in de krant te kunnen praten met zijn lezers) waarin iets voorkomt over de stadskerken. De Geref. kerken n.l. zooals die in de. groote steden gevonden worden.
En dan staat het daar niet goed mee. Gelijk we onlangs ook uit „de noodkreet""van „Hollandia" wel konden bemerken.
Ds. Fernhout schrijft:
«Hoe het er in onze groote stadskerken naar toe gaat, er maar op los leeft — 'kheb er u vroeger wel' eens wat van verteld; en in onze kerkelijke bladen laast ge er gedurig over — 'k zeg er daarom ditmaal niets van. 't Is ook niet noodig. Al wie onze groote steden kent, is er van overtuigd, dat alles er roept om een doortastende hervorming van ons kerkelijk leven. De kerken zijn er niet, kunnen er niet zijn, bij haar bestaande inrichting en verzorging, wat ze moeten zijn naar Gods Woord.
En toch, nergens durft men het leiden van den stroom in nieuwe beddingen aan.
Te Amsterdam kwam er eenige actie; kwam het zelfs tot een voorstel in den kerkeraad; een voorstel, dat voorzichtig den weg tot vorming van wijkkerken op wilde.
Maar zelfs de kloeke Amsterdamsche kerk, die van ouds aan de spits van ons kerkelijk leven staat, durfde dezen maatregel niet aan. Al weer die koppigheid van 't leven.»
Dat is nog al kras. „er maar op los leeft" Al wie onze groote steden kent, is er van overtuigd, dat alles er roept om een doortastende hervorming van ons kerkelijk leven."
de Kerken zijn er niet, kunnen er niet zijn, bij" haar bestaande inrichting en verzorging, wat ze moeten zijn naar Gods Woord." 't Is nog al kras. Vooral dat laatste!
Zou het geen tijd worden om dan maar weer een nieuwe kerk te formeeren ? Als het toch niet is wat het naar Gods Woord moet zijn, dan mag men daar geen oogenblik rust bij hebben.
En als dan de ambtsdragers niet willen, dan moet het ambt der geloovigen gelden!
't Is anders sterk om zulke dingen te moeten schrijven. En dat is een kerk waar geen „ Haagsche Synode" is, waar men vrij is om te spreken en te handelen naar 't Woord overal; waar ieder de Waarheid voorstaat en niet mag tegenstaan. 't Is kras. En dat, waar de kerk nog geen 25 jaar bestaat!
Vooral van de Amsterdamsche Kerk dat te moeten getuigen is zoo teekenend. Want dat is , de kloeke Amsterdamsche Kerk" die gewoon is „aan de spits van ons kerkelijk leven te staan." En daarvan geldt nu : „men leeft er maar op los" — „alles roept om een doortastende hervorming van ons kerkelijk leven" — „'t gaat niet naar 't Woord van God."
Daarvan geldt nu wat Ds. Sikkel onlangs in „een noodkreet'' uitte : „hoe alles onder ons in Amsterdam dood gaat, omdat er geen samenbinding en onderlinge steun is" — „de Gereformeerden laten elkander en elkaars arbeid aan het lot over" — „de Gereformeerden in Amsterdam mogen Zondags naar de kerk gaan — en daarmee uit!"
't Is kras. — Zou men misschien wat voorzichtiger moeten worden met z'n beschouwingen over de Gereformeerden in de Herv. Kerk?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 februari 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 februari 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's