Afdeelingsverslagen.
UTRECHT. Voor de Afdeeling »Utrecht" trad Donderdag den 24Sten Februari op Ds. M. Jongebreur te Veenendaal, met het onderwerp: »De verootmoediging van Koning Josia". Na de gebruikelijke opening en het zingen van een vers van Psalm 74, begon Z.Eerw. zijne lezing aldus: «Wanneer wij in deze avondure voor u optreden, dan is dat, uitgenoodigd door de afdeeling van den Geref. Bond, alhier.
Wij mogen als bekend veronderstellen, wat het doel is, dat die Geref. Bond zich thans ter bereiking heeft voorgesteld. Het doel immers ligt uitgedrukt in den naam; het is de verbreiding en verdediging van de Waarheid in het midden van de Herv. (Geref.) Kerk. Dat zulks noodig is wordt zeker door niemand onzer ontkend. Of is het licht van de Waarheid Gods in het midden van onze Kerk in menig opzicht niet uitgebluscht in stikdonkere duisternis? Ligt het vuur van die Waarheid in menig opzicht niet verscholen onder de asch van allerlei leugenleer, die de mensch zich heeft uitgedacht? Zou het dus niet noodig zijn, dat wij in den middellijken weg ons opmaken, dat dit licht van Gods Waarheid weer op den kandelaar komt? Ja, dat dit noodig is, stemt ieder die de Waarheid liefheeft of uitwendig belijdt, mij toe. Maar toch meen ik, dat men over 't algemeen niet genoeg doordrongen is van die noodzakelijkheid. Indien dit zoo was, dan waag. ik te betwijfelen, of onze Bond, die zulk een schoon doel zich heeft voorgesteld, wel te worstelen zou hebben met zooveel legenkanting en strijd. En als ik hier spreek van tegenkanting en strijd, dan bedoel ik daarmede niet de strijd die ons '. van de zijde van de vijanden van Gods Waarheid wordt aangedaan. Van dien strijd zeg ik : «Goddank, dat hij bestaat". Immers als Satan ons niet bestrijdt dan is er altijd en in ieder opzicht zooveel te meer reden om zichzelf nauwkeurig te onderzoeken, of de weg, dien wij betreden de rechte wel is. Maar als ik hier spreek van strijd, dan denk ik inzonderheid aan het lijdelijk verzet, dat wij ontmoeten bij degenen, die met ons dezelfde Waarheid belijden, die met ons op den bodem der Geref. belijdenis staan. Of weet gij 't niet, dat zoovelen die wij zoo gaarne met ons in dezelfde gelederen zagen optrekken, nog altoos allerlei redenen meenen te hebben, waarom zij zich althans op 'een afstand houden en met Ruben tusschen de stallingen blijven nederzitten. Wij zullen natuurlijk niet ingaan op al die redenen, die vaak een schoonen schijn geven en niet zelden in een vromen vorm gegoten zijn. Maar èèn er van willen wij toch even onder de oogen zien.
Er zijn menschen, die het voorstellen, alsof de mannen van den Geref. Bond de pretentie hebben, dat zij nu zelf de zaak van Gods Kerk eens ter hand zullen nemen. En ach, zegt men dan, wat zal nu een nietig menschehkind tot verbreiding en verdediging van de Waarheid kunnen doen, indien de Heere zelf niet een geest van verootmoediging schenkt. Wij zouden degenen die zoo spreken, wel willen vragen, waar en wanneer de waarheid dezer woorden door de mannen van den Geref. Bond werd ontkend? Waar hebben wij het laten hooren, dat wij meenen, dat ons werk zonder het werk des Heeren wel zou kunnen gedijen? Integendeel, wij belijden, dat de Heere ook in ons werk de Eerste, de Middelste en de Laatste moet zijn, opdat niet slechts over de persoonlijke maar ook over de Kerkelijke zonden een droefheid naar God geboren worde. Ook die verootmoediging werkt de Heere middellijk, hetgeen wij zoo duidelijk zien in de geschiedenis van Koning Josia, die, uit goddelooze ouders geboren, een der meest godvruchtige Koningen uit het huis Davids was. Wanneer wij de geschiedenis nagaan, dan ontmoeten wij Koning Josia in het 18e jaar zijner regeering, dus óp 26-jarigen leeftijd en zien hem met gescheurde kleederen; dit was ten teeken van rouw.
Laten wij ons achtereenvolgens rekenschap geven, ie van de oorzaak; 2e van de vrucht der droefheid.
Wat was de oorzaak, dat Josia daar met gescheurde kleederen stond, ten teeken, dat zijn ziel met schrik en angst vervuld was? In de verzen 1—18 van 2 Kronieken 34 lezen wij, dat Josia groote hervormingen in het land had teweeggebracht en dat hij Juda en Jeruzalem gereinigd had van de hoogten en de bosschen, van de gesneden en gegoten beelden, die daar door zijn vaderen waren opgericht, ja zelfs tot de-steden van Manasse, Efraïm, Simeon en Naftali had hij zijne hervormingen uitgebreid.
Vooral had Josia het oog gevestigd op den tempel des Heeren.
Hoe maakt hij zich op om het huis des Heeren te herstellen, daartoe gevende aan de mannen die met het werk belast waren, het geld dat in den tempel was samengebracht.
Bij die gelegenheid was het, dat de Hoogepriester het Wetboek des Heeren vond, dat door de hand van Mozes beschreven was en dat daar verborgen lag, ja, dat door de nalatigheid der Priesters bijne geheel was verloren geraakt.
De Wet des Heeren in den tempel zelf dus bedolven onder het stof, zoodat bijna niemand iets zeker meer van die Wet des, Heeren schijnt geweten te hebben. Diep treurig was het dus met het volk des Heeren gesteld. O, hoe diep waren zij weggezonken, hoe ver waren zij afgeweken vaa den God hunner Vaderen, dat zelfs Zijn Woord in 'vergetelheid was geraakt. Maar toch bleek het ook hier dat de Heere Waker is over Zijn Woord.
Josia hoorende wat de Heere in Zijn Wet eischt scheurt zijne kleederen omdat er zooveel redenen zijn om zich te verootmoedigen en om zich diep weg te schamen voor God,
Ja nu zag hij dat het inderdaad gruweldaden waren waaraan het volk van Israël zich had schuldig gemaakt.
Ligt ook hierin voor ons geen oorzaak waarom wij onze kleederen moesten scheuren en ons moesten verootnioedigen voor het aangezicht des Heeren ?
{Slot volgt.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's