De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Over de Zending.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Over de Zending.

6 minuten leestijd

Kerkelijke Zending.

IL

De Zending de zaak der Gemeente! Die gedachte, die indertijd mede tot de oprichting van den Gereformeerden Zendingsbond den stoot heeft gegeven is ontleend aan de H. Schrift en is ook zoo geheel in overeenstemming met de Gereformeerde belijdenis. Immers wat is het groote - beginsel van Gods Woord dat in de eerste plaats door Calvyn en dat verder door het gansche Gereformeerd Protestantisme weer op den voorgrond is gesteld?

Is het niet Gods absolute Souvereiniteit die zich wel ook openbaart in gansch de Schepping, maar toch bijzonder in het verkiezen, en in het verzamelen van Zijn Kerk?

De uitverkiezende liefde Gods werd door onze Gereformeerde vaderen dan ook zoo terecht het Cor ecclesiae, het hart der Kerk genoemd.

Het vaste fundament Gods staat hebbende dezen zegel, zegt, de apostel: de Heere kent degenen die de Zijnen zijn. God de Heere kent dus alle degenen die Hij ook onder de heidenen tot het eeuwige leven heeft verordineerd.

Al die uitverkorenen Gods echter zijn één in hunnen Christus. De Heere heeft dan ook maar niet enkele losse, op zich zelf staande personen uitverkoren; neen, Hij vorkoor één volk, één geslacht, één lichaam onder één Hoofd. Hij verkoor een geestelijk organisme.

Als zulk een lichaam nu stond de Kerk van Christus in haar Hoofd van eeuwigheid af reeds vol en volmaakt voor de gedachten Gods. En eenmaal in den dag der dagen dan zal die Kerk ook zonder vlek of rimpel als een reine bruid aan den Vader worden voorgesteld, en dan zal het blijken dat er inderdaad geen klauw zal achtergebleven zijn, dat er niet een "zal worden gemist..

Maar zoolang die groote dag er niet is heeft de gemeente des Heeren zich nog als onvolledig te beschouwen en moet er nog naar het ontbrekende deel worden gezocht. En nu is het wel waar dat de gemeente Gods zelf niet weet wie er nog aan haar moeten toegevoegd worden;

wij weten immers niet wie al dan niet onder het zegel der verkiezing liggen; maar dit weten we wel dat de uitverkiezing de voorwerpen van Gods welbehagen onder alle volk, in heel de menschheid en over gansch de wereld nam. Vooral nu bij het kruis van Christus de middelmuur des afscheidsels viel, die daar in de dagen der oude bedeeling tusschen Israël en de heidenen stond, zou het waar blijken dat God in Christus de wereld met zichzelven verzoenende was.

En de saam vergadering van diegenen die in de gansche wereld Gods bijzonder eigendom zijn, werd opgedragen aan de Kerk zelf. Het is immers in de eerste plaats het Hoofd der Kerk, de verheerlijkte Middelaar, die voor Hij van deze aarde heenging aan Zijn gemeente het Zendingsbevel heeft achtergelaten. Gaat dan heen, sprak Hij, in de geheele wereld; predikt het evangelie aan alle creaturen ; wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar wie niet geloofd zal hebben zal verdoemd worden.

Dat woord nu sprak de Heiland tot de elve. Dat zendingsbevel gaf de Heere maar niet aan één' eersten den besten belijder, maar aan het apostolaat en in dat apostolaat aan gansch Zijne gemeente.

Daarom lezen wij ook van Paulus niet dat hij op eigen gezag is uitgegaan om het Woord des levens aan de heidenen te verkondigen, maar dat hij telkens door de Christen-gemeente te Antiochië wetd uitgezonden ; en als zoodanig als een gezondene door de gemeente van Christus, en ook, in dien'zin als een gezondene door Christus, ja door God zelf, heeft hij als de groote zendeling de verschillende gemeenten in Klein-Azië gesticht, is hij zelfs ook in Macedonië en Griekenland werkzaam geweest. '.

De Kerk des Heeren moest tot haar eigen opbouw en voltooiing arbeiden; de gemeente van Christus had dus zelf het werk der zending ter hand te nemen. In de dagen onzer vaderen heeft men dat ook uitnemend verstaan. De eerste Protestansche zending droeg steeds een kerkelijk karakter. Zoo stond de zending onder de Lappen, ondernomen op initiatief van koning Karel IX van Zweden, benevens de Deensche zending in Oost-Indië en Groenland, waarbij vooral koning Frederik IV van Denemarken en als zendeling de wakkere Hans Egede zijn betrokken geweest — dit waren de eerste zendingsplantingen in Protestantschen bodem geworteld —-onder opzicht van het officieel kerkelijk gezag-Hare zendelingen werden door de  Kerk onderzooht en geordend.

Hetzelfde gold ook voor de eerste zending die na de reformatie van uit ons Vaderland gedreven werd. Wel gingen de zendelingen als afgezanten der toenmalige Oost-Indische Compagnie, maar toch aangesteld en geordend door de kerkelijke Classes, met welke de Kamers der Compagnie zich in verbinding hadden te stellen.

Zelfs heeft van 1622—1632 te Leiden een z.g.n. Indisch Seminarium bestaan onder leiding van den Leidschen Professor Antonius Walaeus, dat opgericht door de Classis van Delft ten doel had „bekwame mannen als kerkedienaren voor de Indiërs uit te zenden."

In den bloeitijd onzer Gereformeerde Kerk heeft men dus het beginsel dat de Kerk van Christus zelf voor de zaak der zending moest zorgen, in toepassing gebracht.

In de 18de eeuw echter is dat anders geworden en heeft men de zending meer en meer van haar kerkelijk karakter beroofd. Vooral in het laatste gedeelte dier eeuw, toen in de Kerk zelf de lauwheid begon toe te nemen, is ook de zendingsijver verflauwd. En toen de Kerk haar roeping verwaarloosde zijn de zendingsvereenigingen opgetreden. Engeland heeft daarin het voorbeeld gegeven; weldia door Duitschland, Zwitserland, Amerika en ook door ons Nederland gevolgd. Een der voornaamste van deze zendingsvereenigingen was het Rijnsch-zendingsgeoootschap te Barmen en het oudste in ons Vaderland was het Nederlandsch-zendelinggenootschap dat in 1797 door Johannes Theodorus van der Kemp werd opgericht.

Nu mag het werk dat door deze vereenigingen in den loop der jaren werd verricht met dankbaarheid gewaardeerd worden. Wanneer de Kerk haar roeping verwaarloost, dan is het een zegen wanneer er vereenigingen zijn die de roeping der Kerk tijdelijk overnemen. Maar meer dan een tijdelijk overnemen mag dit ook niet zijn. Wij mogen in den arbeid der particuliere vereenigingen niet berusten. We mogen ze nooit anders dan als noodhulp beschouwen. Vandaar dat het een goede gedachte van de oprichters van den Gereformeerden zendingsbond was, dat zij hunne vereeniging principieel van de andere zendingsvereenigingen wilden onderscheiden en wel daarin, dat zij niet een Bond van personen, maar - wel een Bond van gemeenten wenschten te vormen. Met de gedachte dat een vereeniging zendt, diende, naar hun oordeel, gebroken te worden. Zal dan ook de Gereformeerde Zendingsbond getrouw zijn aan het beginsel dat de drijfkracht van zijn ontstaan is geweest, dan zal er ook in het uitzenden rekening gehouden moeten worden, dat de zendelingen geen dienaars der vereeniging, maar dienaars der gemeente zijn.

(Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Over de Zending.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's