Staat en Maatschappij.
Ontslagen gevangenen.
Ten aanzien van een gewichtig wetsontwerp heeft de Tweede Kamer de vorige week een beslissing genomen. De Minister van Justitie had een aanvulling en verhooging. der begrooting voorgesteld, bedoelende om de reclasseering van ontslagen gevangenen en verpleegden uit Rijkswerkinrichtingen en van tuchtscholen mogelijk te maken. Overbekend is het toch, hoe moeielijk 't is voor ontslagen gevangenen, of voor hen, die uit Rijkswerkinrichtingen ontslagen worden, weer een positie in de maatschappij te verkrijgen, en hoe het telkens voorkomt, dat als gevolg van laatstgenoemde moeilijkheid, .de ontslagene tot recidive (het'opnieuw' begaan van strafbare feiten)
Om den ontslagen gevangene nu de behulpzame hand te kunnen bieden, daartoe strekt het ontwerp.
Natuurlijk, en dit dient dadelijk opgemerkt te worden, heeft-de aangenomen regeling niets te maken met de nieuwe strafrechttheorieën. Zelfs is er geen sprake van eene ombuiging naar die nieuwe richting. Het voorstel, gelijk het-na aanneming in de Eerste ' Kamer, wet zal worden, bedoelt in de verste verte niet om het begrip van schuld weg te cijferen, of het begrip ter zijde te schuiven, dat straf moet zijn een toebrenging van leed, ter vergelding van schending van het recht. Immers met het ontslaan van den gevangene is het leed, dat aan den overtreder van de rechtsorde werd aangedaan, afgeloopen.
Ware dit anders, en wel zoo dat met aanvaarding van wat thans geboden werd, metterdaad een knieval voor de niéuwe strafrechtbegrippen gedaan werd, dan zou .de regeling, die thans getroffen staat te worden, onaannemelijk zijn geweest.
Doch gelijk betoogd werd, is dit in geen enkel opzicht het geval. De reclasseering gaat niet tegen de straf in, maar zij wil maatregelen nemen, om de gevolgen van de straf te verzachten, kan het zijn het nadeel zooveel mogelijk weg te nemen. Het geldt toch voor de meesten, dat zij, omdat zij in de gevangenis gezeten hebben, geteekend zijn.
Wat wil nu de regeling ? Zij bedoelt, om door het verstrekken van subsidies aan particuliere vereenigingen, . deze het mogelijk te maken, - het lot der ontslagen gevangénen aan te trekken. Niet de Overheid zal hier in de eerste plaats optreden, maar zij zal van het particulier initiatief gebruik maken, om aan ontslagen gevangenen, voor zoover dit mogelijk is, bij hunne terugkomst. in de gemeenschap wederom een nuttige plaats in te ruimen.
En zulk een streven naag toegejuicht worden. Worde nu ook het resultaat bereikt, wat men er van verwacht.
Een toontje lager.
De Bond van Nederlandsche Onderwijzers, die bij monde van zijnen voorzitter, den heer Ossendorp, op den Leidschen Bondsdag zoo rauwelijks de neutraliteitsclausule te midden der bondsleden wierp, begint een toontje lager te zingen. Allerwege toch werd het optreden van den Bond afgekeurd en zelfs de openbare onderwijzers, die geen bondsleden waren, spraken er schande over.
Bij woorden lieten verschillende autoriteiten het intusscheh niet. Van niemand minder dan van Burgemeester en Wethouders van Rotterdam verscheen zelfs een strenge circulaire, gericht tot de hoofden der openbare scholen van lager onderwijs. In die circulaire werd er op gewezen, hoe de Overheid niet dulden mag, dat in de van harentwege bestuurde school de kinderen geleid worden tot onverschilligheid ten aanzien van hetgeen den roem van 's lands geschiedenis uitmaakt en ten aanzien van het Grondwettelijk Hoofd van den Staat. Daarom moet bij de kinderen eerbied voor dat Hoofd en gehechtheid aan het Koninklijk Stamhuis gewekt en onderhouden worden. Burgemeester en Wethouders spraken in verband daarmede hun verlangen uit, dat de kinderen in dien geest zouden onderwezen worden' en dat getracht zou worden hen op te leiden tot goede burgers van den Nederlandschen Staat.
Mochten onderwijzers in Rotterdam niet op de wijze werkzaam zijn, als van hen verwacht werd, dan namen Burgemeester en Wethouders zich voor, om hen uit de school te verwijderen.
Dit krasse maar alleszins juiste optreden van het Dagelijksche Bestuur te Rotterdam, heeft zijn werking niet gemist. Vanwege het Hoofdbestuur van den Bond van Nederlandsche Onderwijzers verscheen een manifest aan het Nederlandsche volk, waaruit een andere toon spreekt, dan die welke in Leiden werd gehoord. ^
Zoo vermag gelukkig een krachtig optreden van het gezag nog veel tot breking van het revolutionair geweld.
Of de geest, die in de onderwijzers leeft, daardoor veranderd wordt, is iets anders. Tijdelijk is in tusschen het kwaad gestuit.
De 17de predikantsplaats.
Met 45 tegen 21 stemmen heeft de Tweede Kamer Dinsdag het wetsontwerp tot het verleenen van subsidie voor de 17de predikantsplaats ten behoeve van de Ned. Herv. Gemeente te Rotterdam goedgekeurd.
Al voerden nevens den Minister zes sprekers het woord, toch waren de discussies vrij vlug afgeloopen. De reden, die die spoedige behandeling in de hand werkte, was, dat de principieele zijde van de zaak vrijwel onbesproken bleef, en daarvoor was aanleiding, wijl de regeeriug de subsidie had losgemaakt van eene nieuwe toepassing van art. 171 van de Grondwet.
De Minister toch grondde de aanvrage op de overweging, dat het geval te Rotterdam gelijk stond met al die gevallen, waarin na 1883 bij vorming van een nieuwe gemeente subsidie werd verleend, zooals aan de gemeente Hoek van Holland, Gronau en laatst nog in December aan de gemeente Overdinkel. De concentratie van bevolking, die te Rotterdam o. a. in verband met het tot stand brengen van belangrijke waterstaatswerken plaats vond, deed — en daarin is eenige overeenkomst met genoemde gemeenten op te merken — eene buitengewone omstandigheid ' ontstaan.
Zoo stond dus de toekenning van de subsidie aan Rotterdam geheel op zichzelf. En dit maakte de zaak zeer eenvoudig. De Minister had eigener beweging de voordracht losgemaakt van het beginsel, waardoor geen consequenties behoefden aanvaard te worden ten aanzien van de noodzakelijkheid van latere dergelijke voorstellen.
Nu dit alles zoo vaststond, had stemming over het ontwerp kunnen achterwege blijven. Dat er desondanks toch stemming werd gevraagd, kan moeilijk anders verklaard worden dan hieruit, dat een groot deel der linkerzijde van het toekennen van gelden aan de Kerken niets wil weten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's