Over de Zending.
Kerkelijke Zending.
I.
Een der wrange vruchten van het diepe verval onzer Kerk is, dat er geen kracht van haar uitgaat; en een der terreinen waarop dat gemis aan krachtsontwikkeling zich het klaarst openbaart, is het terrein der Zending.
Te lang reeds heeft de Kerk zich ook deze zaak, die op haar weg ligt, door verschillende particuliere vereenigingen uit de hand laten nemen, en daarom is het zeker een verblijdend verschijnsel, dat zich hier en daar een streven openbaart om dat verzuim te herstellen én de Zending althans weer in kerkelijke banen te leiden.
Nu tracht men binnen de grenzen onzer Hervormde Kerk dat op twee wijzen te doen. Eenerzijds wil men dat doel bereiken door z.g.n. Olassicale zending en anderzijds door middel van den Gereformeerden Zendingsbond.
Wat het eerste betreft, daar is zeker veel voor te zeggen. Dat verschillende gemeenten, die tot ééne classis behooren, zich opmaken om in den weg van de bediening des Woords tot uitbreiding van Gods koninkrijk werkzaam te zijn, verdient op zichzelf toejuiching. Maar toch is er aan de z.g.n. Classicale zending in onze tegenwoordige toestanden een donkere schaduwzijde verbonden. Immers de meeste onzer classes bestaan voor een groot deel uit gemeenten, waar Gods Woord niet bediend wordt in overeenstemming met de belijdenis onzer Kerk, de drie Formulieren van Eenigheid. Schier geen enkele classis wordt er gevonden, waarin al de ambtsdragers de belijdenis der Kerk aanvaarden en ook al was dat op een gegeven tijdstip het geval, dat er werkelijk een classis bestond, die in haar geheel de belijdenis der Kerk onderschreef, dan zou het" toch heel goed mogelijk zijn, dat bij de gedurige wisseling der ambtsdragers diezelfde classis dat over enkele jaren niet meer zou doen, ja, de mogelijkheid is niet uitgesloten, dat zulk een classis over eenige jaren in haar meerderheid met de Gereformeerde belijdenis gebroken zou hebben.
Vandaar, dat het voor degenen, die er op staan, dat de zending niet slechts in kerkelijken maar ook in gereformeerden geest gedreven zal worden, niet geraden is, aan deze Classicale zending hun steun te verleenen. Het spreekt toch wel vanzelf dat een classis, wier leden in meerderheid de ethische richting zijn toegedaan, er niet voor te vinden zal wezen, om van den zendeling, dien zij straks uitzendt, te verlangen, dat hij het Woord Gods in overeenstemming met de Gereformeerde belijdenis aan de heidenen verkondigen zal. Zoolang deze belijdenis in onze Kerk zelf niet gehandhaafd kan worden, verwachten wij van de Classicale zending dan ook weinig heil. Immers als we toch niet verzekerd zijn, dat de zendeling, die uitgaat, de Waarheid in Gereformeerden geest zal verkondigen, ja, als we vrij zeker zijn, dat zulk een zendeling in overeenstemming met de classis, die hem uitzendt dit niet zal doen, dan spreekt het wel vanzelf, dat degenen die de Gereformeerde Waarheid liefhebben, zich voor deze zaak niet zoo warm kunnen maken. Dat is dan ook de oorzaak, dat er in Gereformeerde kringen, voor deze Classicale zending over 't algemeen weinig wordt gedaan. Men voelt wel, ook al is men de zaak in beginsel toegedaan, dat men in de practijk op allerlei onoverkomelijke moeilijkheden stuiten moet. Naar onze bescheiden meening is bij de tegenwoordige bestuursinrichting onzer Kerk, die de meest mogelijke leervrijheid huldigt, de tijd voor Classicale zending niet rijp.
Een ander middel, dat men heeft aangegrepen om den stroom der Zending weer in kerkelijke bedding te leiden, was de oprichting van den Gereformeerden Zendingsbond. Deze Bond, die nu ongeveer 9 jaren bestaat, verheugt zich in de steeds toenemende sympathie dergenen, die binnen onze Kerk de Gereformeerde belijdenis zijn toegedaan. Die sympathie heeft niet altoos bestaan. Integendeel, in den beginne ging het den Gereformeerden Zendingsbond zooals het enkele jaren later onzen thans bestaanden Gereformeerden Bond tot verbreiding en verdediging der Waarheid ging. Zijn ontstaan werd met zekeren weerzin begroet; zijne bewegingen werden met zekeren argwaan gadegeslagen. Velen bleven terug van wien in de eerste plaats verwacht was dat zij zich zouden hebben aangesloten; anderen, vooral uit den Confessioneelen hoek, stelden het voor alsof het beginsel van dezen Bond eigenlijk alléén negatief was en enkel bestond in het niet laten zingen van de Evangelische Gezangen. Zelfs de Gereformeerde predikanten namen voor het grootste deel eene afwachtende houding aan. Men was o zoo voorzichtig; men moest eerst eens zien wat het zou worden. Gelukkig werd dat allengs beter; velen begonnen hun argwaan te verliezen; de antipathie begon langzamerhand in sympathie te verkeeren. Wel langzaam, maar toch zeker sloot nu eens deze en dan weer gene zich aan. En thans is het zoover gekomen dat er bijna geen Gereformeerde predikanten meer zijn of zij zijn lid van den Gereformeerden Zendingsbond, en als zij het nog niet zijn dan denken zij er in ieder geval ernstig over om het te worden. In vele gemeenten werden zelfs afdeelingen van den Zendingsbond opgericht en naar we vernamen is het Bestuur met de opleidingskwestie zoover gevorderd, dat eerlang twee jongelieden aan de Rotterdamsche Zendingsschool zullen opgeleid en daarna naar de heidenen uitgezonden zullen worden.
Welke zijn echter indertijd de overwegingen geweest, die tot de oprichting van den Gereformeerden Zendingsbond hebben geleid ? Het komt ons voor dat het goed is deze overwegingen eens duidelijk uit te spreken. En als wij, die - bij de oprichting tegenwoordig waren, ons dan wel herinneren, waren die overwegingen tweeledig.
In de eerste plaats werd er in Gereformeerde gemeenten zoo goed als niets aan Zending gedaan. Hoogstens eenmaal per jaar werd er een collecte gehouden en met die collecte zat men vaak nog verlegen omdat men niet wist waarheen men haar zenden moest. Immers de bestaande Zendingsvereenigingen waren aan Gereformeerd bloed zoo goed als gespeend. Wanneer men dus de beste nog koos om de ontvangen gaven op te zenden, dan deed men dit noodgedwongen. Maar behalve eens per jaar zulk een collecte houden, dacht men er niet aan met de Zending ook maar eenigszins rekening te houden. Zending was goed genoeg voor ethischen en modernen; maar voor Gereformeerde menschen scheen de Heere geen zendingsbevel gegeven te hebben.
De oprichters van den Geref. Zendingsbond voelden dat het anders moest worden; en deze overwegingen waren het eenerzijds, die-hun de hand aan den ploeg deden slaan.
Maar hier kwam nog wat bij. Als mannen, die stonden op den bodem der Gereformeerde belijdenis, gevoelden de oprichters tevens dat hun Bond principieel van de andere zendingscorporaties onderscheiden moest zijn, en wel daarin dat het eigenlijk geen Bond van personen, maar dat het een Bond moest worden van gemeenten der Ned. Herv. Kerk, zooals deze door hunne Kerkeraden vertegenwoordigd worden.
De Zending was de zaak der gemeente. De Kerk zelf zou zich de roeping, dat het haar taak was Zending te drijven, weer bewust moeten worden.
.
{Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 maart 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 maart 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's