Over de Zending.
Kerkelijke Zending. III.
Wanneer de Zending de zaak der gemeente is, dan zullen ook de zendelingen die uitgaan, dienaars der gemeente moeten zijn. Dit beginsel wordt door de Gereformeerde Kerken in ons vaderland in toepassing gebracht. Immers degenen die door deze Kerken worden uitgezonden om aan de heidenen het Evangelie van Gods genade te verkondigen, zijn z.g.n. missionaire predikanten; geordende dienaren des Woords die ook in het zendingswerk dat zij verrichten dienaars der gemeente zijn.
En al zal het bij den onschriftuurlijken en ongereformeerden toestand waarin onze Hervormde Kerk verzonken ligt vooralsnog, moeilijk blijken om dit voorbeeld navolging te doen vinden, dat neemt niet weg dat het toch het ideaal moet blijven naar welks verwezenlijking, naar het ons voorkomt inzonderheid de Gereformeerde Zendingsbond streven moet. Wanneer het dezen Bond werkelijk enrst is met de gedachte die indertijd bij zijne oprichting heeft voorgezeten dat n.l. de gemeente als zoodanig de Zending behartigen moet, dan zal hij ook niet mogen rusten voor dit beginsel ook in de uitzending zijn volle toepassing gevonden heeft.
Hieruit volgt natuurlijk dat voor degenen die als zendeling zullen uitgaan, dezelfde eischen behooren gesteld te worden als aan degenen die in de reeds toegebrachte Kerk tot den dienst des Woords zijn geroepen. En die eischen zijn, naar onze bescheiden meening, tweeledig. In de eerste plaats behoort iemand die het Woord des levens aan anderen zal verkondigen, voor zichzelven te weten dat hij niet door een mensch maar door God den Heere zelf daartoe is geroepen geworden. Niet dat we onder die goddelijke roeping zouden verstaan het ontvangen van een uitwendig hoorbare stem, maar wel dat zulk een in zijn hart het geloofsbewustzijn moet omdragen dat hij niet zijn eigen weg, maar dat hij den weg des Heeren gaat. Nu kan dit natuurlijk door anderen nooit met besliste zekerheid uitgemaakt worden of bij een prediker van Gods Waarheid ook onder de heidenen zulk een inwendige, goddelijke roeping tot het predikambt bestaat; en vandaar dat de Kerk des Heeren ook met de belijdenis dat er zulk een roeping is, genoegen moet nemen. Of zulk een roeping wel de ware zou zijn, daarover heeft de Kerk, gedachtig aan de spreuk onzer vaderen: „over het inwendige oordeelt de Kerk niet", niet te beslissen. Wanneer iemand belijdt dat hij door den Heere werd geroepen om zijn Woord te verkondigen, dan heeft de Kerk deze belijdenis te aanvaarden, en dan is, voor zoover zij daarover kan oordeelen, aan een der voorwaarden die zij aan hare dienaren mag stellen, voldaan.
Maar nu komt er een tweede voorwaarde bij. De Kerk heeft n.l. bij het uitzenden harer dienaren niet slechts te vragen: is er wel roeping? maar ook: is er wel bekwaamheid, is er wel geschiktheid voor den arbeid dien zulk een geroepene in dienst der Kerk zal gaan verrichten. Anders toch is het mogelijk dat zulk een gezondene wiens handen ten eenemale verkeerd staan voor zijn werk, meer tot afbreuk dan tot opbouw dier Kerk zal werkzaam zijn. De Kerk heeft dus een zeer gestreng onderzoek in te stellen naar de mate van kennis en ontwikkeling waarmee zulk een is toegorust.
Niet dat zelfs de hoogste graad van wetenschappelijke ontwikkeling op zichzelf voldoende waarborg is dat iemand bekwaam is voor hét Koninkrijk Gods. Zoo ergens dan moeten we ons hier wachten voor alle eenzijdigheid. Eenerzijds toch moet gewaakt worden tegen deze opvatting dat alleen een zekere mate van verstandelijke kennis iemand bekwaam zou maken om hetzij dan onder Christenen hetzij dan onder de Heidenen een verkondiger van Gods Waarheid te zijn Wie dat mocht meenen behoeft om van dezen waan genezen te worden slechts te denken aan het bekende woord van den apostel Paulus in Cor. 13: „al ware het dat ik de talen der menschen en der engelen sprak en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden; en al ware het dat ik de gave der profetie had en wist al de verborgenheden en al de wetenschap ... en de liefde niet had, zoo ware ik niets".
Uit deze woorden blijkt het zoo duidelijk dat bij alle verstandelijke kennis, bij alle wetenschappelijke ontwikkeling het mystieke werk van den Heiligen Geest in het hart van Gods dienaren niet gemist kan worden, zullen zij door hunne prediking Gode waarlijk een goede reuke van Christus zijn.
Maar evenzeer als tegen dit dient ook tegen het andere uiterste te worden gewaakt. Er zijn namelijk menschen die zich inbeelden dat voor den arbeid in Gods koninkrijk èen z.g.n, geestelijke opleiding genoeg is en dat een z, g.n, wetenschappelijke opleiding eigenlijk meer schade dan voordeel doet. Door al die wetenschap, zegt men dan, kan toch nooit meer gevuld worden dan het hoofd en het komt er maar op aan of het hart aangeraakt en vernieuwd is door de werking van den H. Geest. Hoe vroom echter zulk een uitspraak ook klinkt, toch aarzelen wij niet haar verregaand eenzijdig te noemen. Of heeft de Kerk des Heeren naast haar gevoelsleven ook niet ontvangen een verstandsleven? Heeft God haar niet gegeven „verlichte oogen des verstands" en is het dat verstand niet geweest, waardoor de Kerk des Heeren uit den goudmijn van Gods Woord de schatten der Waarheid heeft opgedolven?
'Zou het wel toevallig zijn dat Paulus, de groote heidenapostel niet alleen op de school des H. Geestes onderwezen is, maar ook aan de voeten van Gamaliel gezeten heeft, zoodat hij niet slechts de man des geloofs, maar ook de man van wetenschap en kennis, ontwikkeling en beschaving was? En zou het wel toevallig zijn dat de meeste mannen van kracht en beteekenis die in den loop der eeuwen de Kerke Gods tot bloei bobben gebracht mannen waren die niet slechts een geestelijke maar ook een wetenschappelijke vorming hebben gehad?
Zeker, om te toonen dat Hij als dé Vrijmachtige zichzelf niet aan de wetenschap bond, heeft de Heere soms mannen verwekt die ook zonder wetenschappelijke opleiding een eere voor zijn Naam en zaak zijn geweest; maar deze uitzonderingen hebben slechts den regel bevestigd, dat mannen die voor den bloei van het Godsrijk: van beteekenis waren, niet slechts geestelijk onderwezen, maar ook wetenschappelijk onderlegd zijn geweest.
En daarom behooren ook de dieraren der Kerk, — we zouden haast zeggen: meer nog dan de anderen degenen die naar de Heidenen worden uitgezonden — wetenschappelijk onderricht te worden. Vooral waar in onze tegenwoordige dagen het licht der wetenschap zijn schijnsel ook onder de Heidenen, en niet het minst onder de Mohammedanen werpt, daar moeten de dienaren van Christus' Kerk zich ook voor de rechtbank der wetenschap kunnen verdedigen.
Wetenschappelijke opleiding — en waar zou deze in den regel beter gezocht kunnen worden, dan aan de Universiteiten die de kweekplaatsen der wetenschap zijn? — achten wij voor onze kerkelijke zending, zoo al niet noodzakelijk, dan toch zeer gewenscht. En op den duur zal het niet anders dan in het belang dezer zendng kunnen zijn, indien door , de mannen die thans de leiding in handen hebben met deze dingen ernstig gerekend zal worden.
Zendingsjaarboekje 1910.
Er is weer een Zendingsjaarboekje! Na 1907 was er geen verschenen.
En nu heeft de (nieuwe) redactie van de Nederl. Zendingsbode (vgl. pag. 138) de hand aan het werk geslagen en ons een keurig uitgevoerd boeksken bezorgd.
Met heel veel genoegen namen wij van de inhoud kennis. Na kalender, enz. komen er eerst 60 bladz. „Mengelwerk", ook „in memoriam" over E. Nijland en Aug. Lett. Dan volgt „STATISTIEK DER ZENDING", a. zending in Oost Indië; b. in West-Indië; c. buiten onze bezittingen; d. onder de Joden. Wat is dat lectuur die beschaamd maakt! Bij het lezen van zooveel en velerlei opgaven van verschillenden Zendingsarbeid zou men zich haast geneeren lid te zijn van den Ger. Zendingsbond, die ook een plaatsje kreeg op pag. 108, maar met „de zending der Chr. Gereformeerde kerk" aan één bladzijde genoeg had! Te meer als men daartegenover leest wat „de zending der Gereformeerde kerken in Nederland" omvat en uitricht. In „hoe staat het met de zendingsbeweging m Nederland" (pag. 42) zegt de redactie, dat de „zendingsactie der Geref. kerken zoo doeltreffend en krachtig is", en — „dat zij van alle protestanten in verhouding gemiddeld het meeste voor de Zending opbrengen." En volgens het „alg. geldelijk overzicht" (p. 136) bedraagt hun begrooting voor 1910 de som van 101000. Gld. (zegge: honderd en één duizend!) tegen die van het 113 jaar bestaande „Genootschap", welke f 97000 bedraagt, en — let goed op! tegen die van onzen G. Z. B.,die in 9jaar al zestien duizend gulden bijeenzamelde!! Hun zendingsblad heeft een oplage van 30.000 exemplaren en het onze („Alle den Volcke") van nog geen 3000, hun Europeesch personeel bedraagt 21 man en het onze . . . ? Ik heb vroeger wel eens gedacht.' zou het in dat gereformeerde beginsel zitten dat er geen gang in 't werk komt? Maar uit dergelijke opgaven blijkt dat toch niet! Och neen! 't zit niet in 't beginsel, maar de fout zit wel bij ons, bij die onder ons voornamelijk, die nog geen zendingshart hebben. Maar ziet gij nu wel dat het lezen van zoo'n jaarboekje toch groot nut kan hebben? Ook tot beschaming! Van alle wetenswaardigheden op Zendingsgebied brengt het ons bovendien op de hoogte, en de „laatste berichten" (jaaroverzicht pag. 33) over den zendingstoestand en uit het vereenigingsleven worden er niet gemist;. Volkomen stem ik dan ook in met de wensch van de redactie, dat dit boekje er 't zijne toe bijdrage om de zendingsbelangstelling te vermeerderen en dat het een onmisbare handwijzer moge zijn voor elken zendingsman en zendingsvriend. De prijs is gering. Per exempl. 40 cts., bij getallen minder (bijv. 20-tal à f6.25). Bestellingen per postwissel uitsluitend aan Jonkvr. H. B. de la Bassecour Caan, Zeestraat 80, Den Haag. {Overgenomen uit „Alle den Volcke")
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 maart 1910
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 maart 1910
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's